Ingenieuze overtolligheid

Monumentaal is de wand vol genummerde scheepskistjes met hun kopse kant naar de toeschouwer gericht. Simone Simons en Peter Bosch verbonden de kistjes onderling onderling met forse springveren en gaven ze elk een verschillende lading: glas, knikkers, hout, lood, metaal, kool, baksteen. (\N) Beeld
Monumentaal is de wand vol genummerde scheepskistjes met hun kopse kant naar de toeschouwer gericht. Simone Simons en Peter Bosch verbonden de kistjes onderling onderling met forse springveren en gaven ze elk een verschillende lading: glas, knikkers, hout, lood, metaal, kool, baksteen. (\N)

Vlak over de grens bij Hulst, in het Vlaamse Stekene, bevindt zich een wonderschoon kunstdomein. Een enorm museum met een net zo enorm park. Vol verstilde, knarsende, ratelende, rimpelende en geselende kunst.

Al staat er op elk Belgisch kruispunt een woud van aanwijzingbordjes dat naar frituur, marmoleumetalages of biljartzalen verwijst, het Vlaamse museumpark Verbeke Foundation mag wettelijk niet eens op ’een plaatje’ staan.

Na het Zeeuws-Vlaamse Hulst is het zaak om even zuidelijk Sint Niklaas aan te houden, en vlak voor het gehucht Stekene de afslag ’Boscaféke/Hellestraat in te slaan. Net over de grens en toch in een borstelige strook niemandsland strekt zich hier het enorme domein uit van de kunstverzamelaars Geert en Carla Verbeke Lens. Hier beheren ze hun honderden kunstvoorwerpen, staan zij bezoekers te woord en herbergen en koesteren zij hun kunstenaars. Moderne mecenassen, al maant Geert Verbeke meteen op een kopse museumwand: „Bij ons geen opzichtige spektakelgebouwen maar een verfrissende, onpretentieuze plaats om kunst te bekijken en een subtiele kritiek op de kunstwereld.’’

Jarenlang bestierde Verbeke op deze plek zijn transportbedrijf. Hij verkocht het en richtte de verlaadhallen in tot reusachtige tentoonstellingsruimten. Hier schiep hij zijn ’vrijplaats waar kunstenaars kunnen werken en bekeken kunnen worden’. Namen tellen voor hem niet, het kunstwerk zelf moet z’n eigen verhaal vertellen. En het liefst onder Verbeke’s motto: ’Zonder dwarsliggers geen spoor.’

Amper de als zeecontainer vermomde entree gepasseerd of je bent het spoor al bijster. Je kunt op een bankje gaan zitten met daarboven het verlichte ’NULLE-PART’ (nergens) of het andere bankje met ’PARTOUT’ (overal) van Delphine Desguislage. Om dan als de wiedeweerga uit te waaieren over het kunstdomein – dat is het slimst. Dan bots je vanzelf op getraliede bontjassen of op de geparkeerde motor die van een afstand gezien vrijwel ontploft van ronkende gewichtigheid. Dichterbij komend, blijkt de motor uit fijn bewerkt hout in pasteltinten te bestaan. Geparkeerd op het gangkleed dat Juffrouw Saartje net nog heeft uitgeklopt; voorgoed uitgeraasd.

Uitgediend is ook de optocht van dukdalven, buiten bij de vijveroever. In havens speelt een dukdalf nog een heldhaftige rol: als zwarte paal met z’n witte vierkante helm – waarop steevast verongelijkte zeemeeuwen rondturen – en waaraan zeegaande schepen zich tot het laatste moment vastklampen. In het museumpark staan ze niet in het water maar half verzonken in de aarde. Niet meer fier en onverschrokken rechtop, maar gekneusd, gedeukt, verwond. Kennelijk te veel meegemaakt in hun nautische leven.

Op de een of andere manier hebben alle kunstwerken van de Stichting Verbeke iets in hun leven meegemaakt, vooral iets peilloos nutteloos. En allemaal doen ze hun uiterste best om te bewijzen dat ze heus wel wat voorstellen, waarschijnlijk nu meer nog dan vroeger. De uit autowasserijborstels verknipte danseressen van Kristina Smidts bijvoorbeeld. Mochten de kleurrijke borstels ooit schoonmaken, nu mogen ze eeuwig vertikaal om hun as tollend de wereld het hof maken.

Of de scheepstrossen van Zoro Feigl, die mechanisch letterlijk een halve meter de lucht in worden gezwiept om voor de zoveelste keer in het zand te stranden. Door die aanhoudende scheepstroszweepslag ontstaan strakke voren in het zand. De scheepstrossen zouden zo graag – één keertje nog, en elke vezel schrap zettend – een schip aan de kade houden. Maar zijn nu gedoemd, liefdevol weliswaar, de aarde te geselen.

Ongemerkt beland je in het terrein van de bewegende, kinetische en vooral klinkende kunst. Hoorbaar maar vergeefs probeert ginds een roestig Macbethwoudje van staalconstructies op te rukken. Anderhalve meter hoog, ritselend, reutelend, zwiepend en knarsend stranden ze in hulpeloze en aritmische ja-knikkermotoriek. Monumentaler is de verraderlijk vredige wand vol genummerde scheepskistjes met hun kopse kant naar de toeschouwer gericht. Simone Simons en Peter Bosch verbonden de kistjes met forse springveren en gaven ze een verschillende lading: glas, knikkers, hout, lood, metaal, kool, baksteen.

Opeens – je staat net Panamarenko’s ’draagbaar luchttransport’ op de ingenieuze overtolligheid ervan te inspecteren – beginnen de scheepskisten zich te roeren. Eerst voorzichtig schuddend, rimpelend, sidderend, ratelend en gaandeweg steeds meer stampende praatjes voor tien makend. Er zit lijn in de klankchaos: de kistjes met hun particuliere geluid worden gedirigeerd, ze geven hun partituur door aan hun buurkistjes met andere eigen klank zoals ook orkestrale strijkers, hout- en koperblazers en slagwerkers elkaar de melodie toespelen. En navenant bewéégt de labiele wand: je ziet de partituur van links naar rechts en terug verschuiven. Dat krijgt het wereldberoemde met bekkens, troms en cymbalen voortdenderend Decapdansorgel nog niet voor elkaar.

In de belendende zaal wacht de broodnodige verstilling. Op twee tegenover elkaar geplaatste herenbureaus vervullen twee hazen hun dagtaak. De een liggend, met vier van z’n zes poten in de aanslag voor een typemachine. Met opengesperde bek naar het plafond gericht lijkt hij voor pampus te liggen, maar pas op: hij bezint zich daarentegen op zijn volgende, kloek te formuleren alinea. Plotseling, als door een vos gebeten, ramt de liggende haas op de toetsen en schrijft volzin na volzin, alsof z’n laatste uur geslagen heeft.

De haas aan het bureau tegenover hem is bedachtzamer. Die heeft geen tikmachine nodig, maar schrijft zijn berekende formules met de pen. Het deert hem niet dat het velletje papier met zijn net geschreven formules rechtstreeks de papierversnipperaar onder het bureau in gaan, want dat is immers toch de weg die alle informatie gaat. Stan Wannet gaf zijn hazensculptuur de sierlijke titel ’Van een onzer verslaggevers’.

Nóg verstilder zijn de drie met oranje-rangeerterrein belichte zwarte poelen des doods, ginds aan het eind van de hoofdloods. Hier is nu juist alle geratel, gesis en gekners weggevallen en liggen de bassins roerloos verzonken. Nog geen rimpeling: Schuberts ’Meeres Stille’. („Tiefe Stille herrscht im Wasser, ohne Regung ruht das Meer. In der ungeheuern Weite, reget keine Welle sich.’’)

Opeens verkrampt het zwarte water; de oppervlakte golft en deint in stilte na. Er blijkt wel degelijk leven in het zwarte water: circulerende steuren van anderhalve meter en duistere forellen. Ooit controleerde men hier vrachtwagenchassis, nu fungeren de verzonken betonbakken als kweekvijvers. Later mogen de vissen in de buitenvijver bij de gekneusde dukdalven.

Een op het kunstdomein logerende kunstenaar probeerde met een vernuftig slangenstelsel een artistieke forellentrap te construeren, maar die bleek te ingewikkeld voor de forellen. Die wilden wel naar het bovenliggende bassin springen, maar belandden steevast in het gangpad. „Ach ja’’, zegt Geert Verbeke opgeruimd, „toen hebben we even veertien dagen forel gegeten.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden