interview / De schoonheid van rommelveldjes

Veel mensen vinden ze lelijk, de verommelde plaatsen in Nederland. Cultuurwetenschapper David Hamers is juist enthousiast over de 'overhoeken'. „Als het landschap maar niet ordelijk moet zijn.”

Aan de rand van Eindhoven is een sloopbedrijf bezig de resten van een oude sigarenfabriek te verwijderen. De kraanwagens staan midden tussen woonhuizen en autobedrijven, een hondentrimsalon en een cd-winkel.

Vóór de sloop was de fabriek de werkplek van een tiental kunstenaars. Het grasveld rondom was speelterrein voor kinderen uit de buurt.

Dat grond als deze voortdurend van bestemming verandert, fascineert cultuurwetenschapper David Hamers (35).

Op zo’n plaats geldt een andere esthetica, zegt hij. Hamers is auteur van het recent verschenen boek ’Niemandsland’. Daarin beschrijft hij de veldjes die je overal in Nederland vindt. Plekken die zijn vergeten door de stadsontwerpers en vervolgens het domein van buurtbewoners zijn geworden.

Hamers: „Daar regeert niet de professional maar de mens zelf. Ze brengen persoonlijke details aan in de omgeving, dat dwingt ons om opnieuw na te denken en rond te kijken.”

De officiële naam voor de vergeten stukken land is ’overhoek’. Projectontwikkelaars hebben geen bestemming voor de vele overhoeken die Nederland telt. „In hun plannen zijn de veldjes niet handig. Ze komen simpelweg niet goed uit, liggen op onlogische plaatsen, langs spoorrails en kanalen maar ook midden in woonwijken.” De meeste mensen vinden ze lelijk, storen zich eraan, zegt Hamers. „Dat deze veldjes mooi zijn, zien ze niet.”

Ook de cultuurwetenschapper zelf heeft lang geen oog gehad voor de overhoeken. Dat kwam pas toen hij na zijn promotie aan de universiteit Maastricht als stadsonderzoeker bij het Ruimtelijk Planbureau ging werken. Hij kwam er in contact met architecten en stedenbouwkundigen en ontdekte dat zij anders naar de steden kijken dan hij op de universiteit gewend was. Hamers: „Dat is niet de blik van een ambtenaar of wetenschapper maar die van een ontwerper. Die heeft oog voor detail en voor de gehele context.”

Met zijn ’nieuwe ogen’ begon de stadsonderzoeker zich steeds meer te interesseren voor de lege veldjes. „Iedere lap grond, hoe klein het ook is, heeft zoveel te vertellen,” zegt Hamers. „Het geeft de tijd weer. Kijk alleen al naar de omgeving hier.” Hij wijst naar de grote bulten fabriekspuin. „Op dit terrein stond een van de eerste fabrieken, op het gras eromheen hebben talloze kinderen gespeeld.”

Hamers wil nog één overhoek laten zien, aan de westkant van Eindhoven, een gebied dat hij een ’zachte rand’ noemt. Hamers: „De bebouwing gaat er langzaam over in weilanden en bos. Jarenlang had het geen bestemming, het was geen bouwgrond en geen weiland. Een verloren veldje maar iedereen gebruikte het.”

Het bijzondere van dit stukje Eindhoven, vindt hij, is dat het de toekomst met zich meedraagt. Er ligt een wegenpatroon en er staan vier lantarenpalen, verder niets. Hamers: „Plato zegt dat degene die zich met de grote dingen in het leven bezighoudt af en toe struikelt over de kleine dingen. Dat komt omdat hij daar geen tijd voor heeft. Ik wil struikelen over allerlei kleine dingen, de details die er te zien zijn.”

„Overhoeken mooi vinden, betekent op een nieuwe manier leren kijken”, zegt Hamers. Daarvoor is een mentaliteitsverandering nodig. Het idee dat landschap ordelijk moet zijn, laat hij los. „Ordelijkheid is typisch Nederlands. De Nederlandse stedenbouw is zo uitgedacht, zo volmaakt. We moeten de verandering leren waarderen. Die is niet alleen eng en vies, maar zorgt voor dynamiek. De motor van het leven.”

Tijdens het schrijven van Niemandsland stuitte Hamers op het feit dat er bijna niets over de overhoeken is gepubliceerd.

Hamers: „We weten uitermate goed hoe we naar de binnenstad moeten kijken. We zijn opgevoed met boeken en schilderijen over oude gebouwen.

Bij bergwandelingen horen de schilderijen van Caspar David Friedrich en bij de rivieren het gedicht van Marsman. Maar aan de randen van een stad staan wij met lege handen. Er is bijna geen traditie van schilderkunst en literatuur over de overgang tussen stad en platteland.”

In Niemandsland citeert Hamers de landschapsfilosoof Ton Lemaire. Hij beschrijft hoe je naar de uitgestrekte natuur kijkt: met een ’wijde blik’. Dat geldt juist niet voor het veldje. „Daar heb je niet de wijde blik nodig die alles overziet zonder de kleine dingen vast te stellen. Daar is oog voor detail noodzakelijk.”

Volgens Lemaire heeft een landschap altijd een kijker nodig. Hamers: „Zonder kijker heb je geen landschap. Het landschap is er pas als het geschilderd wordt. Voor niemandsland geldt dat niet. Dat is er gewoon. Toch heb ik de drang om de veldjes vast te leggen op papier. Ik ben een kijker, wat ik zie wil ik beschrijven.”

Een van de weinigen die ook over niemandsland schreef, zegt Hamers, was Simon Vestdijk. Diens gedicht ’Zelfkant’ vindt hij een loflied op de veldjes. „De eerste regel ’Ik houd het meest van de halfland’lijkheid’ is prachtig. Vestdijk vond dat er op de halflandelijke velden veel meer gebeurde dan in de natuur. Dat geldt ook voor veel binnensteden. Daar staat het leven stil en heb je enkel het decor van de opgepoetste façade van de toeristenstad.”

Om over de veldjes te kunnen schrijven, leerde Hamers niet alleen opnieuw kijken maar ook formuleren.

„Zoals de toekomst van dat land nog open ligt, is ook met taal nog van alles mogelijk.”

Welke taal hebben we nodig om ons op de veldjes thuis te kunnen voelen? Geen grote begrippen maar kleine beschrijvende woorden, zegt Hamers. „Anders sla je de potentie en het spannende van dat land dood.”

David Hamers: Niemandsland, De passie van David Hamers, uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam; 150 blz., ISBN 9056379046.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden