In Svalbard gaat de zon pas in maart weer op

Bewoners van het Noorse Svalbard leven van november tot eind februari in duisternis. Alleen het noorderlicht, de maan en bouwlampen beschijnen de eilanden. Wat voor de één een tijd van depressies is, blijkt voor de ander een periode vol gezelligheid.

Longyearbyen baadt in een zee van licht. Alle straatlantaarns branden op volle kracht, op tal van plaatsen in het poolstadje zijn schijnwerpers vrijwel continu ontstoken en via de ramen van huizen, winkels en kantoren wordt ook nog eens de nodige hoeveelheid kilowatt licht verspreid. Zelfs in woningen die nog in aanbouw zijn, zijn de lampen aan – of het volgens de klok nu dag of nacht is.

Het is winter op Svalbard, en rondom de hoofdplaats van deze archipel in de ijselijke Barentsz-zee (die wij als Spitsbergen aanduiden) is het permanent duister. ’s Nachts en overdag. Van november tot eind februari zijn de ruim drieduizend inwoners van de Noorse nederzetting verstoken van daglicht. Alleen bij volle maan fleurt Spitsbergen een beetje op in het donker. Vandaar die straatverlichting die nooit uitgaat of dimt.

Dat is niet zo vreemd, want in Longyearbyen wil men graag zien wat er op straat gebeurt. Van hangjongeren hebben ze weinig last, van ijsberen die rondscharrelen op zoek naar voedsel des te meer. En dat heeft men hier liever niet. Hoe eerder zo’n dier wordt opgemerkt, des te sneller het beest door de plaatselijke politie kan worden verjaagd.

Buiten de bebouwde kom van Longyearbyen is het aardedonker. Dat blijkt overduidelijk tijdens de tocht op een sneeuwscooter. Gelukkig is sneeuw meestal wit, maar zonder het schijnsel van de maan zie je hooguit je eigen hand voor ogen. En soms wat vage contouren die bergen moeten voorstellen. Je moet maar vertrouwen op de koplamp van je scooter en op je dieselmotor.

Volgens een verhaal dat in Longyearbyen vaak rondgaat, is het bij de schepping van de aarde nooit Gods bedoeling geweest dat er zich mensen op Spitsbergen zouden vestigen. En van oorsprong was het land van de koele kusten ook onbewoond, totdat jagers uit Noord-Europa omstreeks 1200 de bijna duizend kilometer lange oversteek waagden en vierhonderd jaar later walvisvaarders (zoals de Hollandse) in de poolstreek opdoken.

Avonturiers en pioniers weten sindsdien de weg naar het koude noorden te vinden. Mijningenieurs zochten naar kolenvoorraden. Onderzoekers streken neer om het weer te meten, de ijsbeer of een arctische zeevogel te bestuderen, of om de geschiedenis van de walvisvaart in kaart te brengen. En een voor een moesten zij toegeven dat Spitsbergen inderdaad niet voor de mens geschikt was.

Maar nu is Longyear City, zoals de mijnkolonie ruim een eeuw geleden bij de stichting door de Amerikaanse zakenman John Munro Longyear werd genoemd, een plaats waar je vrijwel alles kunt kopen. Van een verse krop sla tot de nieuwste digitale camera, en van zilveren sieraden tot gekleurd wc-papier: het is te koop in de supermarkt. Net als zogeheten daglichtlampen.

In de werkkamers van het universiteitsgebouw op Spitsbergen branden er een paar. De medewerkers menen dat ze op deze manier dreigende depressies voorkomen, minder vermoeid raken, beter kunnen zien en hun dag- en nachtritme gemakkelijker onder controle kunnen houden.

Voor Constance Andersen is de blauwe gloed van de lamp een verschrikking. Zij is Nederlandse van geboorte, trouwde met een Noor, woonde jaren in de buurt van Oslo, werkt sinds 1999 op het toeristenbureau van Svalbardland en is vorige maand tot ’nieuwbakken Noorman’ genaturaliseerd zoals het plaatselijke weekblad Svalbardposten schreef. Constance kan niet tegen de kunstverlichting. „Het heeft een negatieve invloed op mijn lichaam. Zo’n lamp geeft mij te veel energie. Ik kan er hooguit tien minuten bij werken. Maar het permanente donker, daar kan ik ook niet tegen. Tegen de tijd dat het voorjaar wordt, ben ik de kluts kwijt. Dat is ook een belangrijke reden waarom ik over twee jaar, als ik uitgewerkt ben, terug wil naar het vasteland.”

Eind februari klimt het eerste streepje daglicht over de bergkammen rond Longyearbyen. Daar kijkt iedereen enorm naar uit. Wie de eerste glimp opvangt, belt meteen zijn vrienden om het te vertellen. Constance: „Het liefst stap je in de auto om achter de bergen te gaan kijken en om te zien of er ergens nóg meer licht is.”

In een restaurant in het winkelcentrum Lompen klinken andere geluiden. De serveerster van kakelverse salades steekt de loftrompet over ’de duisternis op Svalbard’. „Heerlijk”, verzucht ze. „Eindelijk rust, eindelijk even geen toeristen.”

Hoofdredacteur Birger Amundsen van de Svalbardposten heeft ook weinig reden tot klagen. „In deze tijd waarin het licht weg is, hebben we juist meer tijd voor elkaar. Ik kom uit de buurt van de Noordkaap van Noorwegen, waar het duister minder lang duurt. Maar ik kan niet zeggen dat ik daar heimwee naar heb.”

Er worden in de winter allerlei evenementen georganiseerd om de bevolking te wapenen tegen de donkere tijd. Een bierfestival, een jazzfestival, een bluesavond, een kunstbeurs, tentoonstellingen, zang, dans. „Zodra de poolwinter in oktober begint, worden we socialer”, bekent ook Constance Andersen. „Dan zie je dat mensen zich meer met elkaar bemoeien. Zit je tenminste niet zo alleen met je eigen gedachten.” Ze is blij dat ze één keer per maand voor haar werk even naar de vaste wal mag: „Niet om te winkelen, maar vanwege het daglicht.”

Een van de dingen die haar helpen om de donkere tijd door te komen, is het noorderlicht. Het spookachtige spel van groen en rood licht tegen de hemel, dat vroeger werd aangezien voor een heksendans, is zo fascinerend dat Constance’ camera op statief een vaste plaats op het balkon heeft om vooral niets te missen.

En dan is er het vooruitzicht naar maart, als de zon terug komt. Dat is eigenlijk de beste remedie tegen depressies. 8 maart is het niet de dag van de vrouwenemancipatie, maar de dag van de zon en van het licht. „Dat vieren we een week lang”, zegt Constance. „Met een revue waarin je nog één keer alles over iedereen kunt zeggen. ’De laatste kans’ noemen we dat.” .

Odd Magne KvÃ¥lshagen, die tochten voor toeristen met sneeuwscooters gidst, is in zijn element als de maan vol aan de hemel staat of het noorderlicht te zien is. De ongerepte natuur is verleidelijk, vindt hij: „Je móét hier naar buiten, je móét dat licht zien, ook al is het donker. Het is hier zo groots.”

Ook Leif Magne Helgesen, predikant van de lutherse kerk, is in zijn element in de ’hoofdstad van de arctische wereld’. „Wij voelen het als onze taak om mensen te helpen die last van winterdepressies hebben. Maar de moeilijkste tijd is als het licht teruggekomen is. Je ziet mensen weer op de scooter stappen of achter de kinderwagen lopen, maar het is ook een gevaarlijke tijd voor mensen met de neiging tot zelfmoord. Juist dan moeten we proberen contacten te onderhouden. Dan staat de kerk dag en nacht open.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden