'Ineens ontdek je dat je wordt doodgezwegen'

Er is een omslag aan de gang in reformatorisch-evangelisch Nederland. Onwrikbaar geachte principes ondergaan een subtiele facelift, met wellicht verstrekkende gevolgen. Of valt dat wel mee? In het vierde deel van een serie: theologe drs. Aafke L. Rijken-Hoevens. "Ze denken: laat haar maar, dat zijn háár lange tenen".

Elma Drayer en Lodewijk Dros

Ze is 'geen coryfee', zegt ze bijna verontschuldigend. "Ik heb van meet af aan aan de rand gestaan." Was ze een man geweest, het was vermoedelijk anders gegaan. Van oudsher geldt in reformatorische kring, met een beroep op Paulus, dat vrouwen horen te zwijgen in de gemeente. Theologe Aafke Rijken-Hoevens (1948), redacteur van het kritisch reformatorische blad Kontekstueel, houdt haar mond niet – al moest ze daarvoor afstand nemen van de Gereformeerde Bond.

Ze vindt zichzelf 'moeilijk inpasbaar' in de orthodoxie. "Ik wil leven met het Woord, en openstaan voor de Andere Kant", zegt ze. "Maar op een ontdekkende manier, niet dat alles vastgetimmerd is." En: "Voor mij valt de Bijbel niet uit elkaar als je ontdekt dat Paulus zich heeft vergist."

Rijken woont in Veenendaal, sinds jaar en dag bolwerk van degelijk rechtzinnig christendom. Zo zijn er liefst acht hervormde wijkgemeenten die zichzelf rekenen tot de Gereformeerde Bond. "Natuurlijk, je ziet hier op zondag nog massa's mensen ter kerke gaan. De stammen die optrekken, dat heeft iets aardigs. Maar het is ook iets vervreemdends. Moet het geloof niet ook ergens anders uit blijken? Uit de keuzen die je maakt?"

Sinds vier jaar werkt Rijken als 'vicaris': dan mag je alles wat een predikant mag, behalve de sacramenten bedienen. Een ondankbare functie, zegt ze. "Je kunt wel een huwelijk bevestigen, maar dopen is kerkordelijk niet toegestaan. Heel frustrerend. En niemand die het ziet als een probleem." Onlangs nam ze een beroep aan naar Lunteren. Daar wordt ze écht dominee, van een 'confessioneel' hervormde gemeente enkele tinten lichter dan een bondsgemeente.

Rijken: "Ik zal er de eerste vrouwelijke predikant zijn. Het is dapper dat ze hun nek durven uitsteken. Ook in Lunteren hebben sommige mensen er moeite mee, maar ze durven dat wel tegen me te zeggen. Dat vind ik prettig, zo kun je in gesprek raken." Hartelijke reacties op haar nieuwe baan heeft ze van bonders tot nu toe niet gekregen. "Ze vragen me er zelfs niet naar. Dat vind ik onbeleefd, getuigen van kleinheid. Waarom kunnen ze niet zeggen: ik denk er zelf anders over, maar wat leuk voor je? Er is totaal geen openheid om naar mijn verhaal te luisteren."

Rijken groeide op in een bondersgezin. "Een warm nest, met een heel vrome moeder. Ik heb geen frustratie overgehouden jegens de orthodoxie."

Het was de tijd van de welomschreven regels. "Op zondag deed je dingen niet. Mijn moeder kookte de soep op zaterdag, om principiële redenen. Dat is bijna nergens meer in het orthodoxe milieu, denk ik. Ik kook de soep óók op zaterdag, maar omdat-ie dan de volgende dag lekkerder is."

In haar jeugd speelde 'de hoedenkwestie'. Paulus schreef dat een vrouw niet blootshoofds mocht bidden of profeteren, en dus moest ze in de kerk een hoedje op.

Rijken: "Ik ben zo geschapen dat zo'n ding me niet staat. Mijn zusje en ik wisten altijd wel een andere bijbeltekst te vinden waar niemand zich aan hield. Bijvoorbeeld dat vrouwen volgens Paulus geen sieraden en haarvlechten mochten dragen. Mijn ouders accepteerden dat ik geen hoedje op deed. Ik ben niet knechtend opgevoed. Maar ik was wel een uitzondering."

Op haar zeventiende ging ze het huis uit, studeren in Utrecht. Het kwam niet bij haar op, zegt ze, om te kiezen voor theologie. "Dat heeft geen zin, dacht ik. Ik word toch nooit dominee." Het werd godsdienstpsychologie en -sociologie. Lange tijd was ze wetenschappelijk medewerker aan de Vrije Universiteit. En toen kwam het er toch nog van. "Door de theologiestudie ging een wereld voor me open. Thuis vroegen ze: wat wil je ermee? Maar ze waren eigenlijk ook wel trots."

In de jaren zestig schreef Rijken al een brochure voor de Hervormde Bond voor Inwendige Zending over de plaats van de vrouw in de kerk. "Tot mijn eigen verbazing kwam ik uit op nieuwe inzichten. Op die brochure heb ik nooit iets gehoord. Maar op een gegeven moment ontdek je dat je niet meer wordt gevraagd voor bepaalde functies. Dat je wordt doodgezwegen. Voor je dat doorhebt, ben je een paar jaar verder. Nu denk ik: hoe wonderlijk is dat gegaan."

Binnen de Gereformeerde Bond is de vrouw in het ambt nog steeds taboe. "Het heeft de functie van een sjibbolet. Wat is nou een bonder tegenwoordig? Je hebt hier in Veenendaal bondskerken waar ze uit het Liedboek zingen. Over vijftig jaar bestaat de bond in deze vorm niet meer. Alleen de vrouw in het ambt mag niet. Als je dat toestaat, onderscheid je je niet meer, denken ze. Dat is de angst. Dan geef je toe dat je één protestantse kerk bent geworden."

Maar ook de orthodox-protestantse kerken, vindt ze, kunnen het zich niet meer permitteren om de helft van hun leden uit te sluiten van het ambt. "In de orthodoxie zijn ze slinks – nee, dat is niet het goede woord – ráár bezig. Het ambt heeft een bestuurlijke en een pastorale kant. De orthodoxie kent inmiddels vrouwelijke catecheten, vrouwelijke pastoraal werkers. Van de pastorale gaven van vrouwen wordt allang uitbundig gebruikgemaakt. Maar de bestuurlijke kant van het ambt blijft gesloten."

Tot haar verdriet leeft de kwestie nauwelijks binnen de reformatorische kerken. Natuurlijk hebben de mannen 'de sleutel' tot verandering in handen, zegt Rijken. Maar even vanzelfsprekend staan ze die macht niet graag af. "En veel vrouwen vinden het ook best. Van mij denken ze: laat haar maar, dat zijn haar lange tenen. Ze vinden mij te strijdbaar. Ik kan grapjes erover ook niet goed verdragen."

Natuurlijk, 'God houdt zelf zijn kerk in stand'. Maar Rijken is 'heel somber' over de toekomst. Ze wijst op het 'individualisme'. "We leven in een cup-a-soup cultuur. Je doet er een beetje water bij, en klaar. Je pikt uit het aanbod van de kerk wat je uitkomt. Het gaat om het hier en nu. Dat is een groot verschil met vroeger. Het geloof is geen essentieel onderdeel meer van het bestaan."

Zelfs in Veenendaal worden middagdiensten nauwelijks meer bezocht. 'Mensen shoppen bij vrije, evangelische groepen. En ze verdwijnen bij bosjes, in het niets. Veenendaal is een groeigemeente, 60 000 inwoners. De kerken zijn niet meegegroeid. Ik geloof niet in de stelling dat de secularisatie de kerk binnensluipt. Die cultuur zit binnen in de kerk, in onze gezinnen. Wij zijn zelf een deel ervan." En als je nog rechtzinnig bent, moet je vooral vrolijk, en niet treurig orthodox zijn. "Ook dat is een uiting van onze cultuur. Dat je niet stilstaat bij de schrikbarende dingen: dat wij in luxe leven terwijl er elders op de wereld honger is en geweld. In de evangelische beweging zie je die oppervlakkigheid terug. Veel bondsgemeenten hebben dat overgenomen. De verkondiging moet niet te moeilijk zijn, je wordt niet aangesproken op je denkvermogen. Het gaat om het sfeertje, liefst met uitbundig geklap in de handen. Daar ben ik verbijsterd over."

Ouders zitten met de handen in het haar, zegt ze. "Ik geef catechese aan jongeren. En ik merk dat de manier waarop ik me in geloofstaal uitdruk nauwelijks meer overkomt. Als ik vertel wat een bijbeltekst met mij doet – het beeld van God die ons als een arend hoedt met zijn vleugels, bijvoorbeeld – dan kijken ze me aan of ik van Lotje getikt ben. Op zo'n moment gaat het voor mij spannen. Er komt namelijk geen tegenbeeld, er komt heel weinig. Dan denk ik: waar loopt dit op uit?"

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden