In plaats van de doodstraf

Toen op 13 juni 1996 in België de doodstraf officieel werd afgeschaft, werd dat besluit onderstreept door een klaterend applaus van de bewindslieden - wat op mij overkwam als onecht en me dus nogal ergerde. Door welke duistere sentimenten word je gestuurd als je een besluit neemt en daarvoor zelf meteen in de handen klapt?

België heeft zijn affaire-Dutroux en roept weer om de doodstraf. Dat wil zeggen: de wijzer die in ons soort landen latent op ruim veertig procent staat, is uitgeslagen naar zo'n zestig procent en zal later, als Dutroux geen nieuws meer is, wel weer gewoon op de veertig teruggevallen zijn. Nederland heeft intussen zijn affaire-Tjoelker, van totaal andere aard, maar hij is wel uitgemond in een landelijke discussie over de strafmaat en, eveneens, in een verhoogde roep om de doodstraf.

Het was te voorspellen. Het speciale geval wordt exemplarisch voor álle gevallen, inclusief levenslang, inclusief dan ook de doodstraf, het paardenmiddel waarmee men, in gedachten, pijnloos en snel, afrekent met alles wat kwaad is. De doodstraf onderscheidt zich van alle andere straffen. Het is de zwaarste en wreedste straf, volgens Amnesty International, maar dat is niet de reden dat men huivert. Wat bijzonder is aan de doodstraf is dat het een absolute straf is. Dat is het afschrikwekkende ervan. Alle andere straffen kun je je voorstellen - als vergroting van wat je zelf al eens in het klein hebt meegemaakt.

Vrijheidsstraf, taakstraf, lijfstraf zelfs, maar doodstraf valt meteen in de categorie van het totaal onbekende. Je weet wat het is opgesloten te zijn, te moeten werken, geslagen te worden... Gedood te worden weet je niet. De doodstraf lijkt op de slaap. Zo bekeken is de doodstraf nog de meest humane van alle straffen. Wie slaapt niet graag in, desnoods voor straf. Het gruwelijke aan deze slaap is dat je niet meer wakker wordt. En dat maakt veel mensen bang; het weerhoudt ze ervan de straf ooit nog toe te passen. De doodstraf, heet het, is niet terug te draaien - wat voor velen een reden is om ertegen te zijn.

Het is niet zo moeilijk dit wat bange argument te weerleggen. Want waarom zou je een straf willen terugdraaien? Omdat er fouten gemaakt kunnen worden, luidt daarop het antwoord; de verdachte kan later onschuldig blijken. Ook een rechter kan fouten maken. Je zou daarop kunnen antwoorden: twintig jaar onschuldig achter slot en grendel kan ook maar zeer ten dele worden teruggedraaid; als dát een geldig argument is, zou ik als rechter iemand geen twintig jaar durven geven. Buitendien: als de schuld evident is, is er geen noodzaak tot terugdraaien. Maar het sterkste argument is, dat rechtspraak zich niet in het defensief moet laten dringen door fouten die men kan maken; dat is in geen enkel beroep zo.

Dit klinkt wel redelijk. En toch... Wie voor de doodstraf is wordt gedreven door duistere emoties, maar wie tegen de doodstraf is niet minder. Rond de doodstraf richt de ratio uiteindelijk niet veel uit. De doodstraf is, althans in Europa, geen optie. Maar het zou dom zijn er in het geheel geen rekening mee te houden. Allerlei straffen, zoals gevangenisstraf, taakstraf, elektronische straf, lijfstraf - hoe zwaar deze sancties zijn kun je pas bepalen als je ze vergelijkt met de absolute maat: de doodstraf. De doodstraf levert ons een ijkpunt, een maximum: zo zwaar zou de straf kunnen zijn, en aan de onderkant een limiet, die ons ervan zal weerhouden, ooit voor een halsmisdaad een jaar hechtenis een zware straf te vinden.

De roep van het volk om de doodstraf moet je vertalen in een roep om zwaardere straffen. Straffen worden onderling vergeleken. Dat bevordert de rechtvaardigheid. Men zal al vergelijkende een straf te licht of te zwaar vinden. De moordenaar van Joes Kloppenburg kreeg zeven jaar, maar vindt, nu de moordenaars van Tjoelker samen maar twee jaar kregen, zijn eigen straf opeens veel te zwaar.

De advocaat Spong maakte in een brief melding van een geval van doodslag op een voetbalveld waarvoor de dader maar een jaar kreeg. “Bij de vaststelling van de straf heeft het hof ten gunste van de verdachte rekening gehouden met het feit dat de dood van het slachtoffer in verwijderd verband stond met verdachtes agressief optreden.” Verwijderd verband. In de Tjoelkerzaak gold het tegenovergestelde: daar stonden de verdachten te dicht op het slachtoffer en te dicht op elkaar. In beide gevallen is het probleem: hoe een strafbaar feit te vertalen in strafbare daders, want een feit kun je niet straffen. De optiek van het recht lijkt op die van een camera met vaste afstandsinstelling: alleen op deze afstand kunnen wij de strafbare daders scherp stellen.

Rechters zijn precieze mensen, maar niet altijd hoeft de waarheid een zaak van precizie te zijn. Het kan geen kwaad het te wijzen vonnis te vergelijken met wat de mensen op straat ervan vinden. Zij mogen dan geen juristen zijn, geen inzage in het dossier hebben gehad, ze hebben via de pers wel hun mening, hun gevoel voor rechtvaardigheid.

Hoezeer die twee, de gerechtelijke en de openbare mening, ten slotte kunnen botsen, kregen we vorig jaar te zien op Teletekst, na de uitspraken in de zaak-Tjoelker. Twee jaar, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest is acht maanden, plus als aantekening: “de rechtbank achtte niet bewezen dat het slachtoffer door verdachten was doodgeschopt.” Pal daaronder een paar regels ter toelichting van de Teletekstredactie: “In de nacht van 13 september werd in Leeuwarden Meindert Tjoelker door een aantal feestgangers doodgeschopt.”

Waar, doch niet bewezen. Hier spreekt een evident verschil tussen wat het volk vindt en wat de rechtbank vindt. Als het verschil zo groot is, is er sprake van een grote onrechtvaardigheid. Onrechtvaardigheid bovendien omdat de lafheid het met z'n vieren te doen de daders min of meer vrijuit doet gaan. Dat gaat in tegen alle rechtsgevoel en verklaart de emoties.

Het dagelijkse leven - en in zekere zin het civiele recht - is nog steeds gebaseerd op het oudtestamentische principe 'oog om oog'. Als iemand mijn fiets steelt, moet hij in principe voor straf mij een fiets teruggeven. Ik ben niet tevreden als ik van de fietsendief een autoped terugkrijg. Als iemand mij een klap geeft, kan hij een klap terugverwachten. 'Oog om oog, tand om tand' garandeert een afgemeten hoeveelheid vergelding. Raak ik door zijn toedoen een oog kwijt, dan ook hij - maar ook niet meer dan één oog. 'De regel' lees ik in Trouw (12-12-97), 'had de bedoeling een eind te maken aan eindeloos doorwoekerende vetes en bloedwraak, en betekende dus een grote vooruitgang in het beschavingsproces.'

Dit principe moet al snel worden verlaten als het slachtoffer zijn belager niet met gelijke munt kan betalen: omdat hij daartoe niet in staat is, of omdat hij daartoe niet gerechtigd is. Als iemand mijn huis in brand steekt, geeft mij dat heden ten dage niet het recht dan ook zijn huis maar in de brand te steken. Vanaf een zekere zwaarte wordt schuld vertaald in van overheidswege opgelegde straffen, meestal gevangenisstraf.

Is het slachtoffer zonder schuld, dan ligt alle schuld aan het misdrijf bij de dader en dat kon - vertaald uit het oog-om-oog-principe - wel 's erg veel zijn. En nog niet genoeg. Vaak is de schade niet te herstellen. Soms is het slachtoffer dood. Wie een onschuldige winkelier om zijn centen de hersens inslaat en doodt, verdient als straf deze dood met hem te delen. Dat zegt - oog om oog - ons gevoel voor rechtvaardigheid.

Op dat gevoel is in de loop der eeuwen menige aanslag gepleegd. Straffen doen we met het doel iemand te verbeteren, zo geloofden we in de negentiende eeuw. Van dat geloof zijn we allang af. Straffen heeft als doel degene te verbeteren die straft, schreef Nietzsche met een snijdend psychologisch inzicht.

Straffen zijn naar het oordeel van de dader en zijn advocaten bijna altijd te zwaar en zelden te licht; er is in beschaafde landen een natuurlijke neiging tot steeds lichtere straffen. Wij (de beschaafde landen) proberen hoe ver we kunnen gaan in het opvoeren van onze lankmoedigheid. Wij gaan daarin soms zo ver, dat we nog net niet belachelijk zijn in de ogen van hen die we straffen. We houden de genoemde limiet in de gaten. Daaronder - als je helemaal niet meer straft - geldt eenvoudig het recht van de sterkste. Daarmee zouden we in één klap onze beschaving hebben verspeeld en zijn teruggevallen in een staat van barbarisme.

Wie heeft gedood wordt mogelijk ter dood veroordeeld, maar met de executie van die straf heeft de westerse beschaving, ook in Amerika, de grootst mogelijke moeite. Nietzsches bon mot geldt voor de rechter, niet voor de beul. Het verschil in appreciatie zal voortkomen uit de omstandigheid dat de rechter met zijn 'wijze oordeel' zich boven de schuldige verheft, terwijl de beul, die het vuile werk moet opknappen, zich noodzakelijkerwijs verlaagt. Daarom is in de meeste landen de executie via uitstel van executie allengs vervangen door gevangenisstraf, de beul door de cipier en de doodstraf door levenslang. Foucault, in zijn studie over het ontstaan van gevangenissen, schrijft dat 'hiermee niet langer het lichaam van de misdadiger, maar zijn ziel als object van straf werd gekozen'. Een vrijheidsstraf geeft ons de keurige illusie dat de straf die is toegekend een papieren straf is, een abstracte maatregel met als enige activiteit: het omdraaien van een sleutel.

Wat zegt het slachtoffer van dit alles? Of zijn nabestaanden? Die hebben ook een stem, mogelijk niet de jure (omdat ze 'derden' zijn), maar wel de facto. Als slachtoffers van een misdaad 'wraak' willen, zullen ze het misschien niet zo noemen, maar genoegdoening wil iedereen die door de ander in het nadeel is gesteld.

Spijt, berouw, pijn bij de boosdoener leggen enig gewicht in de schaal, al blijft het raden wat zijn motieven zijn. Boetedoen is een paradoxale handeling. Men wordt er een beter mens van. Men hoopt of rekent op vergeving. Er zijn mensen die dat kunnen: vergeven. Het verdriet hebben zij 'verwerkt', ze zijn 'eroverheen'. Dat kan, als het alleen jezelf betreft. Maar hoe zou ik, vraag ik me wel 's af, de moordenaar van m'n dierbaren kunnen vergeven zonder vervolgens het hopeloze gevoel ze te hebben verraden?

Al deze gevoelens tellen niet mee in de strafmaat, niet in de toekenning daarvan en niet in de uitvoering. Ook onze mening over de doodstraf als ijkpunt telt niet mee, want 'de doodstraf' is niet langer een juridische maat.

Het is een moreel probleem en onder die vlag kunnen we ervan zeggen wat we willen. Wie weet wordt het nog 's weer een juridisch probleem. Nadat ik, in 1990, mijn essay 'Voor wie kwaad wil' had gepubliceerd, kreeg ik nogal 's de vraag te horen: ben je nu voor of tegen de doodstraf - waarschijnlijk omdat mijn betoog 'genuanceerd' was. Niet alle mensen houden daarvan. Ik ben nog steeds genuanceerd, in die zin dat ik in de meeste gevallen tegen de doodstraf ben en in bepaalde gevallen, namelijk waar men willens en wetens onschuldigen heeft gedood, ervoor zou zijn. In de VS is ruimte voor dit onderscheid. In Nederland is de doodstraf, zoals gezegd, niet aan de orde. Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden erover na te denken.

Procenten laten mij koud. Mijn standpunt komt voort uit compassie met het handjevol mensen dat persoonlijke redenen heeft voor de doodstraf te zijn en daar, in de discussie, goede argumenten bij zoekt. Ik wil dat er op een zinnige wijze over gesproken en geschreven kan worden zonder de verdachtmaking dat men daardoor tot een verachtelijk soort mens behoort.

Amnesty International noemt de doodstraf 'de wreedste' der straffen. Dit is retorica. Martelen is misschien niet erger, maar wel wreder. Zo denk ik ook dat uitzichtloze opsluiting wreder is. Wij burgers hebben, vooral door gebrek aan nadere kennis, tegenwoordig een nogal rooskleurig beeld van het gevangenisleven: iedereen een eigen kamer, met tv en video, mogelijkheid tot lezen en studie, daarnaast: uitstapjes, seks, sportwedstrijden en handen uit de mouwen voor wie wil. Rooskleurig - omdat het zo'n verbetering lijkt ten opzichte van het vroegere gevangenisleven. In het bijzonder staan ons beelden bij uit de begintijd, toen men het opsluiten van mensen nog moest leren. Sluit je ze met z'n allen op, in één groot hok, of bescherm je de 'betere' gevangene tegen de gemeenzame liederlijkheid van de rest door hem af te zonderen? Ook toen al werd eenzame opsluiting 'wreder dan levendige begraving' gevonden. En hoe moet je je de hel voorstellen van drie mannen die tien jaar lang een cel moeten delen? Dan is drie toch erger dan honderd? Of veroordeeld te zijn tot 60 jaar cel wegens 'sodomie' en eindelijk, na 57 jaar, te overlijden?

Hoeveel gevangenen tijdens hun detentie stierven, aan ziektes, uitputting of algehele 'mistroostigheid' - is niet bijgehouden. Evenmin het aantal zelfmoorden. Men leze het zeer informatieve en toch goed geschreven Twee eeuwen gevangen van Herman Franke, de haren rijzen je ten berge. Deze pil van bijna duizend bladzijden beschrijft ook het geëmancipeerde, humane, 'rooskleurige' heden. Het aantal sterfgevallen achter de tralies is teruggevallen tot bijna nul, dat kan men zich wel voorstellen (betere medische zorg, kortere detentie). Het aantal zelfmoorden in de Nederlandse gevangenissen is sinds de jaren '50 verdrievoudigd: van 2 tot 6 per jaar, gemiddeld; terwijl het aantal pogingen tot zelfmoord van 40 opliep tot 225. Natuurlijk, niet alle pogingen zijn werkelijk gemeend. Maar men mag wel vaststellen dat een toenemend deel van de gevangenisbevolking, alle 'luxe' ten spijt, de dood verkiest boven zulk opgesloten leven. Men mag ook vermoeden dat het toegenomen verdriet in de gevangenis juist het gevolg is van deze luxe: een toegenomen besef van wat je neus voorbijgaat zolang je vastzit. Denk aan tbs-gevangenen. Zolang ze hun opsluiting als een kwelling ervaren zullen ze niet vrijkomen. Los die paradox maar eens op!

Peter R. de Vries beschrijft in Een moord kost meer levens, op blz 250: 'De beslissing van het Gerechtshof dat zijn hechtenis met twee jaar zou worden verlengd, had mijn vader gebroken. Het laatste restje hoop op vrijlating, op een nieuw leven, was erdoor verdwenen en had hem, zoals hij mij in een van zijn laatste brieven al had geschreven, doen afvragen wat hij nu nog moest. Er was geen uitzicht meer voor hem en mijn vader had eenzaam en gedesillusioneerd besloten dat hij er dan beter een einde aan kon maken.

Na de uitspraak van het Gerechtshof had hij nog met een paar andere patiënten een kaartje gelegd, maar daarna was hij naar zijn verblijf gegaan. Daar had hij een paar afscheidsbriefjes geschreven en een aantal slaappillen geslikt. Vervolgens had hij een plastic boodschappentas over zijn hoofd getrokken en was op bed gaan liggen.

Zo nam hij afscheid van een voor hem onleefbaar leven, precies een maand voor hij achtenzestig zou worden.'

De groepsleider die het de zoon had aangezegd, voegde er treurig aan toe: 'Niemand heeft het kunnen voorkomen.' En dan denk ik: waarom zou je? Gun de man tenminste deze ene vrijheid.

Het strafklimaat is humaan geworden - in technische zin. Niemand overlijdt door verwaarlozing. De doodstraf als ijkpunt voor andere straffen ligt ver voorbij elke straf - 'gelukkig maar' - en toch, het is soms maar een stap. Iemand die gestraft wordt met levenslange opsluiting (tbs) - voor zo iemand is de dood zeer nabij. En niet alleen voor tbs-patiënten. Ook voor menig arrestant, vastgehouden in een Huis van Bewaring, zijn die paar weken te lang gebleken om ze te overleven.

Er is, rond dood en doodstraf, veel sentiment. Dat sentiment is misschien nog wel echt, maar het resulteert vaak in wat ik noem een vals geweten: men denkt daarover dit of dat te moeten zeggen. Vooroordelen spelen hierbij een grote rol. Zo vindt men, in deze geëmancipeerde tijd, nog steeds doodstraf voor een vrouw erger dan voor een man. Het sentiment dat daaraan ten grondslag ligt kan ik wel navoelen, het is van seksuele, bijna middeleeuwse aard. Maar dat kun je niet in je oordeel laten meewegen. Je ziet het ook nooit verwoord, het blijft een gevoel.

Kort geleden hadden we het geval Karla Tucker, Texas. 'De laatste keer', lees ik, 'dat een vrouw in de VS de doodstraf heeft gekregen was in 1863. Zelfs aanhangers van de doodstraf hebben zich haar lot aangetrokken en pleitten in dit geval voor gratie.' Karla Tucker was veroordeeld voor een gruwelijke, dubbele moord. Ze heeft toegegeven bij een beroving een man en een vrouw met een pikhouweel om het leven te hebben gebracht. Maar in de gevangenis bekeerde ze zich, trouwde ze een predikant en zette ze zich in om haar medegevangenen op het rechte pad te krijgen. Een sprookje werd werkelijkheid en kreeg bijval. Maar wie op die manier voor gratieverlening was, zal zich hebben moeten afvragen of hij/zij ook voor gratie was geweest als Tucker een man geweest was, zwart en zich had bekeerd tot de Islam.

Het is maar tot welke groep je hoort. Elke cultuur heeft haar eigen voorkeur, haar eigen wetten, haar eigen moraal. Zwart mag in Texas een nadeel wezen, in andere culturen strekt het tot voordeel, zwart te zijn. Ik herinner me het geval Abu-Jamal, waar ik me nogal nijdig over heb gemaakt. Abu-Jamal, een moordenaar, die een politieagent van achteren door het hoofd schoot omdat hij blank was (en deze daad niet ontkende) - die Abu-Jamal was nl. schrijver, politiek schrijver nog wel, the voice of the voiceless.

Ter dood veroordeeld, maar behorend tot het ras der schrijvers kreeg hij veel schrijvers op de been, van Styron, Rushdie, Breitenbach en de hele PEN tot organisaties voor de mensenrechten en Amnesty toe. Als hij een gewone moordenaar was geweest, en niet ook nog schrijver, zou het recht zich allang aan hem hebben voltrokken. Maar nu hij een Schrijver was, werd zijn eventuele dood als 'een menselijke tragedie' gezien. Wat ik hierin beschamend vind is dat een schrijver, voor zijn rechters staand, meer kans op leven lijkt te hebben dan een niet-schrijver. Ik zou hier nooit aan meedoen.

En dan het geval Garcia. Guinevere Garcia, een moordenares (van haar man en kind), die - lees ik - 'keer op keer te kennen had gegeven de voorkeur te geven aan de dood boven een lang leven in de gevangenis. "Laat me met rust. Blijf uit mijn leven", zei ze vorige week tegen Bianca Jagger, de ex-vrouw van popzanger Mick Jagger, die actie voert tegen de doodstraf voor Amnesty International. "ik heb deze misdaad begaan, ik ben er verantwoordelijk voor. Ik respecteer de beslissing van het opperste gerechtshof van Illinois. Ik ben geheel bij mijn verstand en wijs het recht om in beroep te gaan verder van de hand." Maar gouverneur Edgar zwichtte voor de druk van de activisten. 'Zij', verklaarde Edgar,'verdient het niet ooit nog op vrije voeten te komen, maar ik vind de doodstraf voor haar niet juist.'

Een, gezien de omstandigheden, harteloze en wrede uitspraak, maar grote blijdschap bij de mensenrechtenstrijders, die in gejuich uitbarstten. Arme Guin.

Tot slot. 'Ieder mens heeft recht op zijn leven en zijn vrijheid', zo luidt de grondstelling van de Verklaring van de Rechten van de Mens. Het is een scheve verklaring. Een ter dood veroordeelde zou recht op leven hebben. Maar over zijn recht op vrijheid wordt in dat geval angstvallig gezwegen. Wat is dan nog de waarde van zo'n verklaring?

We hebben allemaal onze eigen edele gevoelens. Maar een belangrijk deel ervan moet nog worden ontgonnen. Wij in Nederland vinden dat ieder mens recht heeft op zijn eigen dood. Als dat verlangen weloverwogen is, is dat een recht, daarin mag je iemand niet tegenhouden. Ik weet wel, daar hoeft de rechtbank niet aan mee te werken, maar dat hadden die activisten wél kunnen doen. Ze hadden deze keer hun idealisme kunnen matigen en Guinevere haar dood moeten gunnen. Dat deden ze niet. De meeste Amerikanen zijn nog niet zover dat ze die gedachte kunnen verdragen. Wij in Nederland wel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden