In Zuid-Afrika

'In Johannesburg slapen we in een mooi huis in Melville, op een heuvel. Het is zo gebarricadeerd, dat ik twee ijzeren hekken moet openen om bij de eetzaal te komen. En toch heerst er een bijna overspannen gezelligheid als we 's avonds ergens in het buurtschapje gaan eten, het lijkt op het Berlijn van voor de val van de Muur, een soort nervositeit die verslavend is.'

Wait for the green man, zegt het bordje bij het voetgangerslicht in Durban. Ik kijk wat besluiteloos in het rond, maar zie alleen diepzwarte Zoeloe's en wat haastige blanken. Blijkbaar is niet alleen het Afrikaans een taal vol verrassingen. Flatten your hunger, not your purse, roept een fastfoodketen ons toe, en een billboard voor een groot telefoonbedrijf spreekt familiair van Cousins terwijl zoiets als 'beste mensen' wordt bedoeld. Een garage verschaft lubricant service, het mededelingenbord van een Hindu-tempel zegt All major prayers are undertaken. Het Afrikaans is letterlijk vertaald, ontdek ik later. Evengoed krijg ik het gevoel dat Afrika zelf de taal van de eens zo machtige Commonwealth is binnengeslopen, en nu groeit die weelderig alle kanten op, net als de vele planten en bloeiende bomen, die van elders in Afrika zijn geïmporteerd door de kolonisten, en het straatbeeld bepalen.

De rigide orde van het oude rijk wordt angstvallig gehandhaafd - in de hiërarchie van het vele personeel, in de schooluniformen van de zwarte kindertjes, men loopt aan de linkerkant de trap op en af (auto's rijden links), er zijn golfcourses en paardenraces en zelfs een Ice Rink, zodat je bij dertig graden Celsius kunt gaan schaatsen. Binnen, natuurlijk. Buiten op straat woekeren de stalletjes met groengele sinaasappelen en bananen en kleine kleurige sieraden. Bij elk stoplicht hangen wel een paar verkopers rond met alle mogelijke huishoudelijke spulletjes, of gewoon bedelaars. Eenmaal zie ik een heel gezin bedelen, man, vrouw en vier kinderen, zittend op de vluchtheuvel bij een kruispunt. Het oudste kind, een meisje van hoogstens acht, houdt de baby vast.

Durban, The Last Outpost of the British Empire, houdt moedig stand met haddock en oats en pancakes en niertjes, bij het ontbijt, terwijl de donkere serveerstertjes onderling een onbegrijpelijk en welluidend Zoeloe spreken ('isiZoeloe' liever gezegd, want dat is de taal), en de Indische ober mij graag alles over de Hindu-tempels uitlegt.

Durban is 82% Zoeloe, 13% Indiërs en 5% blank. In deze opsomming lijkt het alsof 'blanken' ook een etnische denominatie is. Het merendeel ervan, in de provincie Kwazoeloe-Natal, is Engels, in de overige provincies van Zuid-Afrika wordt door de blanken veel Afrikaans gesproken. Zelfs is er in Freestate, het vroegere Oranje Vrijstaat, een gebiedje met (blanke) Afrikaners die binnenslands een eigen neo-Apartheidskolonie begonnen zijn, toen de apartheid werd opgeheven. De plaatsnaam luidt 'Orania', naar het Oranje van ons vorstenhuis. Eigen site of 'webtuiste': www.orania.co.za .

De eerste dagen versta ik het Afrikaans nauwelijks, maar er komt een moment dat iemand na een poëzielezing meer wil weten, en dat ik mij pas bij de tweede vraag realiseer, dat de voertaal Afrikaans is. De inheemse Engelstaligen kunnen het Afrikaans, en mijn Nederlands, redelijk volgen. Iedereen is hier meertalig, het land telt officieel elf talen. De Afrikaanse talen behoren tot de (oorspronkelijk Westafrikaanse) Bantoe-groep, ernaast vind je Engels, dat toeneemt, en Afrikaans, een taal met een groot reservoir aan 17de- en 18de-eeuwse Nederlandse en Vlaamse woorden. De Bantoe-groep in Zuid-Afrika valt uiteen in twee subgroepen, Sesoetoe (oa. het Soetoe) en het Nguni (oa. het Xhosa en het Zoeloe). Oudpresident Nelson Mandela en de huidige president Thabo Mbeki zijn Xhosa.

Ergens in een boekhandel pak ik een lesboekje op met de olijke titel Clicking with the Xhosa. Zijn die klikgeluiden klinkers of medeklinkers? Vermoedelijk is het een derde vorm. Dat wordt mij in Johannesburg bevestigd door een Xhosa. Klikgeluiden klinken vlak voor medeklinkers, vertelt hij, en doet het voor, bij 'k', bij 'q'. Hij is Brits beleefd, maar schiet in de lach als ik het ook probeer.

Mijn eerste passie, als dichter, is taal. Ik begin gesprekken met taxichauffeurs en serveersters, ik laat mij woorden en uitdrukkingen uit zoveel mogelijk talen voorzeggen, vergeet die dadelijk weer, al blijft de melodie ervan hangen, en houd een dagenlange uitwisseling gaande, van ontbijt tot lunch tot diner tot enzovoorts, over de ontstaansgeschiedenis en betekenis van alle mogelijke woorden in het Afrikaans, met de lexicografe van het gezelschap tijdens het 'Nederlandse Beraad'. (NB: 'Nederlandse (Beraad)', niet 'Nederlands'.) De grammatica van het Afrikaans wijkt af van onze Nederlandse, met als meest opvallende kenmerk, dat het werkwoord niet vervoegd wordt. Baie (Afrikaans voor 'heel', 'erg') gemakkelijk.

Bij zoveel kleur, natuur, taal, en heerlijk eten zou je bijna vergeten, dat het gewoon twee werkweken zijn. Peter Ghyssaert en ik vertegenwoordigen in persoon twee vormen van het Nederlands (of, van het Vlaams?), en op vier universiteiten, in de onderling heel verschillende steden Bloemfontein, Durban, Johannesburg, Pretoria en Potchefstroom luisteren de studenten aandachtig naar de klank en de melodie van onze teksten. We lezen gedichten die ze met hun docenten hebben besproken, en vertellen eromheen, en beantwoorden vragen. Als ik tegenover de kleine groep studenten zit, aan de universiteit van KwaZoeloe-Natal (die vijf campussen heeft), zie ik niet alleen blank-met-sproeten-en-blauwe-ogen, maar alle mogelijke huidskleuren. Ze spreken een Afrikaans, dat net zo zangerig is als het gekwetter van de kleurige zwaluwen (swals) die 's morgens op mijn balkon zitten. De meeste vragen betreffen woordbetekenisssen. Wat is 'laars'? 'Stiefel'. Wat is een 'fietsenstalling'? Langs de roodbestofte wegen van Zuid-Afrika lopen de mensen, urenlang, of ze rijden, in SUV's. Fietsen zijn er nauwelijks, ook op de campus niet.

Bij toeval is in Durban de negende editie van het internationale schrijversfestival Time of the Writer aan de gang. Nederlandse gast is Abdelkader Benali, die verrast is me hier te zien -- nauwelijks tien dagen geleden traden we allebei in Amsterdam op -- en hij troont me mee naar Marita van der Vyver. Onze gastheer Andries Visagie houdt een dubbelinterview met haar en met Ingrid Winterbach, beiden grote Zuid-Afrikaanse auteurs. De prachtige, trage schrijfstijl van Winterbach is ook aanwezig in haar spreken, zoals bij Van der Vyver het aangename vinnige. Andries' vraag naar de plot in hun werk wordt door Winterbach op hilarische wijze weggewuifd met een neologisme dat ze ter plekke bedenkt, I need to plotify my novel!. Beide auteurs vertellen cirkelend in hun werk, op een wijze die ik later tegenover Marita aarzelend 'vrouwelijk' noem. Ze beaamt dat, maar zegt er direct bij, dat als we een 'paneel' (Afrikaans voor 'forum') zouden organiseren over het vrouwelijk spreken, ook een 'paneel' over het mannelijk spreken nodig is. 'Taal groeit direct uit lichaam, uit de buik', en ze omklemt haar middel. We zijn als zwanger van taal.

De taal is bij Winterbach en Van der Vyver zo lichamelijk als de mystiek van al die godsdiensten hier. Mijn andere passie is religie, en op een late, warme namiddag, wanneer Peter en ik keuvelend over het strand wandelen van de Indische Oceaan, en er half inlopen, en bijna worden weggezogen door het trekken van de stroming, door de blauwgroene brekers op het zinderend rode strand, zie ik aan de waterlijn een zwarte vrouw knielen, met een jongetje. Ze heeft een plastic emmer voor zich staan, en schept er telkens handenvol water uit, over haar hoofd, over het hoofd van het jongetje. Even rondkijkend, dat niemand zal zien wat ze doet, werpt ze fruit en kaarsen de zee in. Ik tel negen stuks fruit, en negen kaarsen van verschillende kleuren. In Haïtiaanse Vodou zou dat voor de voorouders zijn, negen is hun getal. En warempel, als ik het vraag aan zomaar een andere vrouw op het strand, zegt ze precies hetzelfde, en dat de voorouders in de zee wonen, en dat het een Zoeloe ritueel is.

De Zoeloe's zijn trots op hun cultuur, en vertellen honderduit op al mijn vragen - de taxichauffeur, die armbandjes om heeft van geitenhuid met het haar er nog op (first I pray, and then I cut a piece of goatskin), de mevrouw van het African Art Centre (waar Peter en ik veel te veel geld uitgeven aan prachtig kralenwerk), de marktvrouwen, die met geneeskundige kruiden en houtsoorten in lange rijen op de grond zitten. Wie van hen een kapje met lange rijen witte kralen draagt, is een sangoma, een priesteres die het contact met de voorouders onderhoudt. 'We branden kruiden, en we zingen en bidden, en dan komen de geesten van de voorouders, en fluiten om ons te begroeten. Mijn overgrootmoeder was een sangoma, en die kon ons precies vertellen, wat er werd gezegd'. Ik koop zo'n kapje met korte kralensnoeren voor en lange snoeren achter. Als ik het even opzet, zie ik eruit als Cleopatra.

Peter en ik wandelen over de markt, en staan ineens vlak voor de kathedraal van Durban. Durban is een aartsbisdom, en heeft zelfs een kardinaal. In de kerk is het koel, in het midden zitten en staan vrouwen, even kleurig als erbuiten op de markt, met kinderen op de heup of in de arm, en ze zingen. Yethi, yethi, yethi... Maria... Het Ave Maria in het Zoeloe. Ik schuif naast een oude vrouw op de kerkbank en zing het mee. Ze kijkt naar me, van opzij, en articuleert extra helder zodat ik het kan meezingen. De melodie is dezelfde.

Het christendom is maar één godsdienst temidden van vele andere. Vanmorgen kreeg ik in een typisch Noordindische Hindoe-tempel de vraag, 'of ik vlees gegeten had bij het ontbijt', toen ik het beeld van de god Hanoeman van dichtbij wilde bekijken. Dat had ik niet, ik had alleen yoghurt en fruit gegeten, en dus mocht ik mijn schoenen uitdoen, en er dichtbij komen, en bidden voor een goede terugreis en een muntstukje achterlaten.

Er zijn ook moslims in Durban. Ergens in een winkel pak ik een stenciltje van een stapel, de profeet Mohammed wordt erin met alle mogelijke vreemde citaten (Carlyle, Lamartine, Shaw) aanbevolen. In een rijtje grote tsja, wat eigenlijk? lees ik dit rijtje namen: Gandhi, Confucius, Alexander, Caesar en Hitler. En een uitgebreid citaat uit Mein Kampf, gespeld als Mein Kamp. Er is niemand anders die een papiertje meeneemt.

Twee weken in Zuid-Afrika, al die verschillende steden, al die talen, al die godsdiensten. Peter kijkt mij vertwijfeld aan op de zoveelste luchthaven. Hello, old sport! roept hij plagerig, met zwaar Brits accent. Alles is anders, alles is hetzelfde. Het is overal gevaarlijk. Het strand dat overdag vol mensen is, loopt leeg in de namiddag, om vijf, zes uur, omdat het 's nachts zo gevaarlijk is, dat een toerist er vermoord kan worden om een zonnebril. In Johannesburg slapen we in een mooi huis in Melville, op een heuvel. Het is zo gebarricadeerd, dat ik twee ijzeren hekken moet openen om bij de eetzaal te komen. En toch heerst er een bijna overspannen gezelligheid als we 's avonds ergens in het buurtschapje gaan eten, het lijkt op het Berlijn van voor de val van de Muur, een soort nervositeit die verslavend is. Aan het tafeltje naast ons zitten vier jonge mensen, de enige andere mensen in het restaurantje. Ze lijken studenten, maar gedragen zich als de eigenaars van de zaak, en als handelaars, met veel gedoe van mobiele telefoons, en in en uit geloop. Drugs?! Niets is hier wat het lijkt. Misschien zie ik wat er niet is, of misschien zie ik niet goed wat er wel is -- bijvoorbeeld, het verleden.

Elke dag van mijn reis door Zuid-Afrika denk ik aan de romantische en treurige geschiedenis van mijn Oudtante, die verloofd was met de Vrijstaatse Johan van der Merwe, en dat hij stierf voordat het huwelijk voltrokken kon worden, en hoe mijn Oudtante, toen misschien 26 jaar, vertrok naar haar bijna-schoonfamilie en er heel lang bleef. Als ik het zomaar ineens vertel aan auteur Ingrid Winterbach, kijkt ze mij peinzend aan. 'Je Oudtante was anderhalf jaar in Zuid-Afrika? Terwijl ze maar drie weken zou blijven? Wanneer, in 1920, 1921? Heb je weleens bedacht...' - hier aarzelt ze, Ingrid is vrij gereserveerd - 'Was ze misschien zwanger...?'

Het ontploft in mijn buik als een ouderwetse landmijn. Nooit heb ik aan die mogelijkheid gedacht, maar jawel, dat zou een hele goede verklaring kunnen zijn. Of het nog valt na te gaan, ik weet het niet. Na mijn artikel in Letter & Geest van 18 maart jl. kreeg ik een groot aantal emails van lieve lezers en lezeressen, die mij erop wezen, dat mijn bijna-Oudoom Johan van der Merwe gestorven was te Harderwijk op 24 april 1918, misschien aan de Spaanse griep. Ik had het werkelijk niet gevonden, en ik wist ook niet, dat Harderwijk de legeringsplaats was voor West-Indië en Zuid-Afrika (via Amsterdam). Misschien zijn er nu lezers die mij een goed idee aan de hand kunnen doen. Wat kan er gebeurd zijn met Machelina de Rooij die omstreeks 1920 anderhalf jaar verbleef te Bloemfontein en/of Bethlehem?

Ik denk wel dat de familie van Johan van der Merwe in goede doen was, want ik herinner me een foto van dames in enorme witte crinolines, met witte hoeden, bij zo'n ouderwetse auto, met spakenwielen. Op zeker moment, na een poëzielezing van Peter Ghyssaert en mijzelf, laat ik de cijferlijst van de jong-overleden Johan zien aan Gijs Dubbeld, die aan de Universiteit van KwaZoeloe-Natal doceert. Gijs bekijkt de cijferlijst uit 1909, 1910, 1914, met vakken als 'Kraanwagen', 'Loopkat', 'Wormoverbrenging', 'Drijfstang', 'Drijfwerk' en 'Locom: veiligheid', en zegt zonder enige verbazing, 'Dat is voor de staalindustrie, mijn vader werkte daar', en hij vertelt, dat er in Pretoria rond 1920 veel staalindustrie was, later ook in Johannesburg. 'Het is ooit opgezet door ene Peter Delius, een Nederlandse staalmagnaat'. Dat verklaart waarom iemand uit het binnenland van Zuid-Afrika aan de (toen nog) TH te Delft gaat studeren. Alweer een schakeltje dichterbij de kern van deze romantische geschiedenis.

De achtergrond ervan ervaar ik, als ik door het museum voor de Anglo-Boer War loop, in Bloemfontein. Het is een vergeten oorlog, in Europa, maar de tableaux, en het standbeeld maken sentimenten in mij wakker waarvan ik niet wist, dat ik ze bezat. Ergens in een ver verleden moeten grootouders mij hiervan gesproken hebben, met groot respect voor de Boeren. Het woord 'Boer', met hoofdletter, is in mijn ziel geëtst, merk ik, maar als ik erover in de krant lees, in Nederland, gebeurt er niet wat hier gebeurt, dat er een besef van autonomie wakker wordt, en van vrijgevochten zijn. Ik maak er maar weer een foto van, van dat standbeeld, van die vrouw, in brons, met een klein kind op de arm, die afscheid neemt van haar man die uitrijdt naar een slagveld. Misschien is wat er wakker wordt een eeuwig besef. Dit is het domein van de vrouw. Dit is het domein van de man. Het kind, het huis. Het slagveld. In het vliegtuig van Durban naar Johannesburg zit ik naast een onopvallende man. Hij is diepzwart, en werkt gehaast op een oude, rammelende laptop. Ik ben nieuwsgierig, vraag naar zijn beroep. LoveLife, zegt hij. Ik denk dat ik het verkeerd versta. 'HIV', spelt hij vriendelijk, en vertelt, dat hij een voorlichter is in de AIDS-preventie-organisatie. Ik luister stil. Een slagveld. Heel Zuid-Afrika. üén van die kalme, moedige werkers tikt aan zijn knalpaarse pet, knikt vriendelijk, en loopt gehaast het gangpad af, naar de uitgang.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden