In november wonen acht miljoen Japanse goden in Izumo

Ingenieur Shigetaka Inoue draagt een neplederen blauwe jas. Hij beent voor de zoveelste keer langs de kraampjes zonder oog te hebben voor de pseudo-sacrosancte koopwaar. Amechtig hapt Inoue naar adem in deze omgeving die de toegang vormt tot het grote heiligdom van Izumo. De 56-jarige Japanner zigzagt over de lange grindlaan tussen scheefgroeiende pijnbomen. Dood geboomte schraagt het levende. Enorme bonsaibomen omzomen de grindlaan. In dit etherische landschap zweeft alles, zoals ook Inoue meent te zweven. Wat een schoonheid, verzucht hij.

Inoue, elektrotechnisch specialist bij een koelkastenfabriek ten noorden van Tokio, is verleden maand ontslagen. Hij gebruikt het woord kubi kiri; hem is de hals doorgesneden, in figuurlijke zin. Daar is hij gelaten onder gebleven. Als ik niet was ontslagen, zou ik Izumo vandaag niet hebben kunnen zien. En wie weet helpen de goden mij wel. Dus hij gaat straks de shinto-goden smeken om een nieuwe baan? “Nee, nee, daarom zal ik ze niet vragen. Ik kan de goden toch niet vragen of ze alstublieft de Japanners genoeg nieuwe ijskasten willen laten kopen zodat mijn baas me weer in dienst neemt?” Hij lacht zelf om het idee. “De recessie kunnen we niet op bovennatuurlijke wijze te boven komen.”

Het eerbiedwaardige heiligdom rijst op tussen oude ceders en cipressen. Voor dit serene aanzicht heeft Inoue bijna duizend kilometer achter het stuur van zijn Nissan moeten zitten. Onbewerkt, onbeschilderd hout, sacrale gebouwen, de geur van bos en zee. Alles is ingetogen. Rust, de krioelende bezoekers ten spijt.

Bedevaartgangers werpen muntgeld omhoog onder een shimenawa, een meterslange, dikke wrong van rijststro voor de Orakelhal. Ze hopen dat het geld in het stro blijft steken. Dat brengt geluk. Op het eerste gezicht lijkt dit oord aan de westkust van hoofdeiland Honshu het Japanse antwoord op Lourdes. Toch is het dat nou juist niet. In Izumo verschijnen alleen sterken van lijf en leden. De godganse dag valt er geen rolstoeler te bekennen, geen rillingwekkende huidaandoening, zelfs geen verzwikte enkel. Geen Japanner komt hier voor onverklaarbare genezingen. Manken en lammen blijven thuis, veilig buiten beeld. Jong, middelbaar, oud, kras, kwiek en vief klapt in de handen om de aandacht van de goden op zich te vestigen.

Een bezoek aan het grote heiligdom van Izumo, Izumo Taisha, houdt het midden tussen commercieel reli-toerisme en devote pelgrimage. Een grote school Japanners op leeftijd loopt achter een dame met een vlaggetje aan, die mechanisch uitleg geeft en de groep gelegenheid biedt tot het zeggen van één kort prevelement. Binnen een kwartier zit de groep weer in de bus waarmee zij even tevoren is aangevoerd. Een boos kijkende mevrouw van een jaar of 50 deponeert ostentatief een briefje van duizend yen (vijftien gulden) in een grote geldkrat voor een van de bidplaatsen. Ze kijkt om zich heen en lijkt zich af te vragen of de goden haar gulheid wel hebben opgemerkt in het gedrang. Dan smeekt ze, met een eerbiedige knik in de richting van twee gesneden godenbeelden, om het geluk waarop zij recht meent te hebben, al was het om die duizend yen. De twee goden, makelaars van het hoge geluk, kijken haar ondoorgrondelijk aan.

Het heiligdom huisvest aanzienlijk meer dan die twee goden. In november vertoeven er hier liefst acht miljoen, vrijwel alle shinto-godheden uit het keizerrijk. De rest van het land is in november feitelijk van alle goden verlaten. Het Japans heeft er zelfs een term voor: kannazuki, de goddeloze maand.

Alleen hier in Izumo is het dan kami-arizuki, de maand waarin de goden er wèl zijn. Alleen in Izumo, het fraaie gehucht tussen bomen, bergen en zee, kan de godenzoekende Japanner aan zijn trekken komen. Op het strand, twintig minuten gaans van het heiligdom, worden de goden verwelkomd door Shinto-priesters in slobbergewaden die nog geen steek zijn veranderd in duizend jaar. De zwartgelakte, stijve priesterhoedjes lijken omgekeerde boodschappenmandjes waarvan het hengsel onder de kin is geklemd. Het strand en de weg naar Izumo reinigen de priesters door het zwiepen van twijgen van de gewijde sakakiboom. De goden volgen in een indrukwekkende maar onzichtbare processie. Hier in Izumo viert het animistische polytheïsme elke november zijn onuitroeibaarheid. Christendom en islam stellen het oprukken van de beschaving vanouds gelijk aan het afzweren van afgoderij: vermindering van het godental van ontelbaar naar de Ene en Ware. Atheïsten trokken de lijn door en beschouwen als toppunt van beschaving wanneer de godenteller op nul staat en de aarde godenvrij kan worden verklaard.

Zwermen biddende Japanners. In Izumo wordt op deze zonnige herfstdag ruim 30.000 maal gebeden. Zowat één miljoen seconden lang roepen de bedevaartgangers de shinto-goden aan. Vandaag alleen al moeten de dienstdoende goden zo'n 300 manuren lang onafgebroken wensen, frasen en zorgen aanhoren. Deze goden spotten met de mensheid en haar krankzinnige beschavingsdrang. In Japan kan het gewoon gelijktijdig: officiële goddeloosheid, één maand zonder goden, en acht miljoen goden op een kluitje in deze uithoek. Als restant van een primitief geachte godsdienst overleven deze miljoenen goden en godjes temidden van een moderne, in verwarring verkerende Japanse maatschappij, waar alles lijkt te balanceren tussen oud en nieuw, tussen traditie en het grote postmoderne niemendal.

Shintoisme, twee millennia terug ontstaan als samenvloeiing van allerlei lokaal volksgeloof, vermeed eeuwenlang de confrontatie met andere geloven. Nieuwe, geïmporteerde goden werden als het ware geïncorporeerd in het eigen godenbestand. En indien zij niet werden opgeslokt dan werden zij naast shinto geduld, vreedzaam coëxisterend, op een enkele uitzondering na. Zo viel shinto niet te rijmen met agressieve godsdiensten die exclusiviteit claimden, zoals het christendom. Shinto is een haast ongrijpbare religie, altijd wars van dogma's. Religie is misschien al een te zwaar woord. Meer ritueel, liturgie dan iets anders. Vlag zonder veel lading. Als we alle gelovigen uit de Japanse statistieken optellen, komen we tot in totaal 220 miljoen godsdienstbeoefenaars: 117 miljoen shintoïsten, 90 miljoen boeddhisten, anderhalf miljoen christenen en zo'n 12 miljoen overigen. Dat lijkt erg vreemd, omdat het keizerrijk maar 126 miljoen inwoners telt.

De verklaring voor de ongerijmde cijfers schuilt in de aard van het shintoïsme. Een shintoïst kan zo wel de eigen goden eren als aan boeddhisme doen. Dit levert statistisch dubbeltellingen op. In veel Japanse woningen staan boeddhistisch huisaltaar en shintoïstische kamidana (een shinto-heiligdommetje van poppenkastformaat) vlak naast elkaar.

Een priester zit achter een balie nabij het grote heiligdom. De priester (55, getrouwd) handelt in geluk, verklaart hij. De talismans die hij daartoe verkoopt voor omgerekend een tientje per stuk lopen niet goed. De mensen komen hier vooral voor de god van liefde en gelukzaligheid, zalft hij. Op zijn witte ondergewaad zit twee donkere vegen die er niet horen. De meeste mensen komen hier dan ook uiterst opgewekt. Vindt u van niet? Nu ja, zegt de priester eigener beweging, tegenwoordig merken we ook een toeloop van mensen die hun zorgen naar de goden dragen. “De economie, he, het gaat niet meer zo goed. Maar als mensen hier komen, gaat hun hart open voor het goede en door het goede.”

Een andere, aanzienlijk jongere godendienaar (29) klaagt onomwonden dat de pelgrims krenterig zijn geworden. De donaties nemen weliswaar niet dramatisch af, maar toch: de trend is omlaag. De meeste bezoekers komen meer om het bidden dan om het geven.

“We weten niet waarvan we de gebouwen moeten restaureren,” bromt hij. Daken moeten opnieuw worden gedekt, hout moet worden vervangen. Het hoogste, centrale gebouw, dat het Heilige der Heiligen omsluit, is weliswaar uitgeroepen tot national treasure, een nationaal kleinood, en komt daardoor in aanmerking voor overheidssubsidies. Maar de overige gebouwen, merendeels zo'n 250 jaar oud, moeten met behulp van privé-donaties worden hersteld. Slechts 250 jaar?

De jonge priester schudt het hoofd over zo veel onbenul. Het grote heiligdom is 2500 tot 3000 jaar oud. Houten gebouwen moeten van tijd tot tijd herbouwd worden. Vroeger stond het Heilige der Heiligen op lange palen, meer dan 50 meter hoog. Bij tyfoons wankelde de zaak en het gebeurde ook wel dat het geheel omkieperde. Daarom werd 250 jaar geleden gekozen voor een lager gebouw dat minder wind vangt.

Waar logeren die acht miljoen bezoekende goden? De priester wijst naar links en rechts, naar twee langwerpige heiligdommetjes met elk negentien vertrekken. Daarin. Is dat niet wat klein behuisd met z'n acht miljoenen? Die acht miljoen moet u niet letterlijk nemen, zegt hij, terwijl zijn geduld zichtbaar uitgeput raakt. Het cijfer acht staat in Japan voor heel veel en acht miljoen betekent ontelbaar veel. De jonge priester drukt de buitenlandse bezoeker een pamflet in de hand dat ontzag dient in te boezemen. Hij duwt enige keren op de daarin afgedrukte stamboom van de huidige opperpriester, Takatoshi Senge, een rechtstreekse afstammeling van Amaterasu-ookami, de zonnegodin. Het aantal generaties dat opperpriester Senge van de zonnegodin scheidt, is vastgesteld op acht. Is dat weer zo'n getal dat we niet letterlijk moeten nemen? Ditmaal antwoordt de jonge priester niet meer. Hij wendt zich af.

Een fietser uit Osaka stalt zijn rijwiel tegen een hek bij de 'Hal der heilige dansen'. Is hij hier voor zielehulp? “Nee hoor, ik heb vrijaf genomen,” antwoordt de 23-jarige. “Ik fiets het hele land door sinds ik ben afgestudeerd. Kon niet direct een baan vinden. De arbeidsmarkt is zo belabberd dat ik maar beter een tijdje van het leven kan genieten.” Hij maakt een foto en houdt het voor gezien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden