In Indonesië is God groot maar politiek onberekenbaar

AMSTERDAM - In Indonesië lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Lijkt, want de afgelopen week zijn analyses en voorspellingen van 'deskundigen' door de feiten net iets te vaak afgestraft om op dit punt niet zeer voorzichtig te zijn. Maar toch...

Toen na de mislukte (communistische?) coup van 10 oktober 1965 de nieuwe machthebber, generaal Soeharto, en zijn groep nationalistische medeofficieren de grondslag legden voor wat de Ordre Baru (Nieuwe Orde) zou gaan heten, sloten ze een coalitie met seculiere modernisten, katholieke intellectuelen en Chinese confucianistische zakenlui.

Aan dit verbond lag de vrees ten grondslag dat de traditionalistische islam het politieke machtsvacuüm zou gaan opvullen dat de bijna letterlijk uitgeroeide communistische partij had achtergelaten.

Overigens had diezelfde legertop eerst op tal van plaatsen in het land moslim-jongerenorganisaties, zoals op Java de islamitische jeugdbeweging Ansor, misbruikt om het vuile werk te doen bij de bloedige klopjacht op iedereen die ook maar in de verste verte van rode sympathieën kon worden verdacht.

Toen de moslim-Mohr seine Schuldigkeit getan had kon hij echter weer gaan en brak er een tijdperk van afgedwongen 'secularisatie' aan dat pas midden jaren tachtig eindigde. Zo werd het bidden op de werkplek voor moslimambtenaren verboden, waren in het openbare onderwijs hoofddoekjes taboe, moesten de vier islamitische partijen in 1973 gedwongen fuseren tot een eenheidspartij (PPP) die zich niet islamitisch mocht noemen, en liep een moslim die openlijk om invoering van de shari'a (moslimwetgeving) riep, een levensgrote kans voor jaren in de gevangenis te belanden.

Het leger duldde niet dat er getornd werd aan het adagium van de staatsideologie (pancasila) dat elk van de erkende godsdiensten dezelfde status bezit. Ondanks het feit dat 85 procent van de bevolking moslim is. Het officierskorps herinnerde zich nog al te goed hoe ze na 1949 jarenlang had moeten strijden tegen de Darul Islam- beweging die van Indonesië een moslimstaat wilde maken.

Inmiddels zijn we 32 jaar en één machtswisseling verder. In die tussenliggende tijd heeft het religieus reveil dat door de islamitische wereld trekt, ook Indonesië bereikt. Al is het fundamentalisme er beperkt - de Indonesische, soenitische islam (beïnvloed door hindoeïsme, boeddhisme en heterodox soefisme) kenmerkt zich over het algemeen door godsdienstige gematigdheid - toch manifesteert de geestelijke renaissance zich steeds nadrukkelijker.

Zo zitten de moskeeën voller dan ooit - wat niet wegneemt dat in de steden de helft van de bevolking er nooit komt -, stijgt het aantal Mekkagangers met het jaar, stuurt een groeiende groep ouders uit de middenklasse haar kinderen naar particuliere islamitische (pesantren-) scholen, zijn er steeds meer jonge intellectuelen die zich voor de Koran en de islamitische regels interesseren, en is ook in de stad het puasa (vasten tijdens de Ramadan) populair.

Een en ander leidt tot een groter zelfbewustzijn onder de moslims, die aanvankelijk op sociaal en educatief gebied een forse achterstand hadden op de christelijke minderheid (tien procent van de bevolking). De Nieuwe Orde met zijn grote onderwijsprogramma's bood hun de gelegenheid die kloof te dichten. Eind jaren zestig betraden de eerste orthodoxe moslims de universiteiten en twee decennia later zaten ze al in leidende functies binnen het staatsapparaat, de strijdkrachten, het openbare onderwijs en het zakenleven.

Yes, we are moslims viel op de ruit van menige auto in Jakarta te lezen. Men had het stigma van kampungan (volks, wat achterlijk) te zijn, afgeschud en wilde dat weten ook.

Aanvankelijk reageerde het bewind repressief op de hele ontwikkeling. Maar toen nieuwe seculariseringsmaatregelen in 1984 en '85 tot hevige rellen in de steden leidden, gooide men het roer gedeeltelijk om. Het hoofddoekverbod in het openbaar onderwijs werd opgeheven, er kwamen speciale islamitische rechtbanken voor huwelijkskwesties en de staatszenders van radio en tv onderbraken voortaan hun programma's vijfmaal daags voor gebed. In 1991 ging Soeharto zelfs ter bedevaart naar Mekka, opvallend voor een man die zich voordien meer door zijn dukkun (waarzegger) dan door de islamitische rituelen had laten leiden.

De 'bekering' van het regime ging echter verder dan deze kosmetische aanpassingen. Zo liet president Soeharto zijn rechterhand Habibie - hij is hem thans opgevolgd - in 1990 een Verbond van moslimintellectuelen (ICMI) oprichten, met als voornaamste doel het versterken van de positie van de islam in alle gelederen van de samenleving. Al spoedig had ICMI zijn eigen islamitische bank (Muamalat), zijn eigen denktank (Cides) en zijn eigen kwaliteitskrant (Republica).

Leden van ICMI zaten op belangrijke posten in het overheidsapparaat. Een flagrante schending van Soeharto's eigen beginsel dat geen religie op staatsniveau dient te opereren.

ICMI-ers drongen ook door tot de top van de strijdkrachten, Abri, traditioneel de verdedigers van de pancasila, de ideologie die moest voorkomen dat Indonesië een islamitische staat zou worden. Hoge militairen als Hartono, stafchef van de landmacht, en het hoofd van de defensiestaf, Tanjoeng, bleken volgelingelingen van Habibie, toen nog minister.

Binnen het officierskorps vormden zich twee facties: de groenen die het leger wilden islamiseren, en de rood- witten die de pancasila verdedigden. De eersten, een minderheid, lijken in 1995 en '96 de initiatiefnemers te zijn geweest van provocatieve brandstichtingen en plunderingen, gericht tegen christelijke kerken en Chinese winkels. Het recente gewelddadige optreden tegen studenten in Jakarta schrijft men eveneens op hun conto.

Ook de gewelddadige conflicten die vorig jaar de nationale verkiezingsstrijd begeleidden, waren het gevolg van verdeeldheid onder de officieren.

De machtsstrijd die zich de afgelopen dagen binnen de militaire leiding heeft afgespeeld, valt moeilijk los te zien van bovengenoemde religieuze tegenstellingen. Het lijkt bijvoorbeeld geen toeval dat de vrijdag afgezette commandant van de veiligheidstroepen, Soeharto's schoonzoon Prabowo, is opgevolgd door een christen, generaal-majoor Lumitang. Prabowo had nauwe banden met orthodox-islamitische groepen. Datzelfde geldt voor de stafchef van het leger, Subagyo, en de garnizoenscommandant van Jakarta, Syafrie Syamsuddin, die eveneens de laan zijn uitgestuurd.

Defensieminister en chef-staf van de Indonesische strijdkrachten Wiranto, de man die de eerste ronde van het machtsspel in zijn voordeel lijkt te hebben beslist, staat bekend als een gematigde moslim die elke aantasting van de pancasila als een bedreiging van de nationale eenheid ziet.

Geen overdreven inschatting in een land met dertig miljoen niet-moslims: christenen, hindoes, boeddhisten, confucianisten en animisten.

Wiranto staat model voor de meerderheid van de officieren die de strijdkrachten zien als schepper van het moderne, seculiere Indonesië.

Net als zijn voorganger Soeharto dat in 1965 deed, lijkt Wiranto steun te zoeken bij de christenen, de etnische Chinezen en bij de groep Indonesiërs die wenst vast te houden aan een seculiere levenswijze. Maar ditmaal klopt hij, als de voortekenen niet bedriegen, ook om hulp aan bij de gematigdigde moslims die zich hebben verenigd in de Nahdlatul Ulama (NU), met 35 miljoen leden de grootste moslimorganisatie ter wereld.

Het is namelijk de vraag of oppositieleider Amien Rais, die de afgelopen dagen zoveel van zich heeft laten horen, wel de natuurlijke bondgenoot is van al degenen die streven naar een democratisch, multireligieus bestuurd Indonesië.

Rais, leider van de op één na grootste moslimorganisatie in het land (Muhammadiyah, 28 miljoen leden), mag tegenover de westerse media de mond vol hebben van mensenrechten, volkssoevereiniteit en democratie, tegenover zijn eigen, traditionele achterban zet hij zich in woord en geschrift af tegen “zionisme, westers imperialisme en kristenisasi die onze islamitische samenleving als een kankergezwel aantasten.”

In het recente verleden leek Rais te lonken naar grotere invloed van de moslimmeerderheid op de maatschappelijke en politieke structuren, als opmaat naar islamisering van het staatsbestuur. Reden waarom hij, in tegenstelling tot NU-leider Wahid, toetrad tot de ICMI van Habibie. Laatstgenoemde weigert beslist de kaart van de islam te spelen.

Wat Habibie betreft: de vijfduizend 'studenten' die vrijdag bij het parlementsgebouw in Jakarta, Allah Akbar (God is groot) roepend, rellen trachtten uit te lokken, mogen dan wellicht, zoals hun leiders zeiden, niet door de nieuwe president zijn gestuurd, het is inmiddels wel duidelijk dat hij minstens op de hoogte was van hun geplande actie.

Waarmee gezegd wil zijn dat de komende dagen, weken, maanden niet alleen beslissend worden voor de politieke en economische toekomst van Indonesië, maar ook voor de vraag of de pancasila of de shari'a er het fundament van zal uitmaken. Ook dat antwoord hangt voorlopig in de lucht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden