Integratie ondanks beleid

Na twee weken openbare verhoren in Den Haag trekt de parlementaire commissie integratiebeleid vanaf vandaag het land in. In Amsterdam, Tilburg, Rotterdam en Deventer zal de commissie zich laten bijpraten over dertig jaar immigratiebeleid. In de Haagse verhoren werd duidelijk dat de integratiesuccessen die er zijn, niet te danken waren aan het beleid van de rijksoverheid.

Na de commotie van de eerste week kwam de commissie-Blok vorige week stoom. Maar de onderwerpen religie en criminaliteit kwamen echter weinig aan bod. De commissie leek ze angstvallig te mijden of er niet op door te vragen. Tijdens de bezoeken van de commissie aan Amsterdam, Tilburg, Rotterdam en Deventer, deze weken, zal deze, nog onderbelichte, kant van het integratievraagstuk ongetwijfeld naar voren komen.

Dertig jaar integratiebeleid heeft miljarden gekost. Maar wat doet de overheid zelf, als werkgever, als het erop aankomt? Drie jaar geleden meldden 120 academisch geschoolde allochtonen zich bij het ministerie van binnenlandse zaken voor een baan als trainee, doorgaans het begin van een veelbelovende carrière. Welgeteld één werd er geselecteerd.

Het is een voorbeeld van harde realiteit waar beleid geen grip op heeft, zo bleek tijdens de verhoren. Daarom is het van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen integratiebeleid en integratie.

Het integratiebeleid, zoals dat uit de verhoren van de afgelopen weken naar voren kwam, heeft vooral bestaan uit goede bedoeling en brandjes blussen. Daarbij ontbrak het nogal eens aan kracht van de straal en lengte van de slang. Aan een gerichte visie op integratie heeft het Nederland domweg ontbroken.

Dat valt te politiek maar gedeeltelijk te verwijten, zei Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP): ,,Niemand had verwacht dat er eind jaren tachtig zo'n grote werkloosheid in de scheepsbouw en de textiel zou ontstaan. Ook had niemand verwacht dat de tweede generatie Turken en Marokkanen nog zo'n achterstand zou hebben in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Op dat soort ontwikkelingen kun je als overheid nauwelijks anticiperen. Veel hangt af van economische en demografische ontwikkelingen.''

Gecoördineerd sociaal-economisch integratiebeleid lijkt in de jaren zeventig en tachtig nauwelijks te hebben bestaan. Vanuit het welzijnsministerie (eerst CRM, toen WVC en nu VWS) was er wel cultureel beleid, gericht op behoud van eigen taal en cultuur. Maar daarmee wordt nu door vrijwel alle betrokkenen keihard afgerekend. Emancipatie vanuit de eigen groep werkte niet bij nieuwkomers. Vooral niet als de aansluiting op de arbeidsmarkt ontbrak. In de jaren negentig werden pogingen ondernomen om tot een nieuw integratiebeleid te komen. Zonder succes; de periode wordt gekenmerkt door gebrek aan daadkracht en gemiste kansen.

Arie van der Zwan, oud-hoogleraar en raadgever, wees de onderzoekscommissie op drie momenten in die dertig jaar waarop de overheid de integratie een zet in de goede richting had kunnen geven, maar het niet deed.

Het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) van 1979 gaf aan dat gastarbeiders niet zouden terugkeren en dat er dus permanent integratiebeleid gevoerd moest worden. Toch weigerde de politiek, volgens Van der Zwan, Nederland als immigratieland te zien en daaruit consequenties te trekken, zoals het aanbieden van taalcursussen.

Tien jaar later verdwenen veel eerste generatie gastarbeiders in de WW en WAO, vanwege ontslagen in de industrie. Het WRR-rapport deed suggesties om deze groep toch actief te houden. De politiek had mensen aan een baan moeten helpen of de Nederlandse taal moeten leren, aldus Van der Zwan, maar de politiek berustte al te makkelijk in het toekennen van uitkeringen. Dit leidde tevens tot een slechte uitgangspositie voor de tweede generatie.

Ten derde wees Van der Zwan op 1994 toen hij met collega hoogleraar Han Entzinger een voorstel deed voor inburgeringscursussen. Hij verwijt de politiek de wet uiteindelijk in 1996 sterk afgezwakt en met onvoldoende middelen te hebben ingevoerd.

Anders dan het beleid was de integratie zelf op bepaalde gebieden behoorlijk succesvol, zo bleek uit de verhoren. Veel individuele succesverhalen van nieuwkomers passeerden de revue. De kwaliteit van wonen en de arbeidsmarktsituatie zijn sterk verbeterd voor grote groepen allochtonen. Verbeteringen die eerder ondanks, dan dankzij het beleid werden bereikt.

Verscheidene getuigen wezen op de inzet en verdiensten van de nieuwkomers zelf. Vooral op gebied van onderwijs vinden allochtonen beter hun weg. De toename van met name meisje in het middelbaar en hoger onderwijs werd meermalen benadrukt. Toch wordt voor grote groepen sociaal zwakkeren in steden de achterstand maar langzaam kleiner.

De segregatie op scholen en in wijken zal volgens velen leiden tot sociale onvrede. Deze scheiding valt steeds meer samen met sociaal-economische verschillen. Geadviseerd wordt om onorthodoxe maatregelen niet te schuwen, juist ook in het belang van achterstandsgroepen zelf, los van etnische achtergrond.

Daarmee komen we op een onderscheid dat van cruciale betekenis is voor het parlementaire onderzoek: het verschil tussen sociaal-economische integratie en culturele integratie. In de verhoren was er consensus over het belang van taal voor de integratie. Verschil van mening bestond over het belang van de eigen cultuur en het behoud daarvan. K. Setaram, vertegenwoordiger van Hindoestanen in Nederland verwoordde dat treffend: ,,Eigen cultuur is een houvast voor nieuwkomers, dat moet je niet afpakken. Maar tussen negen en vijf moet je je als nieuwkomer wel aanpassen aan het gangbare in Nederland, anders snij je jezelf in de vingers.''

Het analyseren van dertig jaar integratie houdt Nederland ook een spiegel voor, zo bleek uit de verhoren. De tolerantie jegens nieuwkomers kwam vaak neer op vrijblijvendheid en desinteresse. We brachten niet over wat onze cultuur nu eigenlijk inhoudt. Sterker nog, we zijn ons vaak onbewust van onze identiteit en gezamenlijke waarden.

,,Integreren waarin dan, wat is die cultuur dan?'', vroeg publicist Paul Scheffer zich af. Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau gaf aan dat het Nederlanders ontbreekt aan trots op de eigen nationaliteit en op gedeelde waarden zoals individuele vrijheid. Volgens Schnabel kan dat nieuwkomers in verwarring brengen. ,,We doen er zelf luchtig over, maar verwachten intussen wel dat nieuwkomers zich aanpassen.''

Achmed Aboutaleb, oud-bestuurder van Forum en tegenwoordig beleidsmedewerker van de gemeente Amsterdam, steunde deze zienswijze. ,,We gooien geen boei uit naar nieuwkomers, iets waar ze zich op kunnen richten.''

Aan alle vrijblijvendheid jegens nieuwkomers komt steeds meer een einde, net als in de omringende landen. Die meer verplichtende houding is goed en nodig, betoogden diverse getuigen.

Confrontaties die het gevolg zijn van deze nieuwe, verplichtende benadering van etnische groepen zijn prima, vindt Scheffer, want daardoor leren we elkaar kennen. ,,We kunnen iets leren over onszelf. Met name over de verzorgingsstaat, de cultuur van rechtshandhaving en het onderwijs. Het is confronterend, maar kan louterend werken. We moeten veel zelfbewuster worden als het gaat om de Nederlandse cultuur; ons afvragen wie we zijn, waar we voor staan en wat we willen uitdragen.''

In verscheidene verhoren werd gewezen op het feit dat integratie afhankelijk is van de omvang van de immigratie. In de jaren negentig heeft Nederland moeite gehad met de grote stroom asielzoekers. Die instroom zorgde voor een enorme druk op goedkope woningen, arbeidsmarkt, scholen, gezondheidszorg, maar bijvoorbeeld ook op de wachtlijsten voor taalcursussen.

Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) schat dat volgend jaar honderdduizend buitenlanders zich in Nederland zullen vestigen, onder wie een aanzienlijk aantal gezinsherenigers en gezinsvormers. Ondanks de successen van de integratie, kan volgens een aantal gehoorden deze nieuwe toestroom leiden tot een te grote druk op de voorzieningen.

Aboutaleb haalt in dit kader een typering van oud-minister Ien Dales aan. Zij noemde integratie 'soep maken terwijl iemand er steeds wat koud water in gooit'.

Volgens Aboutaleb moet op EU-niveau een quota-beleid gevoerd gaan worden. Hij is ook een voorstander van specifieke arbeidsmigratie. Want de kenniseconomie heeft goed opgeleide krachten nodig.

Terugkerend onderwerp in de verhoren was het probleem van de huisvesting. Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit, wees erop dat Nederland meer woonsegregatie kent dan de meeste andere West-Europese landen. Volgens Koopmans is in de woningbouw te weinig rekening gehouden met naar inkomen gemengde wijken. Aboutaleb deelt die opvatting; hij vindt dat in stadsvernieuwing en op vinexlocaties kansen zijn gemist. Aboutaleb pleit voor het vrijwillig spreiden van mensen over het land en voor een mix van woningen naar prijs in nieuwbouwprojecten.

Net als bij huisvesting vallen in het onderwijs de scheidslijnen tussen zwarte en witte scholen steeds duidelijker samen met sociaal-economische verschillen. In het onderwijs biedt dit, volgens G. Ledoux van het Kohnstamm Instituut, echter weinig aanknopingspunten voor gericht beleid. Zij verwacht dat er geen draagvlak zal zijn om het recht van vrije schoolkeuze op te geven. Hooguit zou het aanhouden van gescheiden wachtlijsten door scholen zelf enig soelaas bieden. Gemengd wonen is het sterkste middel tegen de scheidslijn tussen witte en zwarte scholen, aldus Ledoux.

Moeten we in het licht van al deze problemen de integratie als mislukt beschouwen? Aboutaleb is hier duidelijk over: ,,De integratie als mislukt beschouwen is een belediging voor de onderwijzer in de Schilderswijk die zijn best heeft gedaan, een belediging voor toenmalige bestuurders en een belediging voor de mensen zelf, die zich hebben ingezet.''

Hij is niet de enige die wijst op de demografische ontwikkelingen, met name in steden, die nog voor problemen kunnen gaan zorgen. ,,Er zijn nu bijna een miljoen moslims in Nederland. Ik ben belijdend moslim, maar ik snap wel de angst van veel mensen omdat de islam wel heel zichtbaar is geworden. Zeker gezien de ontwikkelingen elders in de wereld. Het komt allemaal wel erg dichtbij.''

Daarom pleit Aboutaleb voor het luisteren naar de mensen in de wijken, ongeacht etnische achtergrond. ,,Hou het draagvlak van de samenleving in de gaten, vooral wat betreft nieuwkomers. Een spons kan maar een bepaalde hoeveelheid water opnemen.''

Met anderen waarschuwt Aboutaleb voor stigmatisering en groepsdenken. Achmed Larouz van Tanz, een organisatie voor hoger opgeleide Marokkanen, verwoordde het tegenover de commissie zo: ,,Zie mij als individu. Ik wil meedoen, mij aanpassen, en ik werk daar keihard voor. Je mag eisen aan mij stellen, maar dan wil ik ook geaccepteerd worden, en mijn identiteit wil ik niet opgeven. Ik hoop dat, met mij, velen zichzelf gaan beschouwen als Marokkaanse, Turkse of Surinaamse Nederlander.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden