Ingenieurs zijn mannen van weinig woorden

(Trouw)

Kunstenaars en politici zijn geliefde onderwerpen van biografen. Vuistdikke levensverhalen van ingenieurs zijn een stuk schaarser. Een recentelijk verschenen bundel verkent het braakliggend terrein en toont aan dat de geschiedenissen op vele manieren verteld kunnen worden.

Historici die orakelen over de toekomst. Daar past altijd enige scepsis. In zijn essay ’In de schaduwen van morgen’ uit 1935 toonde Johan Huizinga zich van zijn pessimistische kant. Technische ontwikkeling wordt niet door hogere beginselen gestuurd, constateerde hij somber, maar uitsluitend door het streven naar macht en winst.

Huizinga stond beslist niet alleen in zijn wantrouwen tegenover de ingenieurskaste. Meer intellectuelen huiverden bij de gedachte van een vrijwel volledig geautomatiseerde toekomst waarin consumentisme en hedonisme de boventoon voerden.

De publieke opinie was positiever. Zeker in de tijd van de wederopbouw, toen ingenieurs het gedeukte Nederland in rap tempo een nieuw en modern smoel gaven, liet het volk zijn waardering blijken. In een enquête in 1958 zeiden jongeren dat ze trots waren op het koningshuis en de sociale voorzieningen van hun land, maar vooral op grote projecten als de Deltawerken, de snelwegen en het technisch kunnen in het algemeen. Het vooruitgangsgeloof zat bij de meeste mensen stevig tussen de oren.

Ongeveer een decennium later was dat veranderd. Halverwege de jaren zestig kantelde de tijdgeest. Het grenzeloze, bijna naïeve optimisme over wat nog komen ging paste niet bij de maatschappijkritische houding die nu in zwang was. Ingenieurs golden niet langer als toekomsttovenaars, maar als ’autoritaire specialisten, asfaltboeren, milieuvervuilers en landschapsvernietigers’.

De Britse fysicus en schrijver C.P. Snow wees in 1959 tijdens zijn lezing ’The two cultures’ in Cambridge al op de waterscheiding tussen alfa’s en bèta’s. Die komt ook tot uiting in een verschil in waardering. Een geringe belezenheid pleit niet voor een mens. Met een atechnische houding kan soms zelfs goede sier gemaakt worden.

Het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen hield in mei vorig jaar een congres over de ogenschijnlijk geringe belangstelling van biografen voor de personen die met hun technisch vernuft voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor welzijn en welvaart van de moderne mens. In de onlangs verschenen bundel staan de bijdragen van toen, over Snow en zijn ’The two cultures’ en over de typisch Nederlandse waterstaatingenieurs. Maar ook enkele nieuwe stukken van onder anderen de altijd lezenswaardige architectuur- en stedenbouwhistoricus Auke van der Woud. Er worden vraagtekens gezet bij de vermeende achterblijvende interesse. In biografische woordenboeken zijn ingenieurs bijvoorbeeld heel aardig vertegenwoordigd.

Dat aan hun levens wat minder vaak een afzonderlijke, dikke pil wordt gewijd, heeft zo zijn redenen. Techneuten zijn dikwijls mannen van weinig woorden. En als dat al niet zo is, dan hebben ze op zijn minst dat imago. De populaire cultuur koestert het archetype van de wezensvreemde, incommunicatieve nerd. Onderzoeken die wijzen op verhoogd autisme in streken met een verhoogde ingenieursdichtheid versterken dat beeld. Ingenieurs zijn ook nog eens sterk gericht op de toekomst. Geschiedschrijving kan niet rekenen op al te veel aandacht van henzelf. Als ze al wat opschrijven, dan gaat dat in de regel niet over hun persoonlijke wederwaardigheden, maar over het verloop van hun onderzoeken. Die werden in de laatste halve eeuw meer nog dan daarvoor groepsprocessen. Geniale individuen zijn deel geworden van teams. Technologische hoogstandjes kennen tegenwoordig vele vaders.

De bundel onder redactie van Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, is niet per se een pleidooi voor meer ’klassieke’ biografieën van ingenieurs. Het aanstekelijke tableau de la troupe dat Joep Huiskamp en Hans Schippers tonen in hun bijdrage ’Ingenieurs in Companytown Eindhoven’ smaakt wel naar meer. Is zo’n groepsportret niet een uitstekende vorm om biograferend bezig te zijn met de wereld van de techniek? Ook het beschrijven van de jacht naar een doorbraak op verschillende plaatsen leidt tot schitterende inkijkjes en spannend leesvoer.

De introductie van de kunstnier is zo’n verhaal. De Nederlander Willem Kolff promoveerde in 1946 op onderzoek naar die nieuwigheid. Hij bleef de concurrentie daarmee maar net voor. Ook op twee andere plaatsen in de wereld, Zweden en Canada, waren wetenschappers bezig met dialyse-experimenten, zonder dat de drie het van elkaar wisten. Kolff zou zijn kleine voorsprong later verklaren uit de Duitse bezetting. Door de omstandigheden gedwongen was hij meteen gaan experimenteren met mensen, terwijl de anderen eerst proeven met dieren deden.

Het zoeken naar nieuwe, afwijkende vormen is in kringen van biografen een veelbesproken onderwerp. Vaak hebben die pleidooien voor het andere levensverhaal wat krampachtigs. Geschraagd door goed bronnenmateriaal en in handen van een goed verteller hoeft met een van geboorte-tot-dood-opbouw niets mis te zijn. Techneuten lenen zich niet in alle gevallen als onderwerp voor zo’n standaardaanpak. Juist hun biografen kunnen uitgroeien tot de ingenieurs van het biografiegenre.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden