In Oosterhoffs gedichten voel je de woede

Tonnus Oosterhoff


Ja Nee


De Bezige Bij; 54 blz. euro 17,99


schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw


In een van zijn essays in 'Ook de schapen dachten na' schrijft Tonnus Oosterhoff dat hij op een dag in zijn gang een dode hommel vindt. In plaats van het diertje meteen in de prullenbak te gooien, neemt hij de tijd om het aandachtig te bestuderen. Terwijl hij de hommel - die hem "doet denken aan een landende engel of amor op een barokschilderij" - van vleugel tot angel bekijkt, klinkt op de radio de 'Hohe Messe' van Bach.


En dan schrijft Oosterhoff: "Het is moeilijk om geen betekenis te hechten aan al dit mooie toeval. Moeilijk, maar het proberen waard."


Die gang ken ik toevallig, zoals ik regelmatig zat in de kamer waar die hommel zo nauwgezet werd bestudeerd. En daarom ook twijfelde ik lang of ik Oosterhoffs nieuwste dichtbundel hier moest bespreken. Maar hij is nu eenmaal een van Nederlands belangrijkste, meest gewaagde dichters - hij kreeg onder meer de C. Buddingh'-Prijs, de VSB Poëzieprijs en de P.C. Hooftprijs - en die kun je niet zomaar links laten liggen.


'Ja Nee' heet die nieuwe bundel, kort, helder, veelomvattend: welk antwoord je ook kiest, het is een kwestie van perspectief. Wat je ziet en wat voor gedachten je daarbij hebt, je kunt er allerlei draaien aan geven.


Oosterhoff illustreert het in het openingsgedicht, met een aansporing de blik te keren: "kijk uit de schelp naar de krab uit het gras naar de koe".


En elders met een aandoenlijke parabel over "zekere indianen" die "enkel omlaag" kunnen kijken: "Hun horizon, twee meters in 't rond, verschuift bij iedere pas."


Maar het gaat in 'Ja Nee' om veel meer dan de boel eens van een andere kant bekijken. Dreigend klinkt een paar keer dit zinnetje: "Staar heeft de kijker, de denker loopt over." Kijken en denken raken nogal eens vertroebeld, bewust en onbewust. Door taal.


Hoe vaak worden vriendelijk ogende eufemismen niet ingezet om de nauwelijks verdraagbare wreedheid van deze wereld te maskeren? Oosterhoff giet het in een onweerstaanbaar dialoogje: "De paus vraagt zich met Jezus af: zijn wij wel aardig genoeg tegen mensen / die gevaarlijker zijn dan wij? Moeten we van elke onthoofdingszaak / een halszaak maken? / 'Hij draagt een rode halsdoek': Hij is onthoofd./ 'De kardinaalshoed dragen': Gescalpeerd zijn."


Het zijn regels als deze die de lezer - nadat die is uitgelachen - onbarmhartig om de oren slaan.


Want Oosterhoff is niet vrijblijvend, woede is voelbaar, de wereld is grimmig. En hij kiest zijn woorden zó dat die iets laten zien van waartoe de sterfelijke mens ("deelnemer aan het heengaan van de wereld") in staat is: een 'grijsaard', bijvoorbeeld, schopt een tienermeisje zwanger. Buiten is het oorlog. "Het ongeboren kind voelt het wel, groeit zo snel het kan, maar is nog / lang niet voldragen als moeder wordt doodgetrapt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden