In het huis van Rietvelds muze

Theatergroep Koper speelt in het Utrechtse Rietveld-Schröderhuis de voorstelling ’Zitten is een werkwoord’. Het publiek neemt buiten op tribunes plaats. De acteurs spelen binnenshuis.

Als plaats van handeling geldt het huis dat twee geliefden voor elkaar ontwierpen, waarin ze vooruitstrevend woonden en waarin beiden ook stierven. In de locatievoorstelling ’Zitten is een werkwoord’ gaat het om meubelmaker en bouwkunstenaar Gerrit Rietveld, zijn muze Truus Schröder en hun Rietveld-Schröderhuis (1924) in Utrecht.

Belangrijker nog dan het monumentale huis, vindt regisseur Dea Koert de personages; de mensen dicht om Rietveld heen. Allicht muze (alias minnares) Truus Schröder, Rietvelds dochter Bep, medelid van de kunstenaarsbeweging De Stijl Theo van Doesburg met zijn vrouw Nellie, en zijdelings ook Rietvelds (afwezige) echtgenote Vrouwgien.

Ze verschijnen ten tonele in de elementaire (Rietveld-)kleuren rood (Truus Schröder), blauw (Rietveld), geel-met-grijstint (Nellie van Doesburg), wit (verzetsstrijdster) en zwart (dochter Bep Rietveld).

Theatermaakster Dea Koert baseerde zich op de biografie van Rietveld-medewerker Bertus Mulder, ’Gerrit Thomas Rietveld – leven denken werken’. Ze selecteerde een lijstje van belangrijke feiten, en vroeg Kiek Houthuijsen en Ton Vorstenbosch er een stuk over te schrijven.

Hun toneelstuk ’Zitten is een werkwoord’ speelt in het Rietveld-Schröderhuis, de toeschouwers zitten buiten op een tribune en volgen de woorden die binnenshuis worden gesproken via hoofdtelefoons. Het museale huis is te klein voor zoveel mensen, en bovendien te kwetsbaar. Het maximum aantal bezoekers per rondleiding (reserveren kan via het Centraal Museum) bedraagt twaalf.

De titel verwijst naar Rietvelds antwoord, dat hij steevast gaf als mensen klaagden dat zijn stoelen zo spartaans om op te zitten zijn. Ook tegen zijn muze zelf: „Wat heb ik nou altijd gezegd, Truusje? Zitten is een werkwoord. Als je moe bent ga je maar liggen.”

De in 1964 overleden Rietveld had wel meer stelligheden voorhanden. Post gooide hij het liefst ongeopend meteen weg: „Als het belangrijk is, schrijven ze nog wel een keer.” Poseren voor een buste? „Ik ben geen figuur voor zo’n kop op een voetstukje. Daar ben ik een veel te onbestendig mens voor.”

Een verkoudheid weerhield hem er niet van met openwapperend overhemd rond te toeren. „Zojuist heb ik op de motor met de mond wijdopen zo hard mogelijk rond de stad gereden. Geen bacil die daar tegen bestand is.” In de voorstelling speelt een motor een subtiele bijrol: via een slangetje op de ronkende uitlaat weerklinkt de lievelingsmuziek van De Stijl-leden: boogiewoogie.

In de oorlog maakte hij stempels om persoonsbewijzen te kunnen vervalsen. „Je denkt toch zeker niet dat ik me kan aansluiten bij een beweging die spreekt van ontaarde kunst. Kunst kan niet ontaard zijn. De nazi’s zijn zelf ontaard: te verdwaasd om te scheppen en dus gaan ze vernietigen.”

Tussen Truus Schröder en Rietveld was het liefde, en vooral zielsverwantschap op het eerste gezicht. Zo klinkt het in de voorstelling: Truus: „Je vader en jij kwamen een antiek bureau brengen op het advocatenkantoor van mijn man. Ik vond het niet mooi en jij ook niet, dat zag ik direct.”

Rietveld: „Het was afschuwelijk. Een en al tierelantijn. Ik zag dat jij dat zag. Van meet af aan twee zielen één gedachte.”

Truus: „Daarom wilde ik ook dat jij mijn kamer verbouwde. Alleen jij kon het zoals ik het wilde. Dat wist ik. Twee zielen....”.

Truus Schröder was de muze, geliefde en opdrachtgeefster van Rietveld. Daarom klinkt Rietvelds opmerking tegen zijn dochter Bep meervoudig: „Ik moet nog iets bespreken met mevrouw Schröder en je weet: werk gaat voor het meisje.”

Truus Schröder gaf Rietveld de opdracht een huis ’met licht en lucht, een nieuwe manier van wonen’ voor haar te bouwen, en later twee huizenblokken voor sociale woningbouw tegenover haar huis aan de Erasmuslaan, toen aan het einde van de stad.

Rietveld maakte de bouwtekeningen, maar als artistieke symbiose ontwierpen ze samen hun ongekende huis aan de kopse kant van de Prins Hendriklaan. De theatrale Truus Schröder: „Tekenen kon ik niet, maar tekeningen lezen des te beter. Ik verwoordde mijn ideeën en Riet tekende ze dan.”

Gezamenlijk zochten ze naar harmonieuze soberheid, tot en met de stoppen van het schakelpaneel in de hal: zichtbaar als een schilderij in het marmer, in plaats van weggewerkt in een schakelkast onder de trap. En de ’organische tafel’. In een houtzagerij zag Rietveld een eik die in planken was gezaagd. De planken lagen opgestapeld in de vorm van de boom. Toen hij dit zag kwam hij op de gedachte een aantal van de plakken boom om en om tegen elkaar te leggen en zo een tafelblad te maken”, aldus biograaf Bertus Mulder.

Rietvelds echtgenote, Vrouwgien, die wist welke betrekkingen haar man met Truus Schröder onderhield, verschijnt in ’Zitten is een werkwoord’ niet ten tonele maar komt ter sprake via haar dochter Bep. In tegenstelling tot Rietveld bleef zij haar gereformeerde geloof en haar ouderwetse crapauds trouw. „Ze had niets met het modernisme”, zegt dochter Bep. En was daarmee de antipode van Truus Schröder.

Rietveld zelf maakte volgens regisseur Koert strikt onderscheid tussen de begrippen bouwkunde en bouwkunst. „Bouwkunde zag hij als constructivistisch en technische noodzaak. Bouwkunst daarentegen heeft met de ruimte in en om het gebouw te maken.”

Ook daarin steunde Truus Schröder hem onvoorwaardelijk. „Vakverrotting! Jou uitmaken voor een technisch en constructief onbenul. Jouw gevels zijn één prachtig vlak, zonder storende randen. Dan kan het natuurlijk voorkomen dat het dak lekt. Daar moet gewoonweg nog een technische oplossing voor gevonden. Laten die ingenieurs zich daar eens over buigen.”

Theatermaakster Dea Koert tooit haar Rietveld in het volkomen blauw als verklanking van de lucht, de ruimte, en haar Truus Schröder in volslagen rood, ’als een artistiek, extravert bloemetje, als kleur van de passie’.

Koert bleef naar historisch materiaal over Rietveld, De Stijl en daaromtrent speuren, en stuitte op een schotschrift van Theo van Doesburg. Hij gaat tekeer tegen de selectiecommissie die De Stijlgroep nauwgezet buiten inzending voor het Hollands Paviljoen op de biënnale van 1925 in Parijs hield. Ook die zit in de theatervoorstelling, net als het licht Haagse accent van Van Doesburg, en het Utrechts accent van Rietveld.

„.....dat de Nederlandsche vertegenwoordigers in Parijs zich ten zeerste beijverd hebben de Stijlmedewerking te verijdelen en in plaats daarvan een leêge baksteenvirtuositeit te protegeeren”, wordt in het schotschrift uit de jaren twintig gesteld. „Zoo werd de hollandsche architectuur vertegenwoordigd door een afgrijselijke baksteenmassa, geornamenteerd met de nationale wapens en versierd met eenige uitdrukkingslooze baarpoppen boven op het hollandsche boerendak – alles met de arrogante allure van monumentale, nationale, orchestrale tempelarchitectuur. (-) Deze onverantwoordelijke en eenzijdige vertegenwoordiging maakt Holland voor de oogen van alle natieën even zeer te schande, als zijn, destijds, dom en boersch reageren op het dadaïsme.”

Als klaroenstoot plaatste Van Doesburg bij zijn tirade een foto van het Rietveld-Schröderhuis met het bijschrift: ’Maison de Mme Schröder à Utrecht.’ Ozo.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden