Interessant. Maar een gedicht daarover? Nee.

De Poolse dichteres Wislawa Szymborska laat metaforen en alliteraties – het gewone dichtgereedschap – volkomen links liggen. En is toch mateloos populair.

Stapels liggen er van op de toonbank in mijn favoriete boekhandel in de Amsterdamse Jordaan. De nieuwe dichtbundel van Wislawa Szymborska, ’Hier’ getiteld.

Het is opvallend dat een poëzieboek zo prominent wordt aangeboden. Szymborska’s pageturners zijn in Nederland immens populair. De verkoopcijfers zijn vergelijkbaar met die van een andere, veel jongere dichter, die overduidelijk schatplichtig is aan de Poolse Nobelprijswinnaar: Tjitske Jansen. Ook voor haar kraakheldere maar toch steeds wat ongrijpbare poëzie (‘Hier is de tijd die per ongeluk overbleef. / Hier is de onbedoelde ruimte.’) staan de mensen letterlijk in de rij. Dat weet ik van gearriveerd veronderstelde schrijvers die tijdens een gezamenlijke signeersessie met Jansen uit arren moede maar vliegtuigjes waren gaan vouwen.

De poëzie van de in 1923 geboren en in 1996 gelauwerde Szymborska oogt luchtig, maar wordt altijd geserveerd op een bedje van vertwijfeling en ontgoocheling. Een van haar mooiste gedichten is in het Nederlands vertaald als ’De ontdekking’ en eindigt zo: „Ik geloof in de hand die zich terugtrekt / Ik geloof in de gebroken carrière / Ik geloof in de teloorgang van vele jaren werk / Ik geloof in het geheim dat meegenomen wordt in het graf // Die woorden zweven voor me, ondanks alle regels / Ze zoeken geen bevestiging in welke voorbeelden dan ook / Mijn geloof is sterk en blind en ongefundeerd.”

Het unieke aan die regels is het ontbreken van een metafoor. Er staat wat er staat en je doet het er maar mee. Ook wordt taal op knappe wijze niet als iets abstracts omschreven, maar eerder als een stapel stenen die je met wat specie en een troffel tot een gedicht aaneenmetselt. De woorden in dit gedicht zweven, ze willen nog geen onderdeel uitmaken van een zin.

Iets soortgelijks doet Szymborska in haar nieuwste bundel, als ze zich laat bezoeken door ’een idee’, dat haar steeds een aantal woorden influistert, waarna de schrijver protesteert: „Interessant. / Dat gaat mij al langer aan het hart. / Maar een gedicht daarover? Nee, echt niet.”

Ook in ’Hier’ laat Szymborska de stijlfiguur van de beeldspraak volkomen links liggen, en van rijm, alliteraties en enjambementen – het standaardgereedschap van iedere dichter – maakt ze hoogst zelden gebruik. Hard engagement is er wel, in een gedicht waarin een donker hongerig Afrikaans kindje bidt tot God, die bij wijze van antwoord in haar keel kijkt, haar de dood voorspelt en toevoegt: „Kom dan bij mij, / mijn zwarte troost, mijn zingende homp.”

Maar zo bruin bakt Szymborska ze zelden. Liever gebruikt ze ironie, zoals bij het beschrijven van de mens achter de bommengooier, die in het dagelijks leven gewoon andere mensen belt en zich krabt onder de oksel. Ze „stelpen het bloed als ze in hun vinger snijden, / zijn het vrouwen dan kopen ze maandverband.”

Of de dichter legt de tijd waarin de Franse schrijver Marcel Proust leefde (1871-1922) naast de onze: „We leven langer. / maar minder nauwkeurig / en in kortere zinnen”. Proust schreef in zijn drieduizend pagina’s tellende zevendelige romanserie ‘A la recherche du temps perdu’ regels die soms bladzijdes lang doorgingen en zijn herinneringenfetisjisme wordt door veel moderne lezers niet meer verdragen, in tegenstelling tot de eenvoudige taal van Szymborska: „ Zeven delen – goeie genade / Is er geen samenvatting, kan het niet korter, / of nog beter: als stripboek.”

Hieronder plaats ik het slotgedicht uit de bundel, dat aanvangt met filosofie van de koude Poolse grond, maar en passant het werk van Proust duidt. Die schreef hoe flitsen van een herinnering nopen tot het bewerken, het editen ervan, om er vervolgens, uit diepe noodzaak, anderen deelgenoot van te maken.

Iets is echt ’zolang het niet voorbij is’, schrijft Szymborska. Waar Proust op zoek gaat naar de verloren tijd spreekt Szymborska juist van een verloren spel, een spel dat uit is. Metafysica wordt fysica: wat we niet vast kunnen grijpen acht de Poolse dichter uiteindelijk ’het noteren niet waard’. De madeleinekoekjes die Proust in de thee doopte om terug te denken aan het vakantieplaatsje uit zijn jeugd, worden ingeruild voor noedels met spek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden