Interview / ’De PvdA blijft dezelfde’

Heeft de PvdA een probleem door alle voorkeurstemmen van allochtonen? Nee, zeggen kamerleden Nebahat Albayrak en Khadija Arib. Hun zorg: politici die moslim zijn, moeten zich ’permanent verantwoorden’.

De waterscheiding in hun bestaan als Tweede-Kamerlid ligt bij 11 september 2001. Vóór de aanslag op de Twin Towers functioneerden Khadija Arib en Nebahat Albayrak als volksvertegenwoordiger voor de PvdA. Hun politieke overtuiging stond voorop, hoewel hun achtergrond als dochters van gastarbeiders uit Marokko (Arib) en Turkije (Albayrak) hun een bijzondere identiteit gaf. Na de aanslag stonden zij opeens, zonder het zelf te willen, te boek als ’moslim-Kamerleden’.

Albayrak: „Ook bij collega’s. Mensen met wie ik al lang samenwerk vragen opeens of ik wel alcohol drink, of willen weten wat ik als moslim ergens van vind. Ik krijg het gevoel dat ik mij permanent moet verantwoorden, alsof de rest van mijn identiteit niet meer telt.”

„Tot de 11de september bestond ’de’ moslim niet. Je had de Marokkaan, de Turk. Na die tijd kregen zij opeens een andere identiteit opgelegd. Vooral in Rotterdam is dat gebeurd. Dat is het Marco Pastors-effect. De islamisering van Nederland houdt in dat van een deel van de identiteit van immigranten simpelweg dé identiteit wordt gemaakt. Dat maakt hen voor anderen herkenbaar. Dat is wel zo simpel, makkelijk.”

Arib: „Dit kabinet weet het probleem van het terrorisme waarbij moslims zijn betrokken, niet als een gemeenschappelijk probleem te benoemen. Dat neem ik hen kwalijk. Moslims lijken zich hier opeens collectief te moeten verantwoorden voor terroristische daden van een klein groepje geloofsgenoten. Dat kan averechtse effecten hebben. Op het moment dat elke man met een lange baard als potentieel terrorist wordt gezien en daarom met groot vertoon uit de trein wordt gezet, gaan moslims solidariseren en krijgen ze sympathie voor extremisten.”

Albayrak: „Columnisten en politici als Hirsi Ali hebben er alles aan gedaan om dat woord ’moslimterrorisme’ geaccepteerd te krijgen. Over de vermeende relatie tussen de islam en terrorisme is zoveel gezegd dat ik me er niet meer over verbaas als de gemiddelde Nederlander moslims en terrorisme op een lijn stelt. Dat gaat eraan voorbij dat het overgrote deel van de moslims terreur verwerpelijk vindt, en wil dat het stopt. Zij zetten zich daarvoor net zo goed in. De meeste slachtoffers van het terrorisme van moslims vallen ook onder moslims zelf.”

„Een seculiere moslim als ik zit voortdurend gevangen in het dilemma dat ik als volksvertegenwoordiger wel degelijk een rol heb te spelen in deze discussie. Hoezeer het me ook ongelukkig maakt, hoezeer het ook niet mijn persoonlijke keuze is iets met die identiteit te doen. Als ik niet zeg dat verreweg de meeste moslims oppassende burgers zijn die zich zorgen maken over de toekomst van hun kinderen, wie dan wel?”

„Als iemand mij voor 11 september had gezegd: ’Jij gaat over een paar jaar aan tafel bij Andries Knevel om over God te praten’, had ik gezegd: ’Je bent niet goed bij je hoofd.’ Maar nu doe ik het.”

Arib: „Dat herken ik. Na de moord op Theo van Gogh was het eerste wat ik dacht: ’Laat het geen moslim zijn.’ En op het moment van de moord op Pim Fortuyn was ik bij een gezelschap oudere Marokkaanse mannen die allemaal naar huis belden om de koffers klaar te laten zetten. Bang dat de dader een Marokkaan of een moslim zou zijn. Zo heftig was het. Al voordat ik me had kunnen afvragen of ik als Marokkaans kamerlid iets van de moord moest zeggen, zat ik al in het ene programma na het andere. Tv, radio, ’Nova’. Het was belangrijk, ook onvermijdelijk dat ik dat deed. Het was mijn plicht. Ook als ik dan telkens weer als moslima word neergezet.”

Albayrak: „En dat woord bestaat niet eens! Dat is helemaal geen Nederlands. Ik ben moslim, geen moslima.”

Arib: „Je noemt een christelijk meisje toch ook geen christina? Ik wil ook helemaal niet zo worden benaderd, ook niet in de Tweede Kamer. Hirsi Ali doet dat consequent. In elk interview zet ze me neer als een moslima die vrouwenonderdrukking in stand houdt. Hoe komt ze erbij!”

Albayrak: „Ik verwelkomde destijds dat zij kamerlid werd. Ik vond haar partijkeuze opvallend. Mijn eerste vier jaar in de Kamer had ik bij de VVD met Henk Kamp te maken. Hij was woordvoerder integratie. Ik dacht dat met Hirsi Ali een bondgenote van mij in de Kamer kwam, om te strijden voor een betere positie van vrouwen. Geen seconde waar gebleken. Na vier jaar Hirsi Ali in de VVD wordt geen vrouw minder geslagen in Nederland.”

„Dat komt doordat zij een abstracte strijd voert tegen de islam. Dat mag, alleen zit ik hier in het parlement om met concrete maatregelen concrete problemen aan te pakken. En dáárin heeft zij mij en collega-kamerleden keer op keer teleurgesteld. Ik deed bijvoorbeeld het voorstel om vrouwelijke asielzoekers de asielstatus te verlenen als zij in het land van herkomst het slachtoffer dreigen te worden van eerwraak. Hirsi Ali hoefde alleen maar haar hand in de lucht te steken om voor te stemmen. Ze deed het niet, om VVD-minister Verdonk niet voor het hoofd te stoten. En dat is maar één voorbeeld.”

Arib: „En ze heeft wel bijgedragen aan de tendens dat alle problemen met integratie als problemen van cultureel-religieuze aard worden gekwalificeerd. Natuurlijk speelt cultuur rol. Een Nederlandse vrouw die scheidt zal niet verstoten worden. Maar geweld tegen vrouwen is niet alleen cultureel bepaald. Dat heeft ook te maken met machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen.”

Albayrak: „Wij zijn geen typische PvdA-vrouwen als het om de emancipatie gaat. We hebben weliswaar geen bh’s verbrand, zoals de Rooie Vrouwen, maar onze emancipatiestrijd is niet minder heftig.”

Arib: „We komen niet uit de partijcultuur voort, met ouders en grootouders die al bij de rode familie waren. Mijn emancipatie was een emancipatie uit noodzaak. Ik kom uit Casablanca. Onderwijs was heel belangrijk voor mij. Mijn moeder en vader waren analfabeet. Beiden hebben ze heel hard gewerkt. Mijn moeder wilde dat ik niet hetzelfde lot als zij onderging. Zij wilde mij later niet in de fabriek zien. Ik moest studeren. Maar ik merkte dat veel andere Marokkaanse meisjes hier niet naar school gingen en de inspecteur een oogje toekneep. Dat werd vergoelijkt. Dat hoorde nu eenmaal in die cultuur. Niemand bekommerde zich daarom. Die onverschilligheid, die afzijdigheid is er niet meer. Daar ben ik heel blij mee.”

Albayrak: „Vóór Fortuyn zag ook de PvdA integratie vooral als een sociaal-economisch probleem. Alle misstanden en achterstanden zouden zijn weggenomen als dat probleem zou zijn opgelost. Dat is maar voor een deel waar. Ik ging nog jaar in, jaar uit in het busje met papa en mama naar Turkije, met mijn twee zussen in de huwbare leeftijd. Onze deur werd platgelopen door potentiële huwelijkskandidaten, met ouders, dozen bonbons en chocola.”

„Een deel van die families vond ons geweldige kandidaat-schoondochters en sommige jongens waren stapelverliefd. Bij anderen hadden we wel door dat het hun niet om de zusjes Albayrak ging maar om het paspoort dat met ons om de hoek kwam kijken. Dan kreeg je gesprekjes als: ’Oh, uw zoon heeft onze dochter zien lopen. Welke was het eigenlijk? Wij hebben er drie.’ ’Ja, dat weten we niet. Maar dat maakt ook niet uit, eigenlijk.’”

„Ook mijn ouders waren arm, onderontwikkeld en analfabeet. Maar ze hebben mijn zussen en mij altijd gesteund. ’Onderwijs, onderwijs, onderwijs’ was het toverwoord. Vooral omdat de school ons dat zoeken naar zelfstandigheid bijbracht, en daarmee het besef dat we niet trouwen met iemand die we nauwelijks kennen.”

Arib: „Je leest nu dat de PvdA de partij van de allochtonen is geworden. En dat de partij daarom de allochtonen wel weer zal gaan doodknuffelen. Ik herken dat beeld niet. Ik heb me nooit doodgeknuffeld gevoeld. Ik heb altijd op eigen kracht strijd moeten voeren, om thuis mijn zin te krijgen, om zelfstandig te gaan wonen. Ik wilde mijn vrijheid, studeren. Een studiebeurs had ik niet, ik werkte hard om zelf mijn studie te betalen. De meeste Turkse en Marokkaanse studenten komen ook uit een groot gezin op een tweekamerwoning, met een moeder die analfabeet is en een vader in de WAO. En toch slagen zij erin zich een positie te verwerven en richting aan hun eigen leven te geven.”

„We moeten het evenwicht bewaren. Aan de ene kant mogen we niet denigrerend zijn over mensen. Houd respect, of het nu om de SGP gaat of om de islam. Maar tegelijkertijd moet de PvdA stelling nemen tegen misstanden, tegen vrouwenonderdrukking of tegen jongeren die op straat de buren wegpesten. We moeten ons niet anders opstellen nu zoveel allochtonen op ons stemmen. Zij hebben op ons gestemd omdat ze ons werkgelegenheidsbeleid beter achten, of onze inzet voor een betere ziektekostenverzekering. Dat is een heel legitiem stemmotief.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden