In stilte lijden is in de Filippijnse cultuur normaal

Filippijnse vrouwen worden nog altijd opgevoed met het idee dat ze dienstbaar moeten zijn, aldus Marites Yee van de prestigieuze St. Scholastica¿s vrouwenuniversiteit in Manila. (FOTO EPA)

Maria had dubbel pech. Eerst viel ze op de Filippijnen in handen van een mensenhandelaarster die dik terugbetaald wilde worden. Als au pair in Nederland trof ze een gezin dat haar als slaaf behandelde.

’Ik ben een alleenstaande moeder’, zegt Maria half verontschuldigend, half verklarend over de telefoon vanuit haar woonplaats op het noordelijke Filippijnse eiland Luzon. „Ik ben officieel nog getrouwd, want op de Filippijnen is het vrijwel onmogelijk om te scheiden. Maar ik woon alleen, met mijn zoon van veertien.”

Maria (36) werkte onder een valse naam en met een vals paspoort in Nederland. Eerst als au pair en later, nadat ze het slavenwerk bij een gezin in Den Haag was ontvlucht, nog jaren illegaal als oppas en schoonmaakster. Sinds vorig jaar is ze terug op de Filippijnen. Het avontuur heeft haar behalve nare herinneringen weinig opgeleverd. Ze is nog steeds werkloos, en zo bang dat ze nog altijd niet met haar echte naam in de krant wil.

„In de periode dat ik in Nederland werkte, was mijn zoon bij mijn moeder. Dat is gewoon op de Filippijnen: de jonge mensen verdienen geld in het buitenland en laten hun kinderen bij oma achter.”

Ze vindt het hoorbaar moeilijk over haar verblijf in Nederland te praten, hoewel ze goed uit haar woorden komt en zelfs heel wat Nederlands door haar Engels gooit.

„Het was 2002 en ik was radeloos. Ik was 30, werkloos en woonde bij mijn moeder. Die raakte ook knap geïrriteerd door de hele situatie. Ik hing rond in internetcafés om op websites naar banen te zoeken. Voor het internetcafé hing de zuster van mijn handelaarster rond, al wist ik toen nog niet dat ze een smokkelaarster was.”

„Mijn handelaarster is een Filippina, getrouwd met een Nederlandse man. Ze heeft een Nederlands paspoort, maar diverse huizen hier op de Filippijnen. Ze heeft het mensenhandelbedrijf samen met haar zuster. Ze rekruteerden mij en een aantal andere vrouwen die op zoek waren naar werk. Ze zeiden dat ik als au pair in Nederland kon werken. Ik wist niet wat een au pair was, maar ik zocht op internet en het leek me wel wat.”

„We moesten onze paspoorten inleveren. Ik moest 6000 peso betalen, zeg maar tweemaal een maandinkomen. Ze zei dat dit de kosten waren om een nieuw paspoort te maken omdat ik eigenlijk al te oud was om au pair te zijn. Later vroeg ze nog om 19.000 peso extra, maar ik zei naar waarheid dat ik het niet kon betalen. Er kwamen ook nog allemaal kosten bij voor documenten bij de Nederlandse ambassade en zij gaf mij de indruk dat ik enorm bij haar in het krijt stond.”

„Het was 5 december 2003 toen ik in Den Haag aankwam. Ik schrok van de kou. Ik moest gelijk aan de slag. Elke dag om zes uur opstaan, want om zeven uur precies moest ik de kinderen flesjes geven, en dan moest de hele ontbijtboel al klaarstaan. Ik moest de hele dag maar schoonmaken en elke dag tot negen uur ’s avonds werken. In die periode ging het echtpaar in een limousine naar de miljonairsbeurs. Ze hadden een villa in het Haagse Statenkwartier, met heel veel badkamers en heel veel trappen. Er kwam geen eind aan. Vrijdagavond gingen ze uit en dan moest ik tot twee uur ’s nachts opblijven om op te passen. Elke zaterdagavond gaven ze een groot diner voor vrienden van de Rotaryclub. Dan moest ik alles voorbereiden en helpen. Zondag was ik vrij, maar op die dag hadden ze ook mijn Nederlandse les gepland. Ik moest elke avond om tien uur ’s avonds binnen zijn. Na mijn werk, kon ik in feite de deur niet meer uit, maar ook op mijn vrije dag kon ik ’s avonds dus niet uit. Ik was zo moe. Op zondag bleef ik maar in tram 1 zitten, op en neer naar Delft. Ik had het koud, kon nergens heen, had geen geld. Ik raakte oververmoeid en vermagerde snel.”

Een paar dagen na haar aankomst moest Maria mee naar de IND voor haar verblijfsvergunning. Daar zat een verklaring bij die zijzelf en ook haar werkgevers ondertekenden met een toelichting op de werkzaamheden van een au pair, zo blijkt uit informatie van Bonded Labour in Nederland (Blinn), een organisatie voor slachtoffers van mensenhandel waar Maria uiteindelijk hulp vond. Vreemd genoeg, tekent Blinn aan, was die verklaring alleen in het Nederlands, zodat Maria niet wist wat ze tekende. De formulieren bestaan ook in het Engels, maar de au pairs worden hier door gastgezin of IND vaak niet op attent gemaakt.

Haar gastfamilie en Maria ondertekenden dat een au pair alleen voor kinderen mag zorgen en licht huishoudelijk werk mag doen. Dat een au pair ten hoogste dertig uur in de week mag werken, dat elke werkdag ten hoogste acht uur mag zijn, inclusief oppaswerk in de avond, en dat er ten minste twee vrije dagen per week zijn.

De praktijk was anders. De gedetailleerde werklijsten van steeds diverse pagina’s die Maria’s werkgeefster haar geregeld per e-mail verstrekt en die ze nu aan Trouw doorstuurt, reppen van een enorme takenlijst (zie kader).

„Toen ik na een paar weken klaagde bij mijn Filippijnse bemiddelaarster, die inmiddels weer in Den Haag zat, zei zij dat er niks aan de hand was. Ze was zelf au pair geweest in Jordanië, zei ze, en daar was het tien keer zo erg.” Over de telefoon zucht Maria terwijl ze de pijnlijke herinneringen ophaalt. „Mijn smokkelaarster zei ook dat ik niet tegen mijn familie mocht klagen en dat ze anders zou vertellen dat ik onder een valse naam werkte. Mijn smokkelaarster vroeg intussen steeds meer geld van mij. Ik kreeg 550 euro per maand van die mensen, maar mijn smokkelaarster wist steeds dingen te verzinnen waarvoor ik haar geld moest geven.

In dat grote huis werd er intussen steeds meer van me verwacht. Terwijl het al gekkenwerk was. Niemand had me iets uitgelegd. Ik wist niet hoe bepaalde apparaten werkten omdat wij die op de Filippijnen niet hebben. De gebruiksaanwijzing was meestal in het Nederlands, wat ik toen nog niet begreep. Mijn gastfamilie hield me voor dat ze veel voor me hadden betaald en me met 550 euro per maand goed betaalden, dus dat daar van mijn kant wel wat tegenover mocht staan. Na een werkdag van veertien uur, kreeg ik alleen maar verwijten te horen.”

„Intussen bombardeerde mijn trafficker me met gemene e-mails. Dat ze als ik ging klagen, zou onthullen dat ik een valse naam droeg en me naar de gevangenis zou sturen. Toen ik aangaf dat ik het niet meer volhield, stelde ze voor dat ik zou verhuizen naar een ander Nederlands gezin in Italië en dat ze het Haagse gezin een nieuwe au pair zou leveren. Die hele toestand eindigde ermee dat die Filippijnse handelaarster naar die Rotary-dame ging om haar te zeggen dat ik onder een valse naam was binnengekomen. Ze maakte er een hele vertoning van waarin ze deed voorkomen dat ze zelf door mij was beetgenomen, terwijl zij het nota bene was die dit allemaal had georganiseerd. Ze stelde ’oplossingen’ voor waarbij ik nog een tijd gratis zou werken totdat die familie uit de kosten zou zijn en vroeg mij om mijn paspoort, zodat ze mijn doorreis naar Italië kon regelen. Maar dat deed ik niet. De familie besloot mij niet te betalen voor mijn laatste maand, om zo kosten die ze voor me hadden gemaakt terug te verdienen. Ik ben uiteindelijk huilend het huis uitgevlucht, mijn spullen achterlatend. Ik nam tram 1 naar Delft. Daar had ik inmiddels een Nederlandse vriend, die me onderdak bood. Terug naar huis kon ik niet. Mijn moeder zou me zien aankomen. Pas vorig jaar september keerde ik terug naar de Filippijnen.”

„Mijn moeder wist allang dat het niet goed met me ging, omdat ook zij allemaal dreigmails van mijn handelaarster kreeg dat ze me naar de gevangenis zou slepen omdat ik illegaal bezig was. Zo probeerde ze ook van mijn moeder geld los te krijgen. Dat zo’n vrouw dit kan maken, heeft alles met de Filippijnse maatschappij te maken. Wij zijn heel arm. Zij is een vrouw met status en bezit. Mensen in officiële functies zullen haar altijd dekken, want hier kun je met geld alles voor elkaar krijgen.”

Hoe het nu met haar gaat, vindt Maria een moeilijke vraag. „Ik zoek werk, maar de lonen zijn zo laag. Ik heb niet eens het geld om voor een sollicitatiegesprek naar Manila te gaan. Slapen gaat de laatste tijd wel beter. Ik heb nadat ik bij die familie weg was, zeker een jaar niet geslapen.

Dat uiteindelijk ook dat Rotary-gezin door die mensenhandelaarster in de tang was genomen, begreep ik pas later. Die Rotary-mevrouw had voor het vliegticket plus borg meer dan 2000 euro betaald aan mijn bemiddelaarster, terwijl in werkelijkheid zo’n vliegticket 800 euro kost. Eigenlijk had ’mijn’ familie de overtocht van wel drie Filippina’s bekostigd. Daarbovenop moest mijn familie ook de IND-kosten van 400 euro nog betalen en waren er voor hen in de aanloop van mijn komst voortdurend ’borgen’ en ’kosten’ te betalen geweest.

„Mijn verhaal is lang niet het ergste”, zegt Maria zachtjes. De verhalen van misbruik van Filippino’s die in het buitenland werken, worden als waarschuwing geregeld breed in de Filippijnse pers uitgemeten.

Marites Yee van de afdeling Nursia, vrouwenstudies, van de prestigieuze St. Scholastica’s vrouwenuniversiteit in Manila kan daarvan meepraten. Vorig jaar, tijdens een wandeling over de campus, legde ze uit dat er nog veel moet gebeuren. „Filippijnse vrouwen worden nog altijd opgevoed met het idee dat ze dienstbaar moeten zijn.” Terwijl Yee naar de elitestudentes in hun blauwe plooirokken wijst, vertelt ze dat zelfs hun is geleerd dat het doel in het leven is om kinderen te krijgen en dat geduld een mooie eigenschap is als het tegenzit in het leven.

Zo’n mentaliteit combineert slecht met het feit dat voor de meeste arme Filippino’s werken in het buitenland de enige mogelijkheid is om geld te verdienen. Voor veel rijke Filippino’s is werk in het buitenland een oplossing om zich te onttrekken aan de verstikkende corruptie in het land.

Yee besteedt in verplichte lessen aandacht aan problemen als mensenhandel, vrouwenrechten en armoedebestrijding. Doel is onder meer om vrouwen die naar het buitenland gaan, te wapenen tegen uitbuiting en te leren ’nee’ te zeggen.

Maria herkent het helemaal. „Ik was er lange tijd niet van overtuigd dat ik een slachtoffer was”, zegt ze. „In mijn cultuur is het heel normaal om te moeten lijden en dit opgewekt te dragen.”

Mensenhandel en uitbuiting buiten de prostitutie werden pas op 1 januari 2005 strafbaar. Te laat voor Maria, die het gezin in maart 2004 verliet.

(Trouw)Beeld EPA
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden