INDIE VERLOREN, DE RAMPSPOED BLEEF UIT

Nederland heeft kapitalen verdiend aan Indië en ook na de Tweede Wereldoorlog zagen velen nog dringende redenen om Indië als kolonie te behouden. Maar toen de souvereniteit eenmaal was overgedragen, ging het Nederland enorm voor de wind. “Indië verloren, rampspoed geboren”, blijkt een loze kreet; in economisch opzicht was Nederland een blok aan het been kwijt.

Onder de kop 'Bittere zaak' stonden deze regels in het commentaar van Trouw op 6 december 1957. Daags tevoren had president Soekarno de Nederlandse bedrijven onder beheer van zijn regering gesteld; wat maanden later zouden ze worden genationaliseerd. Alle 50 000 nog in Indonesië wonende Nederlanders moesten het land verlaten. In het al jaren slepende conflict over Nieuw-Guinea had de verhouding tussen Nederland en Indonesië een nieuw dieptepunt bereikt.

Met zijn opmerkingen over Indonesië had de commentator in Trouw overigens geen gelijk. Zeker, de situatie was er chaotisch. Maar met het inpikken van Nederlandse bedrijven maakte de regering wel een einde aan een eenzijdige geldstroom richting Nederland, bestaande uit overgemaakte winsten. En met de opmerking over ontwrichting van wat er nog aan orde over was, bezondigde Trouw zich aan de typisch Nederlandse overschatting die kenmerkend was in de relatie met de voormalige kolonie. In Indonesië werkzame Nederlanders hadden, na de souvereiniteitsoverdracht in 1949, hun positie niet bedreigd gevoeld. Met al hun kennis waren ze 'onmisbaar', dachten ze. Daarom kwam de uitzetting in 1957 hard aan.

Wat Nederland betreft had de commentator wel gelijk. Voor sommige mensen en bedrijven was het een grote slag maar de Nederlandse economie als geheel kwam de klap te boven. Sterker nog: het was niet eens een klap. De 50 000 repatriërenden konden gemakkelijk in het arbeidsproces worden opgenomen, want de werkloosheid stelde weinig voor in die dagen. Hooguit betekende de terugkeer van tienduizenden een extra probleem in verband met de toen nog grote woningnood.

Uiteraard was het verlies van drie miljard gulden aan in Indonesië geïnvesteerd vermogen (huidige waarde circa twintig miljard) niet niks. Maar Nederland was intussen sterk genoeg om die strop op te vangen. Het land was bezig met een grootscheepse industrialisatie en profiteerde van de sterke economische groei in het Europa van de jaren vijftig. Bovendien lagen de voornaamste belangen al lang niet meer in Indonesië. De overbekende kreet “Indië verloren, rampspoed geboren”, bleek loos.

Die slogan was de titel geweest van een brochure die een zekere jonkheer dr. C. Sandberg in 1914 had gepubliceerd. Geen mens weet meer wat er in die brochure stond, maar het opschrift heeft generaties overleefd. Onzin was die titel beslist niet toen Sandberg hem verzon. Sinds 1870 hadden Nederlanders fors geïnvesteerd in Nederlands-Indië en alleen al in de periode 1900-1914 was de omvang van die investeringen verdubbeld. Geld werd vooral gestoken in plantages (suiker, koffie, thee, tabak) en sinds 1890 ook in de exploratie van oliebronnen. De geweldige uitbreiding van de Nederlandse koopvaardijvloot (en daarmee de expansie van de scheepsbouw) in de jaren 1890-1910 was hoofdzakelijk aan Indië te danken.

De Nederlandse invoer kwam in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog voor 15 procent uit Indië en bestond vooral uit landbouwprodukten. Aan de andere kant ging een derde van de Indische uitvoer naar het moederland en importeerde Indië ook een derde uit Nederland. De export van Nederland naar Indië bleef met een procent of vijf bescheiden (machines voor suikerraffinaderijen, bijvoorbeeld) maar daar staat weer tegenover dat er een omvangrijke stroom aan dividenden uit Indische bedrijven naar Nederland op gang was gekomen. Kortom, Nederland en zijn kolonie onderhielden innige economische betrekkingen.

Nederlanders zagen geld in Indië. Toch was dat niet het enige, zegt de Leidse historicus prof. P. W. Klein. “Nederland was in de negentiende eeuw een diep beledigde natie. Met heimwee werd teruggeblikt naar de glorieuze zeventiende eeuw, bovendien had België zich in 1830 afgescheiden. Men had het gevoel niet meer mee te tellen op het Europese toneel. Het land zocht zijn rechtvaardiging in politieke neutraliteit en trachtte zijn grootheid te vinden in Indië.” Dat uitte zich overigens niet alleen in investeringen. Zeker na 1901, toen de 'ethische politiek' zijn intrede deed in het regeringsbeleid, zag Nederland ook een taak in de 'verheffing van de inlandse bevolking'.

Dat was heel pretentieus voor een klein land met een zo grote kolonie. Het kon eigenlijk niet. Klein kenschetst Nederland in zijn relatie met Indië als een 'reus op lemen voeten'. Toen Japan - tot verbazing van het Westen - in 1905 de oorlog met Rusland won, schrok men daarvan in Indië. In de jaren dertig, toen de Japanse agressie dreigende vormen aannam, wisten velen dat Indië niet te verdedigen was. Van een serieuze opbouw van een defensie-apparaat in de kolonie was geen sprake. En volgens Klein had Colijn - die elk zelfstandigheidsstreven van Indonesiërs afwees - heel goed in de gaten dat de economische betekenis van Indië voor Nederland inmiddels afnam.

Slechts enkelen trokken daaruit echter de consequentie dat de politieke band tussen moederland en kolonie losser zou moeten worden. Zelfs na 1945 was menigeen nog behept met de angst dat Nederland zonder Indië zou “afzakken tot de rang van Denemarken.” Alsof dat een schande zou zijn.

P. van der Eng, hoogleraar aan de Nationale universiteit van Australië, wijst erop dat het in eerste instantie de suiker is geweest, die de economische afstand tussen Nederland en Indië vergrootte. Aanvankelijk ging bijna alle rietsuiker naar Nederland, later werd het produkt regelrecht uit Indië naar andere landen uitgevoerd, vooral in Azië. De Eerste Wereldoorlog versnelde het proces. Transport naar Europa was tijdelijk moeilijk, ondernemers zochten afzetmarkten elders, zoals in de Verenigde Staten. In de jaren twintig gingen grote hoeveelheden rubber naar de VS voor de produktie van autobanden, de auto was in Amerika toen al een massa-artikel. Ook produkten als koffie en tin werden geleidelijk minder in Nederland afgezet, voor tabak bleef Nederland wel de voornaamste inkoper.

Hoewel de bilaterale handel tussen Nederland en Indië toenam in de jaren twintig, groeiden voor beide delen van het koninkrijk de import en export met de rest van de wereld veel en veel sneller. Dat kenterde even tijdens de diepe economische crisis van de jaren dertig. Veel staten beschermden hun economie en weerden import. Ook voor Nederlands-Indië werden importcontingenten afgekondigd, waardoor de Nederlandse textiel, die in Indië goeddeels was verdrongen door Japan, nieuwe kansen kreeg. Die maatregel kwam niet Indië ten goede. Wel Nederland waar naar schatting de werkgelegenheid van een kleine 20 000 textielarbeiders werd gered, vooral in Twente.

Volgens Van der Eng waren de pogingen om in crisistijd de handel tussen Indië en Nederland weer te intensiveren, niet erg succesvol. De Nederlandse markt was te klein om de Indische produkten op te nemen terwijl de Nederlandse industrie niet meer was afgestemd op de Indische behoefte. De economieën van beide rijksdelen waren bezig uit elkaar te groeien, concludeert Van der Eng. Klein noemt in dat verband het sterk groeiende Philips en de chemische industrie, die op Europa waren gericht, niet op Indië. Al voor de Tweede Wereldoorlog stonden er olieraffinaderijen in de Rijnmond maar die draaiden niet op Indische olie.

Tegen die achtergrond was het een opmerkelijk artikel dat de latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen en J. Derksen, een ambtenaar van het Centraal bureau voor de statistiek, in het najaar van 1945 publiceerden. Zij becijferden dat het nationaal inkomen van Nederland in 1938 (het laatste normale vooroorlogse jaar) 13,7 procent lager zou zijn geweest als Indië er niet was geweest. Dat hoge percentage was opgebouwd uit dividenden, rentes, pensioenen, scheepvaart en handel en tevens uit indirecte effecten, zoals het salaris van het dienstmeisje dat werkte bij de gepensioneerde oud-indischman in Den Haag.

Op de berekeningen is jaren later veel afgedongen. Op grond van uiteenlopende argumenten ontdekten deskundigen dat de schattingen te hoog waren of misschien door incidentele factoren zo hoog uitvielen. Op de Nederlanders van eind 1945 maakte het artikel echter veel indruk. Nota bene van Tinbergen. Geen verstokte oud-koloniaal, die zich vastklampte aan 'Ons Indië' maar een oprechte socialist. Wat zou het arme Nederland, kort tevoren berooid door de Duitse bezetters, moeten stellen zonder Indië als ons dat ook nog eens 14 procent in het nationaal inkomen zou schelen?

Het antwoord is bekend. De regering zond zo'n 100 000 soldaten naar de kolonie om de orde te herstellen. Dat die militairen onttrokken werden aan de wederopbouw van Nederland (handarbeid was toen nog aanzienlijk belangrijker dan tegenwoordig), daar werd kennelijk niet bij stilgestaan. Maar in Indonesië zouden de troepen weldra een merkwaardige rol gaan spelen bij het oplossen van een acute financiële crisis in Nederland.

In de eerste twee jaar na de bevrijding moest Nederland veel machines en installaties importeren om de kapotte economie op gang te helpen.

Verder moesten voedingsmiddelen worden ingevoerd om de voedingssituatie van de bevolking op een acceptabel niveau te krijgen. Daar tegenover stonden nauwelijks inkomsten uit export. Ook de export uit Indië lag stil. De opstandelingen hielden plantages bezet. Het gevolg van dit alles was dat zowel Nederland als Indië tegen de zomer van 1947 geen buitenlandse deviezen meer over had. Piet Lieftinck, minister van financiën, sloeg alarm. Het kon zo niet langer. Nederland stond aan de rand van een bankroet. De landbouwgebieden in Indië moesten zo snel mogelijk gezuiverd worden van rebellen. Dan kon de export van landbouwprodukten op gang komen, vooral naar de Verenigde Staten, die daarvoor in broodnodige dollars zouden betalen.

Zo gezegd, zo gedaan. Op 20 juli 1947 begon de eerste politionele actie. Wat daar ook over gezegd kan worden vanuit politiek of militair standpunt, economisch was dit offensief van de Nederlandse troepen een succes. De uitvoer uit Indië kwam inderdaad op gang. De tweede politionele actie, in december 1948, had minder economische achtergronden. Maar toen kreeg Nederland inmiddels al Marshallhulp van de Verenigde Staten.

Een jaar later, in december 1949, droeg Nederland de souvereiniteit over Indonesië over aan de regering van Soekarno. Verpauperde het voormalige moederland daarna? Integendeel. “Nederland zag kans een verzorgingsstaat op te bouwen en een ongekende welvaart”, beklemtoont Klein. De inkt van de handtekeningen onder het document bij de souvereiniteitsoverdracht was nauwelijks opgedroogd of minister Van den Brink van economische zaken kwam met zijn alom bewonderde eerste industrialisatienota. Geen woord daarin over Indonesië. De nota ademde de sfeer van opbouw van de Nederlandse industrie, van het scheppen van werkgelegenheid en van oriëntatie op Europese afzetmarkten.

Het bleef niet bij woorden. De industriële bedrijvigheid in Nederland expandeerde. En niemand minder dan H. J. van Mook, voormalig luitenant-gouverneur generaal van Nederlands-Indië, heeft achteraf gezegd dat Nederland zijn industrialisatie nooit had kunnen volbrengen als Indonesië nog in een koloniale verhouding had gestaan tot Nederland. Tientallen miljarden had Nederland moeten steken in de opbouw van Indonesië en dat ging de kracht van een klein land ver te boven. Met andere woorden: Indonesië zou een blok aan ons been zijn geweest.

Er waren nog andere redenen waarom het Nederland goed ging in de jaren vijftig. Bijna alle schrijvers noemen de Marshallhulp, die het herstel in Nederland versnelde. Er was de veranderde opstelling van het bedrijfsleven, dat met succes alternatieven zocht voor de ex-kolonie. En er was, paradoxaal, de bijdrage van Indonesië.

Klein benadrukt dat de Nederlandse bedrijven in Indonesië na 1949 gewoon op de oude voet verder gingen. Ze produceerden, exporteerden en maakten hun winsten over naar de Nederlandse aandeelhouders. Wat ze niet deden was investeren. Klein noemt het voorbeeld van Unilever, dat nog kort voor de souvereiniteitsoversdracht grootse bouwplannen had, maar al enkele maanden later daarvan afzag en volstond met herstel van de vooroorlogse bedrijvigheid. Nederlandse ondernemers stelden zich terughoudend op en beperkten zich tot onderhoud en reparatie. Dat vergrootte uiteraard de winsten die naar Nederland werden overgeboekt.

Daar komt nog bovenop dat Indonesië zich bij de onderhandelingen over de souvereiniteit in 1949 zo concentreerde op politieke erkenning door Nederland, dat men enkele ongunstige financiële voorwaarden op de koop toe nam. De Indonesische regering nam de pensioenverplichtingen aan Nederlanders over van het Nederland-Indische gouvernement. Ook accepteerden de Indonesiërs het leeuwedeel van de in de jaren 1945-'49 sterk opgelopen staatsschuld van dat gouvernement, bedragen die aan Nederlanders moesten worden terugbetaald.

Klein trekt daaruit de conclusie dat Indonesië de industrialisatie van Nederland heeft meegefinancierd en trekt een historische parallel. Nederland heeft fors verdiend aan het Cultuurstelsel in de jaren 1830-1870, het systeem van gedwongen landbouw door de Javanen ten bate van de Nederlandse overheid. Nederland kon met zijn winsten daaruit de omvangrijke staatsschuld aflossen en vervolgens een infrastructuur van spoorwegen en kanalen opbouwen. Net zoals Indonesië meebetaalde aan de industriële opbouw, een eeuw later.

Aan dat meebetalen kwam in 1957 een einde. Nederlandse bedrijven werden genaast. De financiële banden werden doorgesneden. Een financiële relatie trouwens, die al decennia lang belangrijker was geweest dan de verwaterende handelscontacten. Dat verklaart ook het - zij het te hoge - percentage van Tinbergen in een tijd dat het belang van de onderlinge handel steeds minder belangrijk werd.

Nieuw-Guinea was in 1957 het breekpunt. Maar zou Soekarno de positie van de Nederlandse bedrijven ongewijzigd hebben gelaten als Nieuw-Guinea in 1949 gewoon aan Indonesië zou zijn overgedragen en er geen geschil over dat gebied had bestaan? Voor Klein is die vraag bijna retorisch. Soekarno zou een andere aanleiding hebben gevonden. De geldstroom van het arme Indonesië naar het rijke Nederland was een te grote ergernis. Hij werd gekapt. Later gaf Nederland ontwikkelingshulp: geld in omgekeerde richting. Ook daaraan maakten de Inonesiërs een einde. Na eeuwen staan de beide landen tenslotte als normale handelspartners tegenover elkaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden