INDERDAAD, BRULEZ MOET EEN GESCHIKTE KEREL ZIJN

“Voor Vlaamse intellectuelen bleef de 'taalcrisis' uit hun jonge jaren als een bestendige jeuk in hun ziel aanwezig. Al zetten ze zich allemaal in, ieder naar hun aard, voor de officiële aanvaarding van het recht om in eigen land de eigen taal, het Nederlands dus, te mogen spreken, in hun manier van denken bleef het Frans levend aanwezig als een geheime grote liefde. Het gaf cachet en rijkdom aan het Vlaamse intellectuele leven en het is te betreuren dat dit gracieuze aspect met de dood van Brulez en zijn generatie uit de dagelijkse omgang is verdwenen.” Ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Raymond Brulez maakte de schrijver Jeroen Brouwers een portret van 'de Vlaamse Voltaire'.

Blankenberge was voor Brulez wat Harlingen ('Lahringen') was voor Vestdijk: in Brulez' tetralogie Mijn woningen heet het strandstadje 'Borgen'. Vader Brulez bekleedde er de functie van gemeentesecretaris. Na zijn dood, toen Raymond tien jaar oud was, zette zijn weduwe het hotelbedrijf annex pension voort.

Deel 1 van Mijn woningen (1950-1955) heet Het huis te Borgen en verhaalt de kinderjaren van de schrijver met het hotel en haar internationale cliëntèle als kernpunt. Het boek begint met de opmerking dat iedere gelijkenis met nog levende en overleden personen “geen toevallige (is), maar een door de schrijver opzettelijke gewilde”. Brulez heeft altijd ontkend dat de cyclus Mijn woningen uit strikt waarheidsgetrouwe memoires zou bestaan, maar het beviel hem ook niet als men hem er van verdacht personages en gebeurtenissen lukraak te hebben verzonnen. Hij maskeerde de werkelijkheid, door bijvoorbeeld niet te spreken van Blankenberge maar van Borgen, en deze maskering voorzag hij bovendien van 'poëtische aanvullingen'. De vier delen Mijn woningen (Brulez zelf sprak van zijn 'vierliterfles') zijn in de eerste plaats romans, opgebouwd uit geromantiseerde memoires, waarin toch niet al te ver van de historische feiten wordt afgeweken.

Het verbaasde Brulez als lezers hem attent maakten op zogenaamde onmogelijkheden in zijn beschrijvingen: beseften die lezers niet dat hij waarheid en verbeelding met elkaar had vermengd en dat de onderlinge verhouding tussen die twee moeilijk procentueel viel te becijferen? Van dergelijke 'kritische controle' moest hij niets hebben, al was hij anderzijds nooit te beroerd om er repliek en commentaar op te geven.

Zo komt in Het huis te Borgen een scène voor waarin de schrijver als klein jongetje uit het raam van hotelkamer nummer 35 naar de zee staat te staren. Dat kan niet, reageerde een latere gast van het hotel, vanuit kamer 35 kijkt men uit op de gevels aan de overkant van de straat. Hierop reageerde Brulez dat in zijn kleuterjaren omtrent de eeuwwisseling bedoelde gevels nog niet zo hoog waren. En afgezien daarvan: zoals een radioloog zich permitteert door ons karkas heen onze hartkloppingen gade te slaan, zo mag een schrijver als hij dat verkiest dwars door huismuren heen naar de pulsaties van eb en vloed kijken. “Dit is zelfs zijn primordiale plicht!...”

In het laatste deel van de quadrilogie, Het mirakel der rozen, motiveert Brulez zijn werkwijze uitvoerig, om te besluiten met:

“Ik zou mijn vierdelige fresco schilderen gewetensvol en natuurgetrouw; echt en waar voor zover mijn geheugen en observatie-vermogen mij geen parten speelden; natuurgetrouw voor zover de natuur geen korrectief behoefde, die de Fantasie gerechtigd is bij haar aan te brengen, zo dit de ekonomie van het verhaal ten goede komt.”

Vanzelfsprekend, maar kennelijk dient dergelijke beginselverklaring per schrijversgeneratie te worden herhaald. Goethe, dikwijls door Brulez geciteerd, formuleerde al als zijn bezonnen conclusie: Am farbigen Abglanz heben wir das Leben.''

Mijn woningen is Brulez' persoonlijke geschiedschrijving van de eerste helft van de twintigste eeuw. Men moet Belg zijn, danwel beschikken over meer dan middelmatige kennis van het maatschappelijke, culturele en politieke geharrewar dat het leven in België kenmerkt, om er als lezer ten volle de nuanceringen van te kunnen doorgronden.

Brulez' magnum opus kan in verschillende opzichten gelden als de voorganger van dat van Hugo Claus, Het verdriet van België, dat eveneens stoelt op een “philosophie de l'histoire”. Brulez' romancyclus, die afsluit aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, is behalve deels vermomde biografie en deels versluierde sleutelroman een facettenrijke spiegel van de Belgische geschiedenis, aan Vlaamse zijde decennialang beheerst door de Vlaamse Beweging. Taalstrijd, flamingantisme, activisme, collaboratie, de knoet van het clericalisme, frontbeweging, Van Severen en Degrelle, enzovoort, - bij een volgende heruitgave zou een in- of uitleiding gewenst zijn, die de komende lezers, ook de Vlaamse, als leidraad door de labyrinten kan dienen. Brulez zelf heeft nooit enige barricade beklommen en bleef glimlachend op afstand, in tegenstelling tot twee van zijn broers, Ferdinand en Lucien, die zich beide aan het activisme hebben gebrand.

Deel 2 van Mijn woningen, Het pakt der triumviren, roept de sfeer en het milieu van deze radicale beweging in ironische bewoordingen op. “Ikzelf was de weg van de gemakzucht gegaan”, noteerde de schrijver. “Het Pact had ons geen gemeenschappelijk denken en voelen gebracht en zou dit ook in de toekomst wel nooit doen.” Deel 3, getiteld De haven (gesitueerd in Brugge, in de roman Claven genoemd, “bijgenaamd 'die Middeleeuwse Scone”'), gaat over politiek gekonkel of hoe men het van collaborateur tot parlementslid kan schoppen.

Brulez schreef sierlijk en elegant, zijn toon was die van de causeur: aangenaam badinerend, puttend uit zeeën van anecdotes en citaten, speels, wijs, erudiet. “Laten we de glacéhandschoenen van de tact aantrekken, een fleske van nog ongetroebelde inkt ontkurken en een behoedzame pen tot kalligrafische tucht dwingen.” Literatuur, verklaarde hij, was voor hem niet een liefde voor het leven, maar “'liefde bij tussenpozen', een begenadiging die men evenmin zoeken kan als ontwijken”.

Raymond Brulez, de Vlaming met twee Franse namen, volgde middelbaar en universitair onderwijs in het Frans te Brussel. Hij bleef zijn hele leven georiënteerd op de Franse cultuur en letteren en maakte, zoals ook ettelijke andere Vlaamse auteurs van zijn generatie, een 'taalcrisis' door toen hij moest besluiten of hij in het Nederlands of het Frans zou gaan schrijven. Hij zou zich van beide talen bedienen: Nederlands voor zijn romans, novellen en toneel, Frans voor zijn essayistiek. In het Franstalige weekblad Cassandre verzorgde hij in de jaren dertig een kroniek van de Vlaamse en Nederlandse literatuur, in boekvorm uitgebracht onder de titel ücrivains flamands d'aujourd'hui (1938).

In een van die bijdragen, over Het land van herkomst van E. du Perron, verklapte Brulez, later zelf in zijn romans zo zorgvuldig en discreet met maskers en versleutelingen in de weer, wie er in Du Perrons roman in werkelijkheid schuil ging achter welk personage. Een 'erg beminnelijk' artikel, vond Du Perron, maar hij schreef Brulez toch een brief (24 februari 1936), overigens in charmante bewoordingen gesteld: “Zou u in een van uw volgende kronieken de bewering willen rectificeren dat Graaflant, Wijdenes en Héverlé - Greshoff, Ter Braak en Malraux zouden zijn? Er zijn waarheden voor de happy few, waar het grote publiek niets mee te maken heeft ( )”. Brulez publiceerde de gevraagde rechtzetting en Du Perron meldde Jan Greshoff: “Inderdaad, Brulez moet een geschikte kerel zijn. Ik zou hem graag eens ontmoeten”. Of ze elkaar ooit tegen het lijf zijn gelopen, is niet overgeleverd, maar al eerder, in 1935, had Du Perron voorgesteld de Vlaamse, al te roomse en preutse redactieleden van het tijdschrift Forum te vervangen door Raymond Brulez, Willem Elsschot en Lode Zielens: de Nederlandse Forummers waren hem meer dan welgezind.

Ikzelf heb Brulez één keer ontmoet, begin 1970, bij hem thuis aan de middagmaaltijd genood, Kardinaal Micaralaan 92 in het Brusselse Oudergem. Hij bijna vijfenzeventig, ik nog geen dertig. Hij woonde alleen, de spijzen werden opgediend door een beschaafde dame die tijdens onze dis achter de schermen bleef. Met haar verstond Brulez zich in het Frans, hoewel ik haar, toen ze de voordeur voor mij opende, een helder Vlaamskelig Nederlands had horen spreken. Alsof zij dus de personificatie vertegenwoordigde van zijn essayistiek, en ik die van zijn verhalend oeuvre: hij en ik spraken Nederlands. Ik herinner me de galante zwier van zijn taal, zijn woordenrijkdom en geestigheid. Hij doorweefde zijn betogen met veel aforismen en gevleugelde woorden in alle talen die hem ter beschikking stonden. Ik besefte dat ik mij tegenover 'de Vlaamse Voltaire' bevond. Hij was een charmante grijsaard, ongeveinsd vriendelijk en belangstellend. Onder meer vertelde hij hoe hij ooit de grote Vlaamse dichter Karel van de Woestijne, neergezegen op een caféterras in Gent, een versnapering had horen bestellen... in het Frans! Het moest een anecdote van tenminste een halve eeuw tevoren zijn geweest, maar hij was er nog altijd beduusd van. Hierop kwam de huishoudster de borden en schalen afruimen en onderhield de heer Brulez zich opnieuw met haar in de andere dan de Nederlandse taal die in Brussel wordt gesproken.

Ik was allerminst beduusd, want had wel meer grote Vlaamse schrijvers Frans horen spreken. In zijn contacten met de van origine Waalse uitgeefster Angèle Manteau bediende Herman Teirlinck zich van het Frans, ook Johan Daisne, ook Marnix Gijsen, ook Karel Jonckheere nu en dan. En ook Raymond Brulez. Voor Vlaamse intellectuelen bleef de 'taalcrisis' uit hun jonge jaren als een bestendige jeuk in hun ziel aanwezig. Al zetten ze zich allemaal in, ieder naar hun aard, voor de officiële aanvaarding van het recht om in eigen land de eigen taal, het Nederlands dus, te mogen spreken, in hun manier van denken bleef het Frans levend aanwezig als een geheime grote liefde. Het gaf cachet en rijkdom aan het Vlaamse intellectuele leven en het is te betreuren dat dit gracieuze aspect met de dood van Brulez en zijn generatie uit de dagelijkse omgang is verdwenen.

Brulez als flamingant? Hij kwam als zodanig, schreef hij, niet veel verder dan het koesteren van “het naïef verlangen dat alle Vlamingen, van de ingenieur tot de landman, van de kruidenier tot de edelman, enthousiaste lezers zouden worden van Karel van de Woestijne en liever nog van Boutens en Leopold...”

Als hij zou hebben besloten, in het Frans te publiceren, zou zijn roem allicht groter zijn geweest. Dat hij in het Nederlands schreef, heeft hem weinig geluk gebracht. Het zat hem bepaald niet mee en later zou hij zelfs, licht verbitterd over zijn miskenning, spreken van “een krenking mijner waardigheid”.

“Het lijkt wel zo dat een letterkundige - net als een sportbeoefenaar - behoefte heeft aan een 'coach', die hem moed moet inspreken en de materiële hinderpalen uit de weg ruimen, die de voorspoedige ontwikkeling van zijn loopbaan dwarsbomen.” Dit schreef Brulez aan het eind van zijn leven in zijn herinneringenboek De toren van Lynkeus (1969).

Hij heeft het zonder 'coach' moeten stellen.

Zijn debuutroman, André Terval, ondergetiteld “Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid”, voltooid in 1919, zou pas verschijnen in 1930, waarbij de schrijver ook nog zelf moest opdraaien voor de drukkerskosten. Al die jaren was er geen uitgever in geïnteresseerd, want het boek zou te 'libertijns' zijn volgens toenmalige Vlaamse opvattingen. De in illo tempore nog zeer oppassende en katholieke schrijvers Gerard Walschap en Marnix Gijsen, door wiens morele kortzichtigheid Forum in de wijwatervont zou verzuipen, verwierpen André Terval, zo schrijft Brulez, “op grond van dezelfde ethische en religieuze bezwaren die men later van orthodoxe zijde tegen hun eigen romans zou doen gelden”. Dat de roman autobiografisch zou zijn, is de auteur stelselmatig blijven ontkennen: “André Terval, ce n'est pas moi.”

Het idee voor het boek was ontstaan in 1915 toen hij, twintig jaar oud, een reproduktie van Watteau's schilderij l'Indifferent onder ogen kreeg. Daarop wandelt een elegante page met evenwichtige schommelende armen in een park. Plots ontvonkte in Brulez de vraag: hoe zou die jongeling gereageerd hebben als hij in de twintigste eeuw, kort voor de Eerste Wereldoorlog, had geleefd? De achttiende eeuw in de twintigste eeuw geschoven, de Verlichte ideeën uit de tijd van Voltaire en Diderot getoetst aan de grimmigheid van de daarjuist ontwaakte twintigste eeuw, ruw opgeschrikt door moderne oorlogvoering. André Tervals 'gelijkmoedigheid' bestaat uit ironie zonder cynisme en uit relativering zonder tot onbetrokkenheid te vervallen. Waakzaam maar lucide, geëngageerd maar sceptisch en in ieder geval zonder geloof in wat dan ook. In André Terval vindt men Flaubert geciteerd: “la résignation, cette forme tranquille du désespoir”: berusting, die milde vorm van wanhoop... Vlaanderen was er niet rijp voor, Brulez kon fragmenten uit zijn roman voorpubliceren in het ietwat rebelse tijdschrift Het Fonteintje, waarin hij zich vrijdenker kon voelen onder vrijdenkers als Richard Minne, Raymond Herreman en Joris Vriamont, al ging van het periodiek weinig 'coach'-allure uit.

Op gelijkaardige associatieve manier als het idee voor André Terval in hem ontkiemde, is ook ander werk van Brulez ontstaan. Het verhalenmozaïek Sheherazade of literatuur als losprijs (1932) drong zich aan hem op bij het beluisteren van Rimsky Korsakoffs symfonische suite Sheherazade (welke muziek Brulez trouwens “niet buitengewoon” vond). Tot deze “contes philosophiques” behoort het verhaal “De fatsoenlijke faun”. Kwam het personage André Terval uit een schilderij geschreden, onderhavige faun dankt zijn bestaan in Brulez' oeuvre doordat de schrijver op zekere dag een meisje rozen zag plukken in een naburige tuin, waarin zich ook een vogelverschrikker bevond. Aanvankelijk filosofeerde hij over een dialoog tussen het meisje en de tuinpop, “maar spoedig wijzigde zich dit eerste opzet”: de samenspraak zou moeten worden gevoerd tussen de vogelverschrikker en een faun, die verliefd is op het meisje. “De faun werd het symbool van de Natuur die toenadering zocht tot de menselijke cultuur; terwijl het meisje precies de geblaseerde, overbeschaafde cultuur is, die terugwil naar de primitieve Natuur.”

Bestaat het werk van Brulez soms uit filosofische rebussen? Ook novellen als De laatste verzoeking van Antonius (1932) en De verschijning te Kallista (1953) zijn met veel wijsgerigheid en symboliek bemeubeld, evenals zijn toneelstuk De beste der werelden (1953), geënt op Voltaires Candide. De schrijver zelf verzekert zijn lezers dat zijn werken, los van filosofische achtergronden, gerust kunnen worden genoten “als loutere spelen der fantasie”. Alleen heeft hij wel, zo bekent hij, een poos gedweept “met de platonische opvatting dat ieder verschijnsel in de natuur en in het leven niets anders is dan de weerspiegeling of de belichaming van een idee. De hoofdtaak van gelijk welke kunst moest er in bestaan deze idee te ontdekken en tot haar recht te doen komen”.

Ook dit week af van wat in Vlaanderen onder literatuur werd verstaan: men las in Brulez' beginjaren bij voorkeur de gezellige pretwerken van Ernest Claes en Felix Timmermans en men dacht dat bijvoorbeeld Maurice Roelants prachtige psychologische romans schreef. De intellectuele Brulez zou een 'coach' gevonden hebben in een vooraanstaand criticus. Maar August Vermeylen kwam niet verder dan hem “een zeer oorspronkelijke en wellicht enige figuur” te noemen, Menno ter Braak heeft nooit een afzonderlijke bespreking aan enige titel van Brulez gewijd.

Toen zijn naam een beetje klank begon te krijgen, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Daarna was alles anders. De 'zondagsschrijver' Brulez zag zijn quadrilogie Mijn woningen over het algemeen welwillend besproken, voor het eerste deel ontving hij de driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend proza, maar hij werd al beschouwd als een schrijffossiel uit een voorbije époque. Tot herdruk van zijn vroegere werk kwam het nauwelijks, nieuw werk kreeg geen aandacht meer. Zijn laatste verhalenbundel, Proefneming tot eenzaamheid (1970), is in stilte verschenen en verdwenen. Het alleraardigste bundeltje Diogeentjes (1964), vinnige, scherpzinnige, geestige notities over litaraire en andere theorieën en -ismen, is door geen hond besnuffeld, door geen vlieg betrippeld. In 1965 kreeg hij vanwege zijn zeventigse verjaardag een huldestuk van Karel Jonckheere in Het laatste Nieuws:

“Hij is een goed mens, een aparte, een zeer gezonde geest. Hij is geen schooier om waardering of glorie. Ik hoop dat we zo verstandig zullen zijn weldra papier te bestellen voor zijn verzameld werk.”

De laatste heruitgave van Mijn woningen, in twee boekbanden, enthousiast ingeleid door Pierre H. Dubois, dateert van 1986 (Meulenhoff, Amsterdam). Andere titels van Brulez zijn al decennia uit roulatie, ten onrechte ten prooi aan onverschilligheid. En het verschijnsel 'Verzameld werk' begint uit de gratie te raken, nu uitgevers uitsluitend nog maar aan 'flitsende verkoop' en 'snelle omnzet' denken.

Raymond Brulez, in het maatschappelijke leven adjunct-directeur-generaal van de BRT-radio, overleed in Brussel op 17 augustus 1972.

In André Terval had hij geschreven:

“. . . ik verkies een vrijwillige lethargie boven al die drukte van wat toch eens tot het niet moet terugkeren; ik wil mijn boeken wegsluiten en mijn ziel ongevoelig maken, opdat de ironie van de eeuwige bespiedster die mij eens tot as zal herleiden, niet zo ondragelijk weze.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden