Intensiveren landbouw is slechtste optie

Er is voldoende voedsel om de groeiende wereldbevolking te voeden. En biologische boerderijen zijn niet vervuilender.

Bestuursvoorzitter Aalt Dijkhuizen van de Wageningen Universiteit stelt het scherp: óf intensievere landbouw óf honger (Trouw, 3 september).

Waar Dijkhuizen aan voorbijgaat, is dat er nú al genoeg voedsel wordt geproduceerd om de tien miljard mensen - de verwachte omvang van de wereldbevolking in 2050 - te voeden. Alleen: dat voedsel wordt hoogst ongelijk verdeeld.

Terwijl een miljard mensen honger lijden, neemt de obesitas-epidemie hand over hand toe. De kosten van die overconsumptie lopen navenant op. Bovendien worden gigantische hoeveelheden voedsel niet gebruikt - door gebrekkige opslag en infrastructuur in ontwikkelingslanden, door verspilling aan het eind van de voedselketen in het Westen. En ook door een groot deel van het voedsel te gebruiken voor veevoer. Zoals de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor het recht op voedsel opmerkte: bijna de helft van de wereldwijde graanoogst gaat naar vee.

Kwantiteit is daarmee niet per se het eerste probleem, maar veeleer distributie. Ook kwaliteit speelt een rol. Wereldwijd sterven evenveel mensen aan een zinktekort als aan malaria. De industrialisering van de landbouw, met een strikte scheiding tussen veeteelt (dus dierlijke mest) en akkerbouw, is daarin een factor.

Toch lijkt het een goed idee omwille van voedselzekerheid de productie te vergroten. De vraag is echter hoe die productieverhoging het best te bereiken valt en waar. Ongeveer 70 procent van het wereldwijde voedsel wordt door kleine boeren geproduceerd, met name in ontwikkelingslanden. Met tamelijk eenvoudige maatregelen kan hun productie verhoogd worden, met het bijkomende voordeel dat het voedsel dáár wordt geproduceerd waar het het hardst nodig is. Bovendien is dit een relatief effectieve manier voor mensen om uit de armoede te komen.

Industriële productie à la het Nederlandse model bereikt juist het tegendeel. Kippenpoten bijvoorbeeld worden voor dumpprijzen in Afrika afgezet, waardoor kleine boeren uit de markt worden gedrukt.

Ook de stelling van Dijkhuizen dat een megabedrijf waar koeien nooit meer buiten komen 'beter' zou zijn dan minder intensieve systemen is ongelukkig. Intensief betekent niet automatisch minder belastend per kilo product - en al helemaal niet minder belastend per consument. Onderzoek laat juist zien dat weidegang grosso modo béter voor het milieu is. De uitstoot van broeikasgassen van laagproductieve koeien in Nieuw-Zeeland die buiten grazen, is per liter melk ongeveer de helft van die van Nederlandse koeien die steeds vaker hun hele leven staan opgesloten.

Tot slot vergeet Dijkhuizen dierenwelzijn als aspect van duurzaamheid. Ten onrechte noemt hij plofkippen duurzaam. Maar duurzaam is een integraal begrip dat drie dimensies omvat: economie, ethiek en milieu. Plofkippen mogen economisch scoren en het op milieugebied beter doen dan sommige alternatieve vormen van kippenhouderij (maar slechter dan vegetarische kip), vanuit ethisch opzicht zijn ze een ramp: ze zijn zo ver doorgefokt dat hun welzijn inherent ernstig is aangetast. Derhalve kwalificeren ze niet als duurzaam.

Geen wonder dus dat UNEP, het milieuprogramma van de Verenigde Naties, voorziet dat om de overgang naar een groene economie te kunnen maken, de industriële landbouw zal dienen te krimpen, terwijl in traditionele systemen van kleine boeren in ontwikkelingslanden grote winst te boeken valt, economisch, sociaal en ecologisch.

Dat uitgerekend de bestuursvoorzitter van de Wageningen Universiteit dit alles veronachtzaamt, mag opmerkelijk heten.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden