In Memoriam / Johannes Willebrands (1909-2006)

Het kardinalencollege verliest met de dood van Johannes Willebrands zijn oudste lid, de wereldkerk een groot oecumenicus, en Nederland een man die als aartsbisschop de polarisatie binnen de rk gemeenschap tevergeefs trachtte in te dammen.

Willebrands moet emotioneel hebben gereageerd, toen vorig jaar tot hem doordrong dat broeder Joseph Ratzinger de nieuwe paus was geworden. Willebrands, tot op hoge leeftijd gezegend met een ijzeren gestel en een fenomenaal geheugen, moest de laatste jaren fysiek en geestelijk alles inleveren. Maar Ratzinger had als hoeder van de zuivere leer te vaak Willebrands de voet dwars gezet. In de oecumene mocht Willebrands met alle denominaties gesprekken voeren zoveel hij wilde, maar Ratzinger bepaalde achteraf wel wat voor de rk leer onopgeefbaar was: alles dus.

Toch wist de nuchtere West-Fries zijn secretariaat (later: Raad) voor de eenheid ook na zijn pensioen veilig te stellen. Een hele prestatie onder paus Johannes Paulus II, voor wie oecumene meer een zaak van vrome woorden en wensen was dan van noeste arbeid.

Onder Johannes XXIII en het Vaticaans concilie (1962-1965) kreeg de zorg voor de eenheid van de christenen in het Vaticaan een eerste vorm. Hoogst omstreden overigens: het gangbare idee was nog steeds dat andere christenen uitsluitend dwalenden waren, scheurmakers en ketters, die terug moesten keren. Dat was voor zowel de charismatische Duitse jezuïet en bijbelgeleerde Augustin Bea als voor diens Nederlandse rechterhand Willebrands allang een gepasseerd station. Beiden kregen van de Vaticaanse huisvesting een kamertje toegewezen met een stoel en een telefoon.

Willebrands had toen al zo’n twintig jaar ervaring in de oecumene. Deze professor en president van het grootseminarie Warmond behoorde met dr. Frans Thijssen en de bekende Bossche dominee Nico van den Akker tot de pioniers van het contact Rome-Reformatie. Dit haast ondergrondse gezelschap had de weg van confrontatie, twist, bekering en apologie verlaten en was begonnen samen en in respect, elkaars belangrijke theologische documenten grondig te bestuderen. Toen Johannes XXIII hem naar Rome haalde was hij de voorzitter van de Willibrordusvereniging. Net als medepionier Thijssen zou hij in later jaren van de katholieke oecumene vervreemd raken omdat ze er volgens beiden te hard van stapel liepen. In de oecumene erkende hij Thijssen nog bij diens dood als ’mijn leermeester’, al was hij deze als theoloog en ordelijk denker verre de baas.

Willebrands – vroom, eenvoudig, erudiet en intelligent – beleefde zijn tijd met kardinaal Bea en kort daarna als zijn finest hours. Hij speelde een belangrijke rol bij de opstelling van de conciliedecreten over het oecumenisme en de godsdienstvrijheid (1964 en 1965), trendbrekende documenten in de kerkgeschiedenis. En hij bereidde de al even historische ontmoeting voor (in 1965) tussen paus Paulus VI en patriarch Athenagoras van Constantinopel; het leidde tot het intrekken van de wederzijdse banvloek uit 1054. De oosterse orthodoxie lag Willebrands overigens altijd nader aan het theologisch hart dan de protestanten - net als Johannes Paulus II en Benedictus XVI trouwens.

Het al even fameuze bezoek van de anglicaanse aartsbisschop Fisher van Canterbury aan de paus (1966) was eveneens Willebrands’ initiatief. Ook begeleidde hij Paulus VI naar de Wereldraad van Kerken in Genève (1969). Daarnaast bouwde hij de contacten met de Russisch-orthodoxe kerk uit. In dat verband zou de KGB hebben overwogen hem als medewerker te rekruteren.

Willebrands’ ster rees; hij werd bisschop (in 1964) en kardinaal (1969). In 1974 speelde hij als voorzitter van de pauselijke commissie voor de betrekkingen met het jodendom, onderdeel van zijn eigen eenheidssecretariaat, een hoofdrol bij het in de praktijk brengen van het belangrijke conciliedocument Nostra aetate uit 1965 dat een einde maakte aan het theologisch anti-judaïsme in de rk kerk.

Stond hij de eerste jaren in Rome bij conservatieven bekend als ’gevaarlijk vooruitstrevend’, later als kardinaal bespeurden vrienden en medewerkers meer terughoudendheid. Zo vond hij de teksten van Huub Oosterhuis ’helemaal niet katholiek meer’. Maar hij geneerde zich niet om de omstreden boeken van prof. Schillebeeckx aan te prijzen als het werk van iemand die nog echt de schat van de theologische traditie kent.

Met grote tegenzin – hij zou driemaal hebben geweigerd – aanvaardde hij in 1976 de benoeming om bisschop van Utrecht te worden, na kardinaal Alfrink. Hij mocht de leiding van zijn geliefde eenheidssecretariaat houden – een tot mislukking gedoemde combinatie. Willebrands, van Noord-Holland, was sowieso al lang uit Nederland weg; het aartsbisdom Utrecht kende hij helemaal niet. Zijn dubbeljob maakte het onmogelijk om daar echt in te groeien, zeker toen Rome zijn aanvraag om hulpbisschoppen jaren ophield.

Aan Willebrands was de opdracht de onder polarisatie kreunende kerkprovincie én bisschoppenvergadering op één spoor te krijgen. Maar de parttimer kreeg dat natuurlijk niet voor elkaar, annex ging ook op zijn oecumene-secretariaat de vaart eruit.

In het Utrechtse voer Willebrands een eigen koers. Enerzijds negeerde hij de Vaticaanse eis om alle gehuwde priesterdocenten bij het katholieke hoger onderwijs te ontslaan, en hield hij pastorale werkers de hand boven het hoofd. Anderzijds maakte hij korte metten met het verzoek van het Landelijk Pastoraal Overleg om in Rome vrouwelijke priesters te bepleiten. Hij schafte een theologieopleiding af die hem te eenzijdig maatschappij-kritisch was en begon het Ariënskonvikt als priesteropleiding.

De eenheid onder de Nederlandse bisschoppen probeerde hij te forceren door de paus te vragen hen allen in januari 1980 naar Rome te ontbieden voor een ’bijzondere synode’. Een jaar later stelde hij teleurgesteld vast dat ze met de verdeeldheid nog even ver van huis waren.

Toen hem aan de vooravond van die synode bezorgd werd gevraagd of er wel een goede gespreksleider van buiten zou zijn, reageerde hij bits: „Zeker om het gesprek te manipuleren.” Het tekende toch zijn blind vertrouwen in het eigen gesloten klerikale, curiale netwerk dat juist deel van het probleem was.

Van nature veel meer een professor dan een bestuurder werd Willebrands de klassieke kop van jut: voor de conservatieven te liberaal, omdat hij bijvoorbeeld de open, warme hulpbisschop Jan Niënhaus naast zich wilde. Progressieven wantrouwden hem als curieman; echt bruggen kon hij niet slaan, terwijl hij bepaald geen kille, afstandelijke prelaat was.

Gedesillusioneerd en vernederd – JPII benoemde tegen Willebrands’ advies in toch Simonis tot zijn opvolger – keerde hij in december 1983 naar Rome terug, waar hij zich tot zijn tachtigste weer uitsluitend aan zijn secretariaat wijdde. Daarna bleef de reislustige kardinaal in Rome wonen, her en der lezingen houden, en genietend van klassieke én popmuziek, voetbal kijken, theaterbezoek en iconen verzamelen.

Zijn laatste jaren sleet hij in het klooster van de franciscanessen te Denekamp. Zijn kennis, herinnering, taal ontglipten hem. De oud-collega’s, de door hem niet gewenste Simonis voorop, maar ook Muskens (Breda) die hem in Rome zo goed kende en bewonderde, hielden hem in zijn moeizame nadagen in ere.

Volgens sterke geruchten was Willebrands in 1978 bijna paus geworden: knappe man, talenkennis, internationale en Romeinse ervaring, middenfiguur. Wojtyla en Willebrands gingen nek-aan-nek. West-Friese nuchterheid verloor uiteindelijk van Pools charisma. Was dat misschien toch niet zo'n zegen? Fantasieën over hun beider eerste postume samenspraak nemen gemakkelijk een hoge vlucht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden