INDIA IS UNIEK, EN HEEL ARM

India is uniek. Dat is een oud cliché, een levendig feit, maar zeker ook een doorzichtig excuus. De vijftigste onafhankelijkheidsdag van komende vrijdag bewijst het voor de zoveelste keer.

KEES BROERE

Bijna overal ter wereld hebben landen, met de Britten als oud-koloniale heersers voorop, in de loop van 1997 aandacht besteed aan de komende Indiase mijlpaal. In India zelf bleef het tot op de dag van vandaag rustig, al weet men ook hier al een halve eeuw dat er iets aan zit te komen. 'Wij doen het op onze eigen manier', moeten de machthebbers ter verontschuldiging gedacht hebben, 'wij beginnen het feest pas vanaf 15 augustus te vieren. ' Elders in de wereld zal niemand dan nog veel belangstelling hebben. De Indiërs zullen zich hierdoor voor de zoveelste keer miskend voelen. Maar ook gesterkt in de gedachte dat Moeder India anders is dan wie en wat dan ook ter wereld.

De premier van India, Inder Kumar Gujral, zal vrijdag 15 augustus op het beroemde Rode Fort in New Delhi te vinden zijn, net als vijftig jaar daarvoor Jawaharlal Nehru, de eerste premier van het onafhankelijke India. Nehru, het 'verwende kind' van de politiek, zoals zijn biograaf Stanley Wolpert hem noemt, had de eer de vlag van het nieuwe, vrije, maar direct al verminkte land te ontvouwen. De grote leider van de Congrespartij sprak over India's eerder gemaakte 'afspraak met het lot', die vanaf nu zou worden nagekomen: “Wanneer de wereld slaapt, zal India ontwaken voor het leven en de vrijheid.”

Veel mensen hebben dit ontwaken niet kunnen meemaken. De onafhankelijkheid bracht India immers niet alleen de vrijheid, maar ook de deling van het Indiase subcontinent in India en Pakistan, dat op zijn beurt werd verdeeld in West-Pakistan en Oost-Pakistan, het latere Bangladesh. India wilde een land zijn voor alle gezindten, Pakistan voor gelovige moslims. Wie de pech had aan de verkeerde kant van de nieuwe grenzen te zijn geboren, moest vaak halsoverkop vluchten. Zo'n tien miljoen mensen zijn over en weer gegaan, naar schatting een miljoen mensen zijn tijdens deze gruwelijke volksverhuizing over de kling gejaagd door hun vroegere landgenoten.

Het was precies dit 'Trauma van de Deling' waarvoor Mahatma Gandhi, die andere grote leider van de Congrespartij, tot het einde toe heeft gewaarschuwd. Maar de Britten, Nehru en de zijnen, noch de Moslim Liga van Pakistans stichter Mohammed Ali Jinnah wensten te luisteren naar 'Mickey Mouse', zoals de kleine koppige man met de grote oren door een van zijn volgelingen ooit liefkozend is genoemd.

Terwijl in de grandioze gebouwen van onderkoning Mountbatten de onafhankelijkheid in alle haast werd bekokstoofd, slofte Gandhi van stoffig dorp naar haveloze stad, van moslims naar hindoes. Hij predikte de ahimsa, de geweldloosheid; in 1948 is hij door een hindoe-tegenstander vermoord.

Over de erfenis van Gandhi hoeft niemand in India zich anno 1997 nog illusies te maken. Aan de 'Grote Ziel' en zijn levensinstelling wordt nog hooguit lippendienst bewezen. Voor een deel is dat maar goed ook. De Gandhiaanse dorpsfilosofie zou India waarschijnlijk voor nog grotere ontwikkelingsproblemen hebben gesteld dan de trits 'socialisme, secularisme en democratie' die Nehru tot zijn dood in 1964 predikte. Gandhi koos voor het lot van de armen, een groep mensen waarover India ook vijftig jaar geleden al in overvloed beschikte. Hun waardigheid zou hij ongetwijfeld tot het laatst hebben verdedigd; rijk zouden zij van hem niet zijn geworden.

De verschillen tussen Nehru en Gandhi zijn opmerkelijk groot, hoezeer ook de traditionele geschiedschrijving binnen en buiten India beide mannen op eenzelfde ideologische lijn heeft willen zetten. Maar in een aspect kwamen zij zeker tot elkaar: nationalisme, en de daarmee gepaard gaande trots voor eigen land en volk. Gandhi achtte de Indiase samenleving superieur aan willekeurig welke andere; 'onverslaanbaar in de wereld', zo schreef hij al aan het begin van deze eeuw. India is uniek, luidt dan het oude cliché. Nehru was het, ondanks veel kritiek, met hem eens, maar voegde daaraan iets belangrijks toe: “We leven in een gevaarlijk tijdperk”, schreef hij, “waarin alleen de sterken en zij die verenigd zijn kunnen overleven.”

Voor die kracht en eenheid van India heeft Nehru gewerkt, net als Gandhi op zijn manier. Vijftig jaar later zijn het nog steeds de twee zaken waarom veel draait in de Indiase politiek, in de economie en in het meer alledaagse leven van inmiddels ruim 950 miljoen Indiers. India is uniek, is dan het levendige feit; in kracht en zwakte, in eenheid en verdeeldheid. Wie Kashmir zegt, zegt oorlog. Islamitische separatisten zijn er al ruim acht jaar in gevecht met Indiase veiligheidstroepen. In Srinagar, de hoofdstad van deze noordelijke deelstaat, nodigt Amin Farooqi zijn bezoeker op de thee. Amin is moslim, regeringsambtenaar en feitelijk werkloos. Met de ogen gericht op de dichtstbijzijnde militaire uitkijkpost, vertelt hij hoe dit laatste zo gekomen is. “De jongens van het verzet zorgen ervoor dat mijn kantoor zelden open is.” Het is een simpele mededeling, waarin een turbulente geschiedenis van vijftig onafhankelijkheidsjaren besloten ligt. Kashmir is India par excellence, juist ook omdat veel van de islamitische inwoners in het gebied menen dat zij niets ophebben met de hindoe-machthebbers in de hoofdstad New Delhi.

Helemaal te begrijpen is dit niet, geeft ook Farooqi toe. Hij wijst op een patrouillerende soldaat. De jongeman, zo is aan zijn donkere huidskleur te zien, moet ergens uit het diepe zuiden van India afkomstig zijn. Hij is in Kashmir om zijn 'landgenoten' tegen het geweld van moslimseparatisten te beschermen. Zijn angstige ogen verraden dat hij weinig begrijpt van dit ingewikkelde conflict tussen de Kashmiri's, India en Pakistan - en dat liefst ook zo wil houden. Als zijn termijn erop zit gaat hij terug naar zijn eigen India, zo'n 3500 kilometer verderop.

Misschien is de jonge soldaat wel afkomstig uit Mahabalipuram, in de zuidoostelijke deelstaat Tamil Nadu. Daar, aan de kust van de Golf van Bengalen, staat een eenzame visser. De man beschikt over een stok, een draad, en zijn eigen gedachten. Niemand stoort hem, niemand helpt hem om zijn armoedige bestaan wat op te vrolijken. Op zijn lendendoek na beschikt hij over geen kleren; hij lijkt verder ook niets nodig te hebben. Over Kashmir heeft hij mogelijk nog nooit gehoord. Zijn eigen strijd om te overleven neemt deze naamloos trotse man al voldoende in beslag.

Het is lastig, zo niet onmogelijk om aan te geven wat de regeringsambtenaar en de visser bindt. Religie, etniciteit, geschiedenis, taal, cultuur - een Zweed en een Spanjaard lijken meer met elkaar gemeen te hebben dan deze twee mensen. Zo is het ook bij een bezoek aan andere plaatsen in India. De hoteleigenaar in de westelijke deelstaat Gujarat, die probeert uit te leggen waarom hij geen alcohol mag schenken (“Gandhi is hier geboren, meneer”), lijkt in bijna niets op de 'adivasi', de tribaal in het oostelijke Orissa. De verstrooide intellectueel in Calcutta, de anus van de wereld, zou niet weten hoe om te gaan met de 'dhobi', de wasvrouw aan het meer van Udaipur in Rajasthan. De vrouw die haar geiten hoedt op de vervuilde grond rond een zinkfabriek in Indore, Madhya Pradesh, heeft weinig gemeen met de ondernemende sikh in de Punjab.

Toch zijn zij allemaal Indiërs, zo zeggen zij doorgaans ook zelf. Zij kunnen dat doen om vele redenen, maar niet op de laatste plaats omdat zij bij landelijke verkiezingen op dezelfde dag beschikken over hetzelfde stemrecht. De democratie, net zo oud als het onafhankelijke India, is absoluut een van de grootste verworvenheden van deze natie. En wat ook de gebreken zijn, in een zo'n groot land met zo veel nog steeds onopgeloste problemen, de titel 'grootste democratie ter wereld' draagt India met terechte trots. “De democratie is diep geworteld”, zeggen de kenners. Daaraan is niets overdreven. En menig ontwikkelingsland kan India dit niet nazeggen.

Een andere reden waarom zo veel uiteenlopende mensen zich allemaal Indiër kunnen noemen, is omdat zij binnen het Indiase democratische stelsel veel vrijheid genieten om zich als uiteenlopende mensen te gedragen. Officieel mag India geen federale staat heten, maar in de praktijk geldt dit steeds sterker. Coalitiepolitiek op landsniveau, regionalisme in de verdeling van taken en verantwoordelijkheden; het zijn de recepten die voor het overleven van India als natie onontkoombaar zijn. Daarbij spreekt een zekere mate van autonomie voor zich; bestuurlijk, maar ook cultureel. De Indiase grondwet garandeert iedereen het recht om verschillend te zijn. Maar het verschil wordt ook op een negatieve manier beleefd. Geen ander land kent de vloek van het kastensysteem zoals India. De grondwet uit 1950 moge het maatschappelijk onderscheid op basis van kaste dan uit den boze hebben verklaard, de praktijk is een geheel andere. Tot op de dag van vandaag. Voor iemand uit bijvoorbeeld Nederland, opgegroeid in een egalitaire traditie, is er geen 'verticaler' land denkbaar dan India. Het meestal niet met zoveel woorden genoemde begrip 'hiërarchie' is zo goed als allesbepalend. India is uniek, luidt het dan. Maar daar komt het doorzichtige excuus om de hoek.

Een simpel, maar veelzeggend voorbeeld. Bij Nath Brothers, een ouderwetse apotheek op Connaught Place, in het centrum van de hoofdstad New Delhi, staat een zwetende bediende de vele klanten in het gedrang voor de toonbank zo goed mogelijk te helpen. Terwijl hij daarmee bezig is, komt een handelsreiziger de winkel binnen. De baas van het spul komt naar voren, de vertegenwoordiger spreidt zijn spullen tentoon, zo breed dat de bediende geen centimeter meer overhoudt. Als daarover vanuit de zaak een opmerking wordt gemaakt, zegt de vertegenwoordiger: “Wat ik doe, is belangrijker.” Razende onzin, maar geen Indiër die dan nog iets zegt.Een land waarvan de inwoners op een dergelijk rauwe manier met elkaar omgaan - natuurlijk is het niet overal even erg, maar vaak veel erger dan hierboven geschetst - zit zichzelf het meest in de weg voor zijn ontwikkeling. Een paar nuchtere feiten na vijftig jaar onafhankelijkheid bewijzen dit te over. Circa veertig procent van de Indiërs leeft onder de armoedegrens, alle sluw bijgeslepen statistieken ten spijt. Slechts ongeveer de helft van de bevolking is geletterd; het merendeel hiervan is man. Van elke drie mensen in de wereld die niet over veilig drinkwater beschikken, komt er een uit India. Elke twee uur wordt in India een vrouw verkracht of met geweld om het leven gebracht.

Zo gaat het door. De auteur die de meeste van deze cijfers noemt, Palagummi Sainath, zegt in zijn boek 'Everybody Loves a Good Drought' dan ook: “Ontwikkeling is de strategie van het vermijden.” Er gebeurt van alles, al dan niet ad hoc, maar voor structurele oplossingen is al vijftig jaar geen ruimte. Een veel te logge, grotendeels incompetente bureaucratie neemt het voorbeeld van de politiek en lijkt vooral in het vullen van de eigen portemonnee geïnteresseerd. Moedwil en misverstand strijden met elkaar om voorrang. Zo'n 80 procent van het eigen ontwikkelingsgeld komt niet aan bij de mensen voor wie het is bedoeld.

In juni 1991, na de moord op Rajiv Gandhi, leek het allemaal anders te gaan worden. Het Nehruaanse model van een staatsgeleide economie bleek meer dan failliet. India had amper voldoende geld in de schatkist om de import van twee weken te kunnen bekostigen. Een nieuwe landelijke Congres-regering, onder leiding van Narasimha Rao en zijn minister van financiën, Manmohan Singh, sloeg een radicaal nieuwe koers in. Economische liberalisering werd de nieuwe mantra. India zocht eindelijk aansluiting bij een globaliserende markt en onderwierp zich aan de strenge recepten van de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds, het IMF.

Die beslissing, zo menen de vooraanstaande economen Amit Bhaduri en Deepak Nayyar, werd niet ingegeven door een heldere blik op de kansen van de toekomst, maar is meer dan iets anders geïnspireerd door de crisis van dat moment. Het effect, zo menen zij, was “een liberalisering van de corruptie”, iets waaraan het in het ZuidAziatische land toch al niet ontbrak. Met name de handel kreeg enorme prioriteit; voor de sociaal-economische ontwikkeling bleef weinig aandacht over. En dat een land als India beginnen moet met het opbouwen van een stevige infrastructuur, ook in gebieden als onderwijs en gezondheidszorg, voordat het de vruchten van buitenlandse investeringen kan plukken, daarvan wilden de meesten even niet horen.

Het gevolg was een spectaculair groeiende kooplust van de middenklasse. Toen oud-Philips-topman Jan Timmer in maart 1995 Bombay bezocht, kon hij zijn enthousiasme over de economische liberalisering bijna niet op. Dit land, zo meende hij, zou binnen enkele tientallen jaren tot de vijf grootste economieën van de wereld horen. En natuurlijk zou iedereen naar de winkel rennen om ladyshavers, ghettoblasters en kleurentelevisies in te slaan van het merk dat al meer dan zestig jaar in India te koop is - zij het pas enkele jaren ook onder de eigen, voorheen haast 'imperialistische' en daarom verboden naam Philips. Het is niet gezegd dat Timmer geen gelijk krijgt; zijn voorspelling heeft nog even. Voor die tijd zal in elk geval moeten blijken of India in staat is het spook van de maatschappelijke tweedeling te bedwingen. Bijna drie kwart van de bevolking leeft nog steeds op het platteland. Het is niet toevallig ook de plaats waar het armste deel van de bevolking te vinden is. In de steden - met name de vier metropolen Delhi, Bombay, Calcutta en Madras - spat de toenemende rijkdom van de hogere en middenklasse van het rommelige asfalt. Hier geen ossenkarren, of kamelen die wagentjes met afgedankte vliegtuigbanden voorttrekken, hier zelfs niet meer de oude Indiase automerken Ambassador en Premier, maar rijkdom in burgermansverpakking: Daewoo's, Opeltjes Astra, Fords Escort en de enkele grootsteedse, zeer bewonderde patser in zijn BMW of Mercedes.

De kracht en eenheid van India staan onmiskenbaar onder druk. De wellicht grootste hoop voor de toekomst kan het land typisch genoeg putten uit zijn verleden. Weinig andere landen kennen een zo oude cultuur, die in alle eeuwen blijk heeft gegeven van zo veel veerkracht. Het is een gegeven dat moeilijk overschat kan worden. Dit land heeft de meest afzichtelijke rampen aan zich zien voltrekken. Volkeren uit vele delen van de wereld, al dan niet gekoppeld aan nieuwe religies, zijn door de duizenden jaren heen India binnengekomen. Tegenwoordig is het de zogeheten 'buitenlandse hand' van westerse cultuurdragers die de jongste bedreiging van Bharat Mata, Moeder India heet te zijn. Maar Bharat Mata heeft tot nu toe alles tot zich genomen, gekeurd en zich veel eigen gemaakt, in de letterlijkste zin van het woord.

Wie zich de laatste maanden in het inferno van het verkeer in Delhi meent te moeten begeven, kan op sommige straathoeken de invalide bedelaars tegenkomen die daar vaak al jaren hun bestaan bij elkaar pogen te scharrelen. Hun gezichten zijn bekend, hun verminkingen soms vertrouwd afzichtelijk, maar hun wrakke mobielen zijn geheel vernieuwd. Coca Cola, dat embleem van het verfoeide Westen dat pas in 1993 opnieuw toestemming kreeg de Indiase markt te bestormen, heeft iets bedacht. Een aantal bedelaars in hun karretjes is koopman geworden. Het wagentje is deels geschilderd in het merk-rood van de frisdrank; in plaats van bedelen om muntjes kunnen de invaliden nu hun geld verdienen door 'the real thing' uit te venten. In het Westen zou dit tot afschuw en protest leiden. In India werkt het.

Dit is een prachtig land, een gek land, een ontroerend en voor de bezoeker of tijdelijke bewoner tot op hoogte ook volslagen onbegrijpelijk land. Het is ook, ondanks alles, een land met ongekende mogelijkheden. In het verre verleden hebben Indiërs laten zien waartoe zij in eigen land allemaal in staat zijn. De culturele en intellectuele schatplicht aan India is veel groter dan menig westerling graag zal toegeven. Tegenwoordig bewijzen veel Indiërs vaak in het buitenland hun verbazingwekkende kunnen. Wie bijvoorbeeld wil weten hoe in de Verenigde Staten de ontwikkeling van de computerindustrie en medische wetenschap verloopt, kan daar vaak het best maar een geëmigreerde Indiër op aanspreken.

In eigen land wil het vooralsnog een heel stuk minder vlotten. De redenen daarvoor zijn talrijk, en nauwelijks binnen het bestek van een artikel op te noemen. Maar de vaak nodeloos voortbestaande armoede is zeker een van de belangrijkste oorzaken van India's al te trage tempo van ontwikkeling. “Wat India's ontluiken als een grootmacht verhindert”, meent Bhabani Sengupta, een officieuze adviseur van premier Gujral, “is de diep ingesleten, massale armoede.” Elke nieuwe regering roept dat zij daaraan een einde zal maken. Maar in de afgelopen halve eeuw is daarvan nog geen enkel werkelijk overtuigend bewijs geleverd.

Het zou arrogant zijn van de Indiërs een mentaliteitsverandering te eisen en hun op de eerste plaats te vragen anders met elkaar om te gaan. Bovendien kent de Indiase cultuur in dat opzicht een koppigheid waarbij die van Gandhi verbleekt. Maar wellicht toch dat van binnenuit een dergelijke verandering voet aan de grond krijgt, juist ook door India's toenemende aansluiting bij de rest van de wereld. Dit is het land dat de wereld lang geleden het getal nul schonk. Het is iets waarmee een groot deel van die wereld zichzelf een heel eind vooruit geholpen heeft. Nu India zelf nog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden