In het ritme van het fietsje

Speels en luchtig weet Leo Pleysier in ’Dieperik’ het zinnelijke van de taal op te roepen. „Ik zwenk en ik zwier, ik rol, ik zwalp en ik laveer.”

De moederfiguur zoemt dezer dagen krachtig rond in de Vlaamse roman. Leo Pleysier ging landgenoten als Dimitri Verhulst en Tom Lanoye twintig jaar geleden al voor met zijn autobiografische, voor de AKO-prijs genomineerde ’Wit is altijd schoon’, waarin hij de rouw om zijn geliefde moeder vorm gaf in een postuum gesprek tussen moeder en zoon. Zijn babbelzieke moeder ratelt na haar dood gewoon door. Ze geeft advies over begrafenis, bidprentje, genodigden; zo kan de zoon het afscheid nog even uitstellen.

Die moeder keert nu terug in Pleysiers novelle ’Dieperik’, maar deze keer zonder woorden, als de vruchtbare bron en veilige haven die ze was voor hij kon spreken. Ze is op de achtergrond aanwezig in een cruciale jeugdherinnering, een die altijd met ’welbehagen, zinnelijkheid en verbeelding’ te maken had, maar die in deze tekst wordt ’opgediept, opnieuw op scherp ingesteld’, en het belangrijkste: ’in taal wordt omgezet’ – zo noteert de schrijver in de epiloog.

De verteller herinnert zich hoe hij op een zomeravond als kleine jongen rondjes fietst op het erf, terwijl zijn moeder de bonen afhaalt. ’Blezen’ noemde zij dat. Ze gaat ze nog blancheren en inwecken. De jongen heeft zijn pyjama al aan. Zijn vader is uit kaarten zoals altijd op zaterdagavond. Het is de avond na een heel warme dag. „Ik zwenk en ik zwier, ik rol, ik zwalp en ik laveer. Moeder bleest en af en toe kijkt ze op van haar werk en dan glimlacht ze naar mij.”

Helemaal zonder donkere kern is deze idylle niet, zo begrijpen wij later. De jongen draagt een geheim met zich mee op zijn fietsje, drie weken eerder is hij bijna verdronken maar op het nippertje gered door zijn zeer bewonderde oom, Nonkel Wies, een broer van zijn moeder. Hij heeft zijn oom moeten bezweren er nooit met iemand over te spreken.

Vanuit dit vormende moment, de overgang van de woordeloze symbiose met de moeder naar het taalbrengende onderscheid tussen ik en wereld, bouwt Pleysier verder aan een evocatie van de jeugd van deze jongen.

Het is kort na de oorlog in Vlaanderen. Duitsland ligt nog in puin. Heel mooi laat Pleysier de jongen met de wereld ook de taal ontdekken die deze omgeving tot uitdrukking brengt. Hij proeft de woorden die hij van de volwassenen hoort, hij speelt met klanken en betekenissen. De moeder heeft het over een buurvrouw die een reputatie is; ’rapetutie’, ’repputoasie’, verbastert de verteller.

In het ritme van het rond cirkelende fietsje roept de verteller het gezin op waarin de vader en de inwonende Nonkel Wies als kemphanen tegenover elkaar staan; de lerares Frans wier benen door een tram worden afgesneden. Hij vertelt over zijn bijna verdrinking in de kleiputten van de Steenfabriek Belmans, die hij op het concentratiekamp vindt lijken dat hij in een geschiedenisboek ziet. De fabriek gaat teloor en het dorp verandert.

Met het opgroeien van de jongen verandert ook de vorm van het verhaal; langzame jaren die als cirkels rondlopen, gaan over in voorbijvliegende, opeenvolgende jaren, ontaardend in een maffe zeven bladzijden lange opsomming van zeer uiteenlopende belevenissen. Van een bezoekje aan een tentoonstelling in het Eindhovense Van Abbemuseum tot aan voor het de derde keer vader worden.

Het blijft luchtig, losjes, wat klein ook, maar die spiegeling van vorm en inhoud maakt van ’Dieperik’ wel een zeer geraffineerde, speelse novelle. Een waarin je de schrijver geboren ziet worden: niet alleen een scherp waarnemer, maar ook iemand vol liefde voor het zinnelijke aspect van de taal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden