In het teken van de B: Bierenbroodspot in Baalbek

In de glooiende Bekaavallei bij Baalbek ligt, omgeven door _ nu nog _ groene velden, een groot tempelcomplex. Het zijn de overblijfselen van het Romeinse Heliopolis, de kolonie waar in 200 voor Christus, Jupiter, Venus en Mercury werden aanbeden. Van de drie tempels is die van Bacchus nog het best bewaard gebleven. De muren zijn bijna geheel intact en reiken ruim 20 meter de hemel in en het merendeel van de 50 pilaren staat er nog. Een brede trap van 33 treden brengt je naar het voorportaal. Daar, omgeven door omgevallen pilaren van twee meter doorsnee, staat de 49-jarige Gertie Bierenbroodspot voor een krakkemikkig tafeltje met een houten tekenplank erop. Band om haar blonde haar, een groene parachutistenbroek, halfopgerold, met verfstrepen, witte schoenen zonder veters, en opgedroogde roze verf op haar hand. “Daar kun je goed mee housen in Amsterdam, die schoenen, met de hand gemaakt door Fred de la Bretonnière.”

Met een verrekijkertje bekijkt ze de details, de friesen, het gebeeldhouwde plafond, de mythologische figuren en alle andere versieringen. Het is zondagochtend. “Dit is echt een rampzalige dag. Door de week is het hier heerlijk rustig, maar in het weekend komen hier zo'n 6000 Libanezen langs, want dit is natuurlijk een soort pretpark voor ze. En die komen allemaal naar dat tafeltje staan kijken. Soms, als al die toeristen me te veel worden, ga ik even om de hoek staan om een sigaar te roken, en dan staren ze allemaal naar dat tafeltje. Er liggen wat stukjes hout op, om mijn tekenplank schuin te zetten, en die pakken ze dan op, bekijken ze een beetje. Om te gillen vind ik het.” Zeven dagen per week staat ze in de tempel, bekijkt de details van het bouwwerk, en werkt op Japans rijstpapier. Ze komt vroeg in de ochtend, luncht in haar huis vlakbij de ruïnes, en gaat vaak terug in de middag, “maar het licht is dan slecht.”

En gewerkt moet er worden, want er staan allerlei projecten op stapel. Een tentoonstelling in het Singermuseum, een tentoonstelling van haar Baalbek-oeuvre in het Nationale Museum van Beiroet, twee boeken, een programma voor Twee Vandaag en de Stoel, en ga zo maar door. “Ik word er soms panisch van, zoveel werk als ik nog heb.”

Maar vandaag wordt er niet gewerkt. Vandaag wordt ze ereburger van Baalbek. In de tuin van haar 'Christenhuisje', (zo genoemd door haar omdat de oorspronkelijke christelijke eigenaren het tijdens de burgeroorlog hebben moeten opgeven aan de plaatselijke sji'itische moslims) bereidt ze haar speech voor samen met Judith Weingarten, haar reisgenoot, en de archeologe met wie Gertie een boek maakt over Baalbek, Palmyra en Petra. Een idyllische tuin, met vijgenbomen, appels en peren, een olijfboom en een moerbeiboom. Tijm- en dillestruikjes groeien rondom een klein fonteintje. “Ik mocht het niet over de 'Garden of Eden' hebben van Judith, want er ligt zoveel vuilnis in de stad", vertelt Gertie. “Het is hier eerder de 'Garbage of Eden'. Ze hebben geen vuilnisauto, en ik vind dat er hier een vuilnisauto moet komen. Dat ga ik ook zeggen in mijn speech.” Dit is haar tweede jaar in Baalbek.

Bierenbroodspot doet denken aan de schilders uit de Gouden Eeuw. Niet haar werk, maar haar manier van werken. Kunstenaars die op een Grand Tour gingen, en soms jarenlang door Europa en het Middelandse Zeegebied reisden. Op zoek naar inspiratie en licht (letterlijk en figuurlijk). Het is een schilderes die niet alleen een andere cultuur bekijkt en bestudeert, maar die ook er daadwerkelijk leeft. Zij gelooft dat dit haar de welwillendheid, en het ereburgerschap, van de lokale Baalbekies heeft gewonnen. “Ik ben gebleven. Een ieder ander kwam, en ging weer weg, maar ik bleef. En we ondergaan hetzelfde als de mensen hier.”

En leven in Baalbek, is leven in een plattelandsstadje dat de tekenen draagt van de chaos van de burgeroorlog. Het geld uit Beiroet reikt zelden tot hier, dus het water-, elektriciteits- en wegennet zijn in abominabele staat. De bevolking, voor het merendeel kleine boeren, moest van de Syrische bezetters van de lucratieve hennep- en opiumbebouwing overstappen op aardappels - een maatregel waar ze ook niet rijker van zijn geworden. De Israeliërs gunnen hun ook geen rust. Laatst was er nog een bombardement op de boerderij van de Nederlandse Pater Brouwers met meer dan tien doden. En dan is er nog de jacht op de afgezette Hezbollah leider, Subhi Toufaili, die zich ergens in de heuvels rondom Baalbek schuilhoudt. Geen boekenwinkels, geen musea, geen theaters. En het kan koud zijn in die Bekaavallei.

“Koud! Praat me niet van koud, wat hebben we een kou geleden! Met maar twee kaarsjes, want dan was er weer geen elektriciteit. IJskoud, geen warme douche, en daar zat je dan 's avonds. Nou, zullen we dan maar naar bed gaan? Oh, het is pas zeven uur. Nou ja, toch maar naar bed. Oh, er is geen stroom, we kunnen niet lezen. Een ramp was het. En het dak lekte. Op een of andere manier lekken de daken altijd waar ik ben. In New York, in Amsterdam, en hier ook.”

Baalbek maakt deel uit van een serie reizen door het Midden-Oosten die ze samen met Judith Weingarten maakt. Eerst was het Petra, in Jordanië, waar ze in 1989 voor het eerst vier maanden leefde en schilderde. Door de lokale bedoeïenen daar wordt ze 'sjeicha' genoemd, een titel bestemd voor de oudere en wijzere leden van een stam. Later kwam daar het Syrische Palmyra bij, waar ze in de tempel zelf woont. Voor wie zich nog de B herinnert; in het Arabisch zijn de P en de B één en dezelfde letter. Dus worden Palmyra en Petra met een lichte B uitgesproken. In Baalbek heeft ze een oud Libanees huis gehuurd vlakbij de tempels, aan de rand van het huidige stadje, dat met zijn kleine 20 000 inwoners, voor het merendeel sji'itische moslims, is uitgegroeid tot een monsterlelijke verzameling van betonnen constructies.

“Toen we dit huisje huurden, vorig jaar, hadden we een prachtig uitzicht over de tempels, met die bergen op de achtergrond, en een zonsondergang. We hadden het hele tafereel. En die zonsondergang, die is zo essentieel voor ons werk, voor mijn schilderen en voor Judiths boek. Ja, en nu zijn ze er dus een bankgebouw voor onze neus aan het bouwen. Dus hier komen we niet terug. Volgend jaar weer, maar dan blijven we in het hotel hier. Daar heb je vanaf het balkon een uitzicht, j“h, daar schrik je gewoon van.”

De gouverneur van Baalbek, Omar Yassine, is een wat stijve man, die van kunst niets afweet. Maar het gaat hem ook niet om de kunst, het gaat hem om Gertie. “Dit is een vrouw die Baalbek op een enorm positieve manier in de publiciteit brengt.” En positieve publiciteit over Baalbek, dat is bijna paradoxaal. De plaats staat bekend om haar integristen, haar Hezbollah hoofdkwartier, haar fanatieke moslims en haar intolerantie. Zij is de allereerste ereburger sinds hij gouverneur is, en dat is al drie jaar. “Ik geloof dat de vrouw van de president ook ereburger van Baalbek is.”

“Zullen we maar aan de champagne beginnnen”, zegt ze, als er een stel bezoekers uit Damascus binnenvalt. “Als je naar de wc moet, moet je maar even tegen een boom, of in het Palestijnenkampje hiernaast, want de loodgieter is er, en de hele wc ligt uit elkaar.” Hikmat, een van haar vrienden, komt langs om de speech op te halen voor de Arabische vertaling. Een ander haalt de posters op voor de receptie. Een derde belt op om te vragen wat ze precies wil eten op het feestje dat ze voor haar hebben georganiseerd later op de avond.

Waar een ander enkele jaren over doet, het opbouwen van een vriendkring in een nieuwe plaats, heeft Gertie slechts een maand voor nodig. Ze kent Jan en alleman in Baalbek en heeft contact met iedereen. Behalve dan met de plaatselijke Hezbollahs: Gertie valt niet bepaald onder hun ideaalbeeld van een vrouw. “Ik ga wel eens een ijsje eten, vlakbij het Hezbollah hoofdkwartier, heel spannend. Staan er allemaal mannen met geweren, en overal camera's.” Voor haar receptie die avond zijn de plaatselijke bischoppen uitgenodigd, maar geen moellahs. “Nee, dat moet ik niet hebben, moellahs.”

Ze gaat op bezoek bij een vriendin, die in een oase woont. Een prachtig huis op de heuvel, met een gigantische tuin waarin een pijnbomenbos staat. Tussen de hoge bomen hebben ze een oud ijzeren ledikant gezet, waar Gertie op neerzakt, en een sigaar opsteekt. De vriendin in kwestie heeft 30 jaar in Parijs gewoond, en is onlangs teruggekeerd naar 'haar wortels'. Het paradijsje waar ze woont is haar microkosmos, want verder dan deze tuin komt ze niet. Als ze uitgaat, is het naar Beiroet. “Ik heb heel weinig gemeen met de mensen beneden in de stad. Ze hebben een andere mentaliteit”, waarmee ze duidt op de kleingeestige mentaliteit van de Hezbollahs. Er zijn meer intellectuelen in Baalbek, die zich allemaal in hun eigen oase hebben teruggetrokken, en onderling met elkaar contact zoeken. Gertie kent ze allemaal, de modeontwerper, de dichter, de filosoof en de choreograaf.

“De Hezbollahs hier hebben alle bomen langs de kant van de weg omgekapt, zodat ze makkelijker met hun jeeps rond kunnen scheuren. Zo zonde, dus deze mensen hebben besloten om geen enkele tak meer af te zagen, als protest.” Idyllisch, maar als we wegrijden, komt ze bijna de oprijlaan niet af vanwege de laaghangende takken. “Ik heb zo'n half brilletje, dus ik zie niets als ik achteruitrijd. 's Nachts doe ik dit zonder probleem, maar ja, dan ben ik ook meestal wat aangeschoten. Dan stort ik echt slingerend die heuvel af, zo moet je hier rijden; hard slingerend en met groot licht, anders raken ze van hun stuk af.”

Onze ambassadeur in Libanon, Ronald Mollinger - die de organisatie van Gertie's tentoonstelling in het Nationale Museum van Beiroet volgend jaar op zich heeft genomen -, komt langs. “Zeg Mol, kan jij niet iets doen aan een vuilnisauto hier”, vraagt Gertie. Ze probeert nog steeds iets aan het probleem van de lokale vuilophaal te doen. Of beter gezegd, aan het gebrek aan lokale vuilophaal. Zij neemt elke ochtend, op weg naar de tempel, haar vuilnis mee in de auto, om ze bij de ruïnes in een vuilnisbak te gooien. “Maar die Palestijnen hiernaast, die moeten het elke vrijdag verbranden, en die wind staat altijd onze kant op.”

Het is tijd om zich aan te kleden voor de receptie. De parachutistenbroek en het militaire jack met verfklodders gaan uit, en een zwarte Arabische overjas gaat aan. Ze heeft wel iets weg van een 'sjeicha', behalve dat hoogblonde haar dan. “Zal ik zo gaan?” vraagt ze aan Judith. “Nee, geen zonnebril op”, antwoordt Judith, “dan denken ze dat je aan de cocaïne bent en het probeert te verbergen.” “Nou, zijn we dat dan niet?” grapt Bierenbroodspot. “Schrijf dat maar op”, zegt ze terwijl ze naar de auto loopt. “Bierenbroodspot aan de cocaïne. Jij denkt natuurlijk dat ik van nature zo actief en energiek ben, maar nee hoor, daar heb je meer voor nodig hier”, antwoordt ze, de zaak op de hak nemend. “Kom we gaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden