In strafrecht meer accent op 'gerechte straf' na falen van resocialisatie delinquenten

Zaterdag publiceerden wij het eerste deel van een beschouwing van de oud-hoogleraar publiek recht S. W. Couwenberg over misdaadbestrijding en strafrecht na 'Van Traa'. In deze slotaflevering constateert hij dat er, ook wat de doelstellingen van de straf betreft, de laatste jaren sprake is van een zekere kentering.

Dit resulteerde o.a. in de maatregel van ter beschikkingstelling (TBS), de introductie van voorwaardelijke veroordeling en in vrijheidsstelling, het voorwaardelijke sepot door het Openbaar ministerie als middel tot gedragsbeïnvloeding en opneming van resocialisatie van de delinquent als doel van de vrijheidsstraf (in de Beginselenwet gevangeniswezen van 1951). Sinds de jaren zestig krijgt die ontwikkeling een nieuwe impuls door invoering van alternatieve (taak- of werk-) straffen en administratieve sancties ter bestrijding van maatschappelijk ongewenst gedrag.

Door de snel groeiende criminaliteit krijgt de vergeldingsgedachte de laatste jaren weer meer nadruk. Ook is er meer aandacht gekomen voor het leed van slachtoffers van criminaliteit, dat lange tijd op de achtergrond was gebleven. Sinds 1975 kennen wij het Schadefonds geweldsmisdrijven, en er is nu een landelijk netwerk van 72 lokale bureaus slachtofferhulp.

In de strafrechtspleging komt de burger als slachtoffer zodoende wat meer in beeld, maar hij/zij blijft afhankelijk van de vordering van het OM. Als het OM niet wenst te vervolgen, staat het slachtoffer met lege handen.

Mr. J. Leyten, tot voor kort advocaat-generaal bij de Hoge Raad, wil daarom verder gaan en het slachtoffer een recht op vervolging geven naast het OM. Maar dit stuit vooralsnog op grote weerstanden, omdat daarmee getornd kan worden aan de bevoegdheid van het OM tot seponeren. Ook is de gedachte geopperd tot een splitsing van het strafproces in twee fases: een fase waarin onderzocht wordt hoe aan het leed van het slachtoffer tegemoet kan worden gekomen; en daarna een fase waarin beslist wordt wat met de dader gebeuren moet.

De ervaringen die sinds 1951 met resocialisatie van de delinquent zijn opgedaan, zijn overwegend teleurstellend. Dat vindt zijn weerslag in de voorgestelde nieuwe penitentiaire regelgeving en het daarop aansluitende beleid. Het resocialisatiebeginsel raakt daarin ondergeschikt aan beveiliging en doelmatige uitvoering van de straf. Het recht op resocialisatie moet nu als het ware verdiend worden door motivatie, inzet en aanpassingsbereidheid.

Het zeer kostbare TBS-systeem (de verpleging van psychiatrische delinquenten in TBS-klinieken) is evenmin een succes. Liefst 20 procent van TBS-delinquenten pleegt binnen 5 jaar recidive. Op een symposium in 1994 van het Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum van het ministerie van justitie is in verband hiermee gepleit voor levenslange opsluiting van stelselmatige en zware criminelen die niet vatbaar zijn voor heropvoeding en telkens weer tot recidive vervallen. In Amerika vindt die gedachte al in brede kring weerklank. In Nederland is men daar nog niet aan toe en overheerst vooralsnog de normatieve opvatting dat, afgezien van oorlogsmisdadigers, niemand voorgoed mag worden opgegeven en uitgesloten van de samenleving.

Drugs

Op enkele belangrijke punten vindt terugdringing van strafrechtspleging (decriminalisering) opnieuw weerklank. Dit is met name het geval bij euthanasie (via invoering van de zg. medische exceptie als bijzondere op euthanasie toegesneden strafuitsluitingsgrond) en legalisatie van soft drugs.

Vooral dit laatste zou de capaciteit van het strafrechtelijke apparaat aanzienlijk ontlasten. De strafrechtsgeleerde prof. C.F. Rüter bepleit in verband hiermee een stapsgewijze de facto legalisering, die na verloop van tijd een wettelijke basis zou kunnen krijgen. Hij meent dat het Schengen-verdrag wel degelijk ruimte laat voor zo'n de facto legalisering. Als dat zo is, en ik neig ertoe dit te onderschrijven, moeten we daar zeker gebruik van maken en ons dus blijven verzetten tegen een harmonisatie in Europees verband van drugswetgeving en -beleid op basis van het meest strikte - i.c. Franse - model, waarop de Franse president Chirac blijft aandringen. Tegelijk zou het gebruik van soft drugs even krachtig ontmoedigd moeten worden als dat met roken steeds meer het geval is en zou de verstrekking ervan onder staatstoezicht gesteld moeten worden.

Criminele drugsverslaafden die in recidive blijven vervallen en overlast blijven veroorzaken, wil het kabinet langer (1,5 tot 2 jaar) opsluiten in speciale cellen. Dit heeft echter, lijkt me, alleen maar zin als het tevens gepaard gaat met gedwongen afkicken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden