Opinie

In het zicht van de dood zijn artsen tot rare fratsen in staat

Ik denk wel eens dat we de laatste 50 jaar weinig opgeschoten zijn in de geneeskunde. Ik bespaar u mijn narrige overwegingen, maar soms stuit je op een medische situatie van voor onze tijd en dan blijkt het aanstellerige lichtzinnigheid om te stellen dat we niet veel verder zijn gekomen.

We gaan terug naar november 1922, Parijs, Rue Hamelin nummer 44, waar Marcel Proust in zijn laatste dagen is. Wat hij dacht van artsen is zonder enig misverstand te lezen in zijn werk, waarin hij hen onder meer wegzet als subtiele meteorologen die het weer slechts kunnen voorspellen en die onvoldoende protesteren tegen de mythe dat ze het weer ook kunnen regelen.

In de lente van 1922 had hij op een nacht Céleste Albaret, zijn toegewijde huishoudster, vriendin en vertrouweling, bij zich geroepen om haar uitgeput maar met een lach te zeggen: „Vannacht heb ik het woord ’einde’ geschreven. Nu kan ik sterven.”

In de weken voor zijn dood bewoog hij zich in een steeds beperkter wordende kring rond zijn bed. In de laatste dagen weigerde hij elke vorm van vast voedsel, maar dronk hij nog wel bier, koffie met veel melk en kruidenthee. Zijn broer Robert, een prominent arts evenals hun vader, keek in wanhoop toe hoe Marcel zijn toestand verwaarloosde door zo slecht of niet te eten. Marcel weigerde in Roberts kliniek te worden opgenomen.

Zijn laatste nacht bracht hij door met het niet meer geheel consistent corrigeren van drukproeven van ’Albertine disparue’. In de ochtendschemer van zaterdag 18 november meende hij een grote in het zwart geklede vrouw te zien die niemand kon aanraken. Céleste beloofde hem dat ze haar weg zou sturen. Zaterdagmiddag kwam dokter Bize om Proust precies die narigheid te bezorgen die hij Céleste gesmeekt had hem te besparen: een injectie. Proust haatte wat hij ervoer als het zinloze treiteren van stervenden. Dokter Bize was waarschijnlijk wanhopiger dan zijn patiënt en injecteerde hem met kamferolie, een substantie die het hart mogelijk zou aanzetten tot grotere activiteit. Enkele uren later stierf Proust. Met de zinloze kamferolie in zijn lichaam.

Anderhalf jaar later treffen we Kafka in een sanatorium in Kierling bij Wenen. Hij ligt, eindelijk, op zijn sterfbed. Ik zeg ’eindelijk’, want de route die hij moest afleggen alvorens hij in zijn laatste uren belandde, is te pijnlijk voor woorden. Er waren twee mensen bij hem die elk op eigen wijze intens veel van hem hielden: Dora Diamant, zijn laatste geliefde, en Robert Klopstock, een jonge arts die hij eerder in een ander sanatorium als medepatiënt had leren kennen.

Kafka’s tuberculose was vanuit zijn longen uitgezaaid naar zijn keel, hetgeen tot heftige pijn leidde. Hij dreigde op het laatst letterlijk te stikken door de zwelling van het ontstoken weefsel. In de vroege ochtend van 3 juni 1924 werd ademen steeds moeilijker en Dora maakte Robert wakker die de dienstdoende arts waarschuwde. Die gaf een injectie met, daar hebben we ’m weer, kamfer. Het hielp niet. Kafka worstelde verder. Ergens in de voormiddag gebaarde hij op bruuske wijze dat het dienstmeisje de kamer uit moest en vroeg Robert in grote nood om een dodelijke dosis morfine. „U hebt het mij al vier jaar lang beloofd.” Klopstock deinsde terug. Begrijpelijk. Toen werd Kafka, waarschijnlijk voor de allereerste keer in zijn gemartelde leven, agressief. „U tergt mij, hebt mij altijd getergd. ik praat niet meer met u. Dan zal ik zo sterven.” Toen gaf Klopstock hem een injectie met een opiaat (pantopon). Dat had effect. Kafka vroeg om meer en bezwoer Klopstock hem niet te bedriegen met onwerkzame middelen. Klopstock gaf inderdaad meer. Niemand weet hoeveel. Om Dora het laatste stukje te besparen, was ze weggestuurd voor een boodschap, maar Robert zag hoe snel Kafka wegzakte en liet haar gauw terughalen. Ze had buiten wat bloemen geplukt die ze voor zijn gezicht hield met de woorden: „Kijk eens naar die mooie bloemen, Franz, ruik er eens aan”. Kafka heeft toen nog even zijn hoofd opgebeurd voordat hij overleed.

Wij zijn nu 85 jaar verder. Deze twee medisch zeer goed geïnformeerde zieken werden in hun laatste dagen gezien door de beste artsen uit Parijs en Wenen. Diagnostisch kwam men er prima uit, therapeutisch had men niks te bieden, maar op het punt van palliatie, lijdensverzachting, gedroegen ze zich zo beroerd dat het iets onwaarschijnlijks krijgt. Er bestond geen enkele rationele overweging op grond waarvan kamfer zou kunnen worden aangewend om stervenden als Proust en Kafka bij de dood weg te halen. Het was net zo stom als een spijker in een oog duwen in de hoop dat er dan beter mee gezien wordt. En toch deden ze het, deze begaafde clinici. Ik denk dat hier sprake was van hovaardij, die, in onmacht vervallend, woest om zich heen ging rammen.

Artsen zijn beslist geen beschroomde types geworden sinds die dagen en nog altijd in staat tot rare fratsen in het zicht van de dood. Maar wangedrag als rond deze twee beroemde stervenden komt denk ik niet vaak meer voor.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden