India, de onmogelijke natie

Minister-president van de deelstaat Gujarat, Narendra Modi (derde van links) werd beschuldigd van genocide. ( FOTO AFP )Beeld AFP

Daar waar de Indiase historicus Guha de geschiedenis van India zorgvuldig probeert te reconstrueren, ziet de schrijfster Roy vooral de absurditeiten van haar land.

India een complex land noemen, is een understatement. Dat het een zware klus moet zijn om zijn geschiedenis te ontrafelen spreekt voor zich. Toch werd het me even bang te moede toen ik Ramachandra Guha’s behoedzame inleiding tot zijn geschiedenis van India las. „De bevolking van India is zo talrijk en zo divers, dat zij daardoor ook verdeeld is”, schrijft hij.

Inderdaad: die verdeeldheid maakt India tot wat het is. Terecht wordt vaak gezegd dat alles wat je over India beweert waar is én onwaar, met alle nuances daartussenin – plus nog een paar extra. Maar al die nuances leiden ook gemakkelijk tot eenzijdigheid, om niet te zeggen tot vertekening. Kan één boek, al is het nog zo dik en overspant het zes decennia, recht doen aan de geschiedenis van zo’n divers land: aan het religieuze, seculiere, tolerante en intolerante India, aan de bloei van de financiële sector, en de armoedige aandacht voor sociale kwesties, aan de wanhoop over fundamentalistische gelovigen, en aan het gemak en plezier waarmee dat allemaal naast elkaar kan bestaan?

Toch slaagt Guha in die opdracht. Zijn portret van Nehru (de eerste Indiase minister-president en stichter van de Nehru-Gandhi-dynastie) is opmerkelijk uitgebalanceerd: Guha heeft oog voor Nehru’s kwaliteiten én voor zijn fouten, zoals zijn verkeerde inschatting van de ambities van Kasjmir en de positie van China. Wat desastreuze gevolgen had.

Hij is evenmin bang pijnlijke onderwerpen aan te snijden: de schaduwkanten van het Indiase ’wonder’ bijvoorbeeld. Bij de consolidatie van de Indiase staat, die grotendeels verliep volgens de lijn die het kolonialisme had uitgezet, werden grote delen van de maatschappij genegeerd, met dezelfde onverschilligheid die de koloniale voorganger kenmerkte.

Een aantal onderwerpen in dit boek interesseerde mij in hoge mate, omdat ik ze me nog kan herinneren: de oorlog om Bangladesh in 1971, de donkere dagen van Indira Gandhi’s paranoïde noodverordeningen (1975-1977), haar dood en de pogroms tegen sikhs en voortdurende agressie tegen moslims en de lagere kasten. Hoe zou Guha die kwesties behandelen? Hoe zou hij voorkomen weggezet te worden als ’elitaire, westerse criticaster’? Maar ook hier slaagt de auteur wonderwel. Om een vergelijking van rechtse hindoes te gebruiken: hij spietst de fanatici op hun eigen drietand door hun ideoloog Gowalkar te citeren. „De niet-hindoes, vooral moslims en christenen, zijn vijanden van alles wat hindoeïstisch is en moeten daarom als een bedreiging worden gezien.” Een citaat dat hij contrasteert met de klacht van de hedendaagse (moslim) dichter Khadar Mohiuddin: „Mijn godsdienst is een samenzwering, [] mijn onwetendheid, mijn achterstand, een samenzwering [ ] En het is zeker geen samenzwering/om me in stukken te snijden / en zich dan een onversneden Bharat voor te stellen.”

’India’ is een ambitieus boek, dat onvermoede feiten blootlegt. Zo blijkt Louis Mountbatten (de laatste Britse onderkoning én de eerste gouverneur-generaal van het onafhankelijke India) een paar vermetele prinsen te hebben ontmoedigd in hun ambitie als zelfstandige staatjes verder te gaan. En zo blijkt maar weer eens hoe vergevingsgezind Sheikh Abdullah (’de Leeuw van Kasjmir’ ), zich opstelde nadat hij ten onrechte gevangengenomen was.

Het valt weer op hoe kortzichtig internationale én Indiase commentatoren decennialang bleven volhouden dat de onhandelbare, rumoerige en theoretisch onmogelijke natie wel uit elkaar móést vallen. Churchill beweerde zelfs al vijftien jaar voor India’s bloedige geboorte dat het land, als het aan zichzelf werd overgelaten „al heel snel eeuwen teruggeworpen zal worden in barbaarse en onmenselijke middeleeuwse toestanden”. Hij had het natuurlijk mis, net als Nixon en Kissinger, die India tijdens de bevrijding van Bangladesh (vergeefs overigens) door een vliegdekschip van de Amerikaanse 7de vloot waarschuwden ’dat zij er ook nog waren’. Belangrijk is dat Guha licht werpt op de nog overal gevoerde strijd om recht en erkenning, meer dan zestig jaar nadat de leider van de onderdrukten, dr. Ambedkar, een progressieve Grondwet wist te bewerkstelligen.

Het boek van Arundhati Roy’s ’Luisteren naar sprinkhanen’, vormt een interessant contrast met dat van Ramachandra Guha, alleen al omdat het juist inzoomt op alles wat er in India misgaat. De toepasselijke titel is ontleend aan een uitspraak van de moedige Turks-Armeense journalist Hrant Dink, die in 2007 werd vermoord; hij verwijst naar het kwaad dat ons te wachten staat. Roy schrijft met passie, soms met vernietigend sarcasme, over de gevestigde orde, de Bush-regimes, de hypocrisie van een deel van India’s elite die aanpapt met de fanatici en fascisten die achter veel Indiase politici schuilgaan. Hoewel die krachten zich soms ook openlijk uiten, zoals de afschuwelijke Narendra Modi, die door Roy regelmatig over de knie gelegd wordt.

Terwijl Guha’s boek een zorgvuldige reconstructie is, is dat van Roy een complex geheel, waarin tijdgebonden artikelen zij aan zij staan met stukken van langere houdbaarheidsdatum. En terwijl Guha’s boek probeert de geschiedenis te ontrafelen, doet deze verzameling essays daar geen enkele poging toe: elk essay zou ook eigenlijk voorafgegaan moeten worden door meer dan de paar aantekeningen waarin de uitgever nu voorziet. Maar hoewel de loutere intensiteit van Roy’s stem hier in geconcentreerde vorm soms wat erg schril klinkt, ondersteunen haar standpunten paradoxaal genoeg Guha’s punt: dat de Indiase natie even onmogelijk als noodzakelijk is.

Toch botsen de ambities en uitgangspunten van de twee schrijvers zelfs hier. Als Guha, overigens weinig overtuigend, probeert nog iets positiefs te ontdekken in Modi’s bewind in Gujarat: „Wanneer heeft een ’fascistisch’ regime voor het laatst zo’n ordelijke overdracht van de macht toegestaan?”, antwoordt Roy in een van haar essays sarcastisch: „Hij vergeet erbij te zeggen dat Narendra Modi tijdens de deelstaatverkiezingen in Gujarat kort na de genocide (die Guha ’de rellen in Gujarat’ noemt), opnieuw aan de macht kwam en vijf jaar later nog een keer. Tot dusver heeft er in Gujarat geen overdracht van de macht plaatsgevonden.” Guha wil India’s kroniekschrijver zijn, Roy zijn geweten. Uiteindelijk hebben we het eerste nodig, maar het tweede is urgenter, vooral voor degenen die lijden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden