In het Singer Museum gaat het voortaan om de kunst architectuur

LAREN (NH) - In slechts tien maanden tijd heeft het Gooi er weer een museum bij. Het Singer in Laren is door architect Hubert-Jan Henket zo drastisch onder handen genomen, dat er sprake is van een vrijwel geheel nieuw museum.

Uitgangspunt voor de architect was het streven om het museum geschikt te maken voor het tonen van echte kunst, waarvoor hij in het bijzonder een technisch goede outillage wilde hebben. Herfstsalons, paddestoelententoonstellingen en hoendershows zijn voortaan taboe in het Singer, dat de pretentie heeft om met zijn kunsttentoonstellingen nationaal èn internationaal de aandacht te trekken.

Het Singer Museum was hard aan een opknapbeurt toe. Opgericht als het in de jaren vijftig is door de echtgenote van de Amerikaanse zakenman en schilder William Singer, heeft het zich altijd toegelegd op kunst met een degelijk karakter. De werken die Singer naliet, vormden de kern van de vaste collectie, die in een later stadium met Nederlandse en Franse meesters is aangevuld. Om die schilderijencollectie heen is als het ware een museum gebouwd, waarbij de villa van mevr. Singer, van het type 'Gooise School' (dat wil zeggen verstedelijkt rustiek) als uitgangspunt werd genomen.

De Larense architect Wouter Hamdorff bouwde oorspronkelijk een klein museum, in een stijl die het midden hield tussen een duur landhuis en een charmant oud schaapsherdersboerderijtje. Het gebouw, dat inmiddels enkele keren is uitgebreid, is nog te jong om op de monumentenlijst te worden geplaatst. Het is trouwens de vraag of dat ooit gebeurt; het gebouw mist ten ene male de uitstraling van een kernachtige architectuur.

Toen enkele jaren de wens ontstond om over een beter toegerust museumgebouw te kunnen beschikken - de klimaatbeheersing voldeed niet aan professionele eisen, waardoor het museum nooit belangrijke schilderijen te leen kon krijgen - werd dan ook de idee geopperd om het bestaande gebouw te slopen en er nieuwbouw voor in de plaats te zetten. Omdat daarvoor de middelen ontbraken - het museum draait zonder subsidies van de overheid - werd besloten om tot vernieuwbouw over te gaan. Daarvoor was een budget ter grootte van 6,5 miljoen door het zakenleven en particulieren bijeengebracht.

Architect werd Hubert-Jan Henket uit Boxtel. Hij had ervaring in de museumwereld opgedaan met het ontwerp voor het paviljoen voor archeologie en design in museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam en was voorts betrokken bij de nieuwe vleugel van het Teylers Museum in Haarlem. Henket wilde de bestaande architectuur van Hamdorff respecteren, maar vond wel dat door de uitbreidingen een wildgroei aan verkeerde ingrepen was ontstaan. In zijn opzet waren er minimaal drie aspecten aan de architectuur die voor verbetering in aanmerking kwamen. Zo moest er naast een adequate klimaatbeheersing ook een ander verkeerscircuit komen en bovendien moest de publieksonvriendelijke entreehal gewijzigd worden. De museumpui werd afgebroken en opnieuw uit glas opgetrokken. Nu is van buiten te zien wat binnen kan worden verwacht. Dat zal zeker stimulerend op het bezoek werken. In de ontvangsthal is trouwens al een prachtig doorzicht tot in de tuin aan toe te krijgen. De zogenoemde Van den Brink-galerij, die direct aan de villatuin grenst, is door Henket als zichtas gebruikt. Die maakt het mogelijk om als het ware dwars door het gebouw heen te kijken. De niet al te fraaie vitrines zijn verdwenen, wat de ruimte sober, maar wel zeer doeltreffend maakt.

Een uitbreiding van de expositieruimte behoorde niet tot de mogelijkheden, maar toch oogt het gebouw veel ruimer dan het ooit is geweest. Henket bracht veel wit in de zalen, schafte de saaie beige-tinten af en brak en passant kleine en doolhof-achtige gangen af om ze bij bestaande zalen te voegen. De achterste zalen, thans ingericht met de eigen collectie, kregen zodoende een monumentaal aanzien en lijken geknipt voor het tonen van grote sculpturen. De ruimte achter de hoofdzalen die als 'galerie' werd gebruikt, is opgeofferd aan een trappenhuis naar de kelder en sanitaire voorzieningen. Bovendien heeft in deze ruimte ook een mooi vormgegeven winkel een plaats gekregen.

Winkel en meubilair in het Singer zijn ontworpen door oudmuseumdirecteur èn vormgever Wim Crouwel. Hij paste veel eikehout toe, een materiaal dat al ruimschoots aanwezig was in de ingebouwde villa. Crouwels materiaal is alleen veel lichter gekleurd, maar met wat veroudering zal het ongetwijfeld de intensiteit van het eikehout in de villa krijgen.

Henket is een voorstander van daglicht in het museum, een opvatting die door de klassieke museumarchitecten wordt verkondigd en bijvoorbeeld haaks staat op de mening van museummensen als Frans Haks en zijn architect Alessandro Mendini in Groningen, die kunst beschouwen als te regisseren theater. “Daglicht is de mooiste belichting die je in een museum kunt wensen”, aldus Henket. Hij bedacht een ingenieuze dakconstructie, bestaande uit een groep lamellen die automatisch dichtgaan naarmate de hoeveelheid zonlicht toeneemt. Als de zon nauwelijks te zien is, zorgt de automatiek voor aanvullend kunstlicht. “Als het museumbestuur zijn zin had gekregen, was het dak gewoon afgesloten. Dat was veel goedkoper geweest. Maar mijn oplossing biedt een prachtige belichting van de kunst, en daar gaat het toch om.” De combinatie van de natuurlijk aangelichte witte zaalmuren en de grijze vloer, maakt het gebouw tot een heldere, transparante, zelfs lucide ruimte: niets leidt het oog van de kunst af. De openingsexpositie over Nederlands expressionisme uit het begin van deze eeuw mag wat dat betreft als een proeve worden beschouwd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden