In ’Waiting for the Barbarians’ leidt angst voor barbaren tot extreem geweld

In een recent interview was componist Philip Glass helder over de politieke lading van ’Waiting for the Barbarians’: zijn nieuwe opera heeft een duidelijke verbinding met de oorlog tegen terreur.

Glass’ eenentwintigste muziektheaterwerk, naar het gelijknamige boek van J.M. Coetzee, is de komende dagen in Nederland te zien, nadat het in 2005 in première ging in het Duitse Erfurt.

Sinds Guy Montavon in 2002 als intendant aantrad aan de opera van Erfurt, is deze voormalige Oost-Duitse stad in cultureel opzicht bezig aan een facelift. Montavon wist het operahuis vorig seizoen op de wereldkaart te zetten door niemand minder dan Philip Glass de opdracht te geven voor een nieuwe opera, ’Waiting for the Barbarians’. In 2003 werd bovendien het nieuwe Theater Erfurt geopend, vaste speelplek voor de opera. Een strak gebouw met veel glas en abstracte geometrie, dat een zekere grandeur uitstraalt. Zoals ook de stad zelf sinds de val van de muur stevig onder handen werd genomen en in niets meer herinnert aan de grauwe DDR-tijd.

Deze week krijgt ’Waiting for the Barbarians’ een nieuwe standplaats en doet de Erfurter productie Amsterdam aan. Wat opera betreft heeft Glass een speciale band met Nederland: zijn tweede tot en met vierde opera’s ’A Madrigal Opera’, ’Sayagraha’ en ’The Photographer’ beleefden begin jaren tachtig hun premières in Nederland, bij De Nederlandse Opera en in het Holland Festival.

Het libretto voor ’Waiting for the Barbarians’ werd gemaakt door Christopher Hampton, naar het boek van de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar Coetzee. Hampton, bekend van films als ’Dangerous Liaisons’, werkte voor het libretto nauw samen met Coetzee. ’Wachten op de barbaren’, zoals het boek in het Nederlands heet, vertelt het verhaal van een naam- en tijdloze nederzetting aan de rand van een al even naamloos Rijk. Hoofdpersoon is een magistraat, wiens vreedzame bestuur eindigt met de geruchten dat de ’barbaren’ de stad over willen nemen. Het Rijk stuurt kolonel Joll en zijn leger tegen die onzichtbare indringers op pad. De magistraat krijgt een korte verhouding met een ’barbarenmeisje’, brengt haar terug naar haar eigen volk en wordt zelf als barbaar gevangen gezet. De actie van het leger draait ten slotte op een mislukking uit. De troepen verlaten de ontwrichte stad en de magistraat keert gehavend terug naar zijn gemeenschap.

Hoewel Coetzee in zijn allegorie (de titel komt van een gedicht van Kavafis) uit 1980 versluierd verwees naar de situatie in zijn eigen land, ziet Glass ook duidelijke parallellen met de huidige tijd. In een Amerikaans interview zei de componist zelfs dat het boek van Coetzee hem erg deed denken aan ’1984’ van George Orwell: ook zo’n fantasie die werkelijkheid werd. „Het verhaal zou over bijna elke moderne staat kunnen gaan”, aldus Glass in het eerder genoemde interview. „Het Rijk voelt zich bedreigd door de barbaren, die onzichtbaar blijven. Terwijl de enige mensen die buiten de nederzetting wonen, vissers zijn. Dus creëert het Rijk een oorlog omwille van de oorlog. Op een gegeven moment zegt een personage: natuurlijk keuren we martelen niet goed, maar in een noodsituatie begrijpt iedereen dat we wel moeten.” Toch wil Glass zijn opera geen politiek werk noemen. Hij zegt veel meer geïnteresseerd te zijn in sociale onderwerpen: de menselijke mogelijkheid jezelf te veranderen, binnen de context van de samenleving.

Over verandering gesproken. Het is interessant te horen hoe de componist van minimal music (Glass heeft een hekel aan dat predicaat dat de lading niet dekt) zich in zijn muziektheatrale taal ontwikkelde sinds zijn eerstelingen. Met kleine stapjes, zoals het een goede minimalist betaamt. Gebroken akkoorden zijn inmiddels vervangen door pendelbewegingen tussen twee tonen en toonladderfiguren, de zanglijnen zijn langer en lyrischer dan in zijn vroegere werken en er komen expressieve climaxen voor bij belangrijke handelingen. Binnen zijn zelfopgelegde beperking lijkt Glass’ taal vrijer dan ooit, met hier en daar zelfs muzikale gestaltes die aan Britten (Peter Grimes) of Debussy doen denken.

Ook het libretto van Hampton boog Coetzee’s boek naar een Britten-achtige thematiek toe: de vredelievende eenling (de magistraat, uitstekend vertolkt door Richard Salter) in een geïsoleerd oord, verwikkeld in een verboden liefde en verpletterd door het geweld van de anderen. Glass voorzag die eenzaamheid van een orkestratie en cast waarin de basklank sterk geprononceerd werd. Met een contrabasklarinet als diepste klagende stem en slagwerk als martiale factor.

Ook de enscenering van George Tsypin, met zijn half doorschijnende doeken als muren, bedoeïenentent en woestijn benadrukte die tegenstelling tussen de magistraat en zijn omgeving; de enscenering van Montavon was hier en daar te één-op-één. Mooie rollen voor Eugene Perry als wrede commandant Joll, de Nederlandse Kelly God (wat een stem, wat een podiumverschijning) als kokkin en een overtuigende Elvira Soukop als barbarenmeisje.

Mooie visuele vondst op de uitgebeende, archaïsche bühne zijn de aan touwen opgehangen cocons: spookachtige mummies die van binnenuit worden verlicht. Net zoals het koor, dat voor het grootste deel van de voorstelling vanuit de bak vocalises zingt. Geestachtige verschijningen, negatiefbeelden van de nimmer verschijnende barbaren waar het dorp zo bang voor is. Glass: „De barbaren zijn degenen die tegen de beschaving, tegen de samenleving ageren. Ze zijn de voorstanders van staatsterreur en -misbruik. En dat terwijl we ze nooit te zien krijgen.” Intussen is het volk getuige van en medeplichtig aan de plunderingen door zijn eigen leger. Het is alsof Coetzee en Glass willen zeggen: de barbarij, dat ben jij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden