In het paradijs hoeft men niet te lachen

De nieuwste theatervoorstelling van Freek de Jonge draait weer om grote woorden als troost en hoop. „We hebben geloof, God en kerk verstopt, verdonkeremaand, afgeschaft. En daarom zitten we nu met de handen in het haar.”

Met een niet-van-toepassinggebaar legt Freek de Jonge de beginwoorden van Brahms’ Deutsches Requiem terzijde. (Selig sind, die da Leid tragen, denn sie sollen getröstet werden) In zijn nieuwe theatervoorstelling ’De laatste lach’ speelt muziek amper een rol. Hooguit wat gejengel uit tv-telefoonspelletjes. En, vrijwel terloops, Bachs passieklanken (Wir setzen uns mit Trünen nieder) als slot.

Maar dat troosten van Brahms (die dat weer uit Matteüs 5 vers 4 haalde) heeft wel degelijk met ’De laatste lach’ te maken. Freek de Jonge wil niets liever, al wil hij allicht niet voor predikant spelen,want dat is hij niet. Alhoewel.

Het zijn geen kleine woorden die hij hanteert: troost, vertroosting, hoop. ’Troost’ wil hij meteen gedefinieerd zien als ’herinnering aan de verbinding met het mysterie’. En ’het mysterie’, dat spreekt vanzelf, dat is ’het leven’. „En dan niet het dagelijkse leven, maar die prachtige aarde tot en met dat leuke vogeltje dat daar vliegt. Als je mensen daaraan herinnert, werkt het ongetwijfeld troostend.”

Met ’hoop’ is het somberder gesteld, want die is er simpelweg niet, ook geen Neerlands hoop.

„Je mag blijven hopen”, zegt hij in de voorstelling, „maar er is geen hoop meer.” Dat is de schuld van de secularisering; we hebben geloof, God en kerk verstopt, verdonkeremaand, afgeschaft. En daarom zitten we nu met de handen in het haar: „Er moet iets zijn, omdat de mens zonder iets niets is. Ja, dat is heel shakespeareaans.” Of: „Als er totaal ongeloof is, is niets meer heilig”.

Aangezien het huidige cabaret hem niet boeit, noemt hij zijn voorstelling liever ’theater’. Hoewel hij daar in het begin van ’De laatste lach’ meteen voor terugdeinst. „In de tijd van Beckett zat je altijd te wachten. Nu denkt het publiek: och God, dat zal wel weer een toneelstuk worden.”

Een monoloog is het, al gaat De Jonge niet zo doldriest tekeer als de generaal uit Thomas Bernhards ’De wereldverbeteraar’. Bovendien wil hij de wereld helemaal niet (meer) verbeteren. „De enige hoop die we hebben, is dat we ten onder gaan. Dat lijkt me een zegen voor de aarde. Een hard gelag, maar zo is het nou eenmaal.” Nog meer grote woorden: „Wij zijn niet anders dan een onderbreking van de eeuwigheid”.

Zelf is hij niet ontevreden over ’De laatste lach’. „Het geeft me het gevoel dat ik door kan gaan. Misschien moet ik de diverse stiltes nog beter doorgronden. En misschien moet ik eens onderzoeken hoe lang ik het kan volhouden om de zaal níet te laten lachen.”

Hij is nog steeds de nar die het volk een spiegel voorhoudt, en uit die spiegel doemt meer grimmigheid dan geestigheid op. Hoewel grinniken ook weer niet verboden is, getuige ’de wildgroei aan holocaustspulletjes’ en het verslag hoe hij in de dagen dat Nederland nog geloof aan geloof hechtte met zijn vader naar de Avro-studio reisde.

Zijn vader de predikant zal daar na de ’Waterstanden’ de morgenwijding presenteren en zo ’het heil’ over volk en vaderland brengen. Toen er kennelijk nog hoop was. Het jongetje Freek ziet een bromvlieg voor de duivel aan en wil die met een genadeklap doodslaan op de rug van zijn vader, die daardoor de radiowijding om zeep gebracht weet.

De wereld gaat dus nog niet eens aan oorlog ten onder, maar aan ongeloof en massaconsumptie. Het is met mens en wereld nog nooit zo erg gesteld geweest als nu. „Als je denkt aan het begin, zo’n 400.000 jaar geleden, en aan hoe de aarde zich de laatste vijftig jaar heeft ontwikkeld. China en India komen er met totale consumptie nog eens bij; daar is de aarde gewoon te klein voor.”

„Dat de mens tot godsbesef is gekomen, is misschien het beste wat de mens gedaan heeft. Maar de geest is uit de fles en wat houden we over? Voetbal, socialisme, kunst? Nee. We houden over dat een leider als George Bush nu het hoogste is wat de mens kan bereiken. En dat is dramatisch armzalig.”

„Er is ook niet meer vol te houden dat alle mensen gelijk zijn. Voor het aangezicht van God is iedereen gelijk. Maar zodra je het idee van een opperwezen weghaalt, blijkt dat er ook domme, luie, arme en rijke mensen zijn.”

Vraag je of hij niet wat veel somberte en pessimisme torst, dan kijkt hij je vriendelijk-verbaasd aan: „Hoezo? Dat zijn maar stemmingen die wij onszelf toestaan. Neem de kapitein die met zijn schip en lading van Engeland naar Amerika vaart. Wat maakt het nou uit of hij optimistisch of pessimistisch is? Niet van belang. Hij moet alleen maar vertrekken en aankomen, zijn bestemming bereiken.”

Zolang het nog kan, heeft de wereld volgens De Jonge een redactie nodig. „Waarom hecht men zo aan ’nieuws’? Zo’n Koreaanse student die in Amerika een stuk of wat mensen doodschiet en zegt dat te willen doen omdat ie op de televisie wil komen. Vervolgens kómt-ie overal in de krant en op televisie. Terwijl je dat natuurlijk juist niet moet doen. Ja, maar dat is nieuws, zeggen ze dan. Nee, dat is een fixatie waar je niet wijzer van wordt.”

Is het de bedoeling dat de toeschouwers gelouterd en opnieuw gekerstend ’De laatste lach’ verlaten? „Nee, ik ben geen predikant. En ik wil ook niet God in ere herstellen.”

„Spelenderwijs leerde mijn vrouw van haar moeder kostuums en jurken in elkaar te zetten. Onze kinderen weten nog van het bestaan van een naaimachine, maar niet meer hoe je die moet gebruiken. En daarna komt de generatie die niet meer weet hoe je kleding maakt of herstelt. Zoals de bijbelverhalen er bij mij in zitten, zitten die er bij mijn kinderen al niet meer in. Waar dat toe leidt? Tot de roboteske mens. Die keurig z’n werk doet, ’s avonds te uitgeput is om iets anders te doen. In z’n vrije tijd robotesk recreëert in Center Parcs en denkt dat uit vrije wil te doen. De illusie van de vrijheid; we kunnen geen kant op in dat knappe raderwerk met ons als slaven van de consumptiemaatschappij.”

De Jonge weet ook wel dat Charlie Chaplin daar in zijn ’Modern Times’ al vergeefs op wees, en ziet daar zowaar iets troostrijks in: „Er zijn genoeg profeten. Het allertreurigst is dat het niet veel meer uitmaakt. Elke inspanning om ’dat lijden’ te verzachten, heeft niet geholpen. Het lijden is alleen maar groter geworden. Onze bemoeienissen met Afrika hebben niet geleid tot een modelcontinent. Die geweldige uitvinding van de motor, de auto, blijkt ons achteraf de keel dicht te knijpen.”

’De laatste lach’ knipoogt naar ’het laatste oordeel’ of daar nog voorbij. „Naar het ultieme geluk; als het oordeel gepasseerd is. In de hemel is het lachen voorbij. Ze kúnnen niet lachen in het paradijs omdat daar geen reden tot lachen is. Ze zijn ook niet gelukzalig, want er is geen oordeel. Er is geen goed of kwaad, en humor ontstaat juist door de spanning tussen goed en kwaad. Zoals dieren niet oordelen. Er staat nooit een hoofdschuddende egel naast een doodgereden egel.”

i’De laatste lach’ van Freek de Jonge in het Amsterdamse Compagnietheater, 17/11 en 4 t/m 15/12. 020-5205320 of www.freekdejonge.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden