In het dode land van Braks en Bleker

Met de bezuinigingen op natuurbeheer moeten de agrariërs met 'gezond boerenverstand' het landschap gaan onderhouden. Maar kunnen ze dat wel?

Pal langs de A32 bij Steenwijk is een klein wonder geschied. Een paartje watersnippen stuift op. Pioniersplanten als waterviolier en vroegeling zorgen in de lente voor een witte waas over het landschap. De tureluur staat parmantig op een paal. En de blauwborst is wel niet te zien, maar hij is wel te horen, met op de achtergrond het geruis van de snelweg.

Ecoloog Mark Zekhuis van Landschap Overijssel heeft op deze plek de afgelopen jaren 61 hectare bedrijventerrein omgevormd tot 'tijdelijke natuur'. Voor nog geen duizend euro beheerskosten per jaar ontstaat hier langzamerhand een waardevol natuurgebied dat dynamischer is dan de naastgelegen Weerribben. Zijn geheim? Vooral niets doen.

De belangrijkste elementen voor succes zijn volgens hem de schraalheid van de grond en het feit dat het gebied geen enkele functie heeft. Het wordt met rust gelaten. Tenminste: zolang hier niet gebouwd wordt. Op dit arme bedrijventerrein groeien de kruiden weer die vroeger op het boerenland stonden - op één vierkante meter wel vijftien soorten. En de uitgebloeide zuring trekt vogels als de kneu aan. Er zijn poelkikkers, en laatst zag Zekhuis zelfs een ruigpootbuizerd. "Hier ontstaat de natuur die vroeger nog in de landbouwgebieden aanwezig was", zegt hij terwijl hij naar 'zijn' land loopt. "Maar die is inmiddels door de intensieve landbouw verdwenen." De wallen en de ruigtes zijn er niet meer, elke meter heeft een functie, en de mest zorgt voor grond met te veel stikstof.

De snelweg A32 laat op deze plek letterlijk de tweedeling zien die hoogleraar Frank Berendse in de Nederlandse natuur waarneemt. Aan deze kant van het asfalt-lint ontwikkelt zich de natuur van Zekhuis, aan de overkant ligt eerst Steenwijk, waarna een nog relatief kleinschalig akkerland volgt dat via Blokzijl en Marknesse uiteindelijk in de Noordoostpolder uitkomt. Van rijk naar arm.

Het boerenland oogt groen, maar is het al lang niet meer, stelt Berendse die doceert aan de universiteit van Wageningen. Omdat hij op verjaardagsfeestjes als hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie altijd de vraag krijgt voorgelegd 'hoe het nu eigenlijk gaat met de natuur in Nederland' besloot hij een sabbatical te nemen om antwoord op die vraag te krijgen. Hij ging het land in. Naar de Drentse hoogvenen en de duinen, van de Gelderse beekdalen tot de polders en van het rivierenland tot de Limburgse heuvels. Over een paar weken verschijnt zijn 'Natuur in Nederland', dat een standaardwerk moet worden in de traditie van de klassieker 'Wilde Planten'.

Hoewel Berendse enthousiast en vol bewondering schrijft over de pracht die hij tegenkomt, is zijn oordeel hard over de kwaliteit van het landschap op basis van wetenschappelijke gegevens. "Er is grofweg sprake van een tweedeling die zich steeds scherper aftekent in de gegevensbestanden van de nationale database flora en fauna", zegt hij. Enerzijds zijn er de natuurgebieden die het soms moeilijk hebben omdat de beheerders de waterhuishouding onvoldoende in de hand kunnen houden of door ammoniakuitstoot op aangrenzende landbouwbedrijven, maar zij boeken ook grote successen met de terugkeer van de kraanvogel en de zeearend.

Voor het boerenland daarbuiten is het verhaal heel anders. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was het buitengebied nog rijk aan vogel- en plantensoorten, maar vanaf de jaren zeventig hebben dramatische verliezen plaatsgevonden. Een van de meest schrijnende voorbeelden is volgens Berendse de veldleeuwerik. Hij deed in 1971 onderzoek naar het vogeltje, en in 2002 opnieuw, en in de tussentijd bleek meer dan 80 procent te zijn verdwenen, zeer waarschijnlijk als gevolg van de landbouwintensivering, want op de heide namen ze juist toe. Europees onderzoek van deze zomer bevestigt dat de boerenlandvogels de laagste aantallen ooit hebben bereikt. "Wanneer je tegenwoordig in het boerenlandschap rondkijkt", zegt Berendse, "zie je in grote delen van Nederland een dood landschap. Ik noem dat het dode land, het dode land van Braks en Bleker."

Wat een somberheid over maar liefst 55 procent van het landschap. Maar er is in Nederland toch iets als agrarisch natuurbeheer? Boeren kunnen sinds jaar en dag subsidie krijgen als zij op hun land rekening houden met broedvogels of aan natuurontwikkeling doen. Ze kunnen hun akkerranden inzaaien met wilde bloemen, of aan 'slootkantbeheer' doen. Die subsidie dient als vergoeding voor geleverde diensten, of als compensatie voor een mindere productie. Jaarlijks wordt daar zo'n zeventig miljoen euro aan uitgegeven. Staatssecretaris Henk Bleker en zijn gezin zetten met behulp van zo'n subsidie eigenhandig een stuk van hun boerenland om in natuur. Er kwam een wilgenlaantje en ze hebben een poel gegraven. En als bewijs van succes: de patrijs is teruggekeerd.

De staatssecretaris wil naast de bezuinigingen van 60 procent op natuurbeheer door grote organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten juist de boer een grote rol geven in het onderhouden van het landschap. Agrariërs met 'boerenverstand', aldus Bleker, hebben door de eeuwen heen het nu waardevolle landschap gecreëerd, dus moeten ze het ook kunnen onderhouden. Het beheer wordt zo voor de overheid goedkoper, terwijl de subsidies welkome aanvullingen kunnen zijn op de inkomsten van boeren die het moeilijk hebben, is de gedachte. Maar is die overweging juist?

In Groningen is het hoogleraar Dirk Strijker die als geen ander ecologie aan economie kan koppelen. Hij bekleedt als econoom de Mansholt-leerstoel voor plattelandsontwikkeling. Bleker is op zoek naar een nieuwe balans in het natuurbeleid, zegt hij. "Hij voelt perfect aan dat er onder de bevolking steeds minder steun is voor wat ik maar even tuinieren-op-macroniveau noem." Volgens de hoogleraar zijn steeds meer mensen de door de rijksoverheid gesubsidieerde biologen en ecologen zat die in voor het publiek gesloten terreinen proberen de natuur terug te brengen. Daar speelt de staatssecretaris op in, vanuit zijn eigen natuurbeleving uit Oost-Groningen die eerder landschappelijk van aard is dan dat deze verbetering van biodiversiteit voorstaat. Hij vindt oprecht dat boeren dit landschap ook wel kunnen onderhouden, dat heeft ie immers zelf ook gedaan. Maar de CDA-politicus Bleker denkt dat door de boeren taken in natuurbeheer te geven, ook nieuwe (Europese) subsidiestromen naar zijn achterban geleid kunnen worden. "En dat is natuurlijk slim", aldus Strijker.

Maar agrarisch natuurbeheer is kostbaar, alleen al door de subsidieregeling zelf waarin gewerkt wordt met vaste bedragen, terwijl de feitelijk gemaakte kosten of compensatie sterk per boer kunnen verschillen. Met een ander subsidiestelsel kan maar liefst 35 procent worden bezuinigd.

Maar dan antwoord op een cruciale vraag: kan agrarisch natuurbeheer ondanks die vermorsing goedkoper zijn dan het onderhoud dat de grote organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten in hun gebieden plegen? Dat hangt er vanaf, zegt Strijker. "Als het landschap een beetje aangeharkt moet worden, met hier en daar een houtwal en op tijd geknotte wilgen, dan zullen de boeren dit goedkoper kunnen doen. Maar als het om kwaliteitszorg gaat die de biodiversiteit moet verbeteren, en daartoe is Bleker internationaal verplicht, is agrarisch natuurbeheer veel duurder."

Volgens Strijkers berekening kost boerenbeheer 5 tot 6 keer zoveel per procent biodiversiteit. De gemiddelde kosten voor natuurbeheer bedragen 177 euro per hectare, die van agrarisch natuurbeheer maar liefst 1100 euro. En dan nog onder de voorwaarde dat dit agrarisch natuurbeheer plaatsvindt in grote eenheden. Hele regio's zouden moeten deelnemen, terwijl op dit moment maar 5.773 van de 73.008 Nederlandse boeren meedoen: nog geen 8 procent.

Geert de Snoo, hoogleraar aan de universiteiten van Leiden en Wageningen, heeft zich nationaal en internationaal ontwikkeld tot een erkend expert op het gebied van biodiversiteit búiten natuurgebieden. Hij deed de afgelopen jaren onderzoek naar de vraag of agrarisch natuurbeheer effectief is. Het is vreemd, zegt hij, dat deze vorm van beheer in het ene deel van Nederland positieve resultaten laat zien, terwijl andere regio's bijna geen vooruitgang tonen. Inmiddels weet hij waardoor dat komt.

"Natuurbeheer door boeren kán succesvol zijn", zegt hij, "als er tenminste wordt voldaan aan een aantal strikte voorwaarden." Botanisch slootbeheer is bijvoorbeeld alleen succesvol op minder dan tweehonderd meter afstand van een natuurreservaat. Daarbuiten is het zinloos. "Daarnaast levert agrarisch natuurbeheer het beste resultaat op als dit door gemotiveerde boeren gebeurt. Nederland heeft dus meer aan agrariërs die uit overtuiging 'maatschappelijk verantwoord ondernemen', dan aan subsidieboeren die weer stoppen met natuurbeheer als de geldkraan dichtgaat."

Maar belangrijker is de conclusie van De Snoo dat agrarisch natuurbeheer in zijn algemeenheid alleen effectief is in een min of meer natuurlijk cultuurlandschap: boerenland dat uit minstens vijf procent natuurlijke elementen als houtwallen, bosjes, akkerranden en slootkanten bestaat. Een gemiddeld Nederlands akkerbouwbedrijf bestaat nu uit hooguit 2 tot 3 procent natuurlijke elementen, en bij deze schaarsheid is subsidie voor agrarisch natuurbeheer weggegooid geld. Grootschalige gebieden in bijvoorbeeld Zuid-Holland, Zeeland en Flevoland kunnen wat hem betreft daarom van de subsidiekaart worden geschrapt. Gebieden met meer dan 20 procent natuurlijke elementen in het boerenlandschap, zoals het coulissen-landschap tussen Ommen en Nijverdal, hoeven ook niet voor subsidie in aanmerking te komen. Die redden het immers zo wel.

De overheid zou zich volgens De Snoo dus moeten richten op boeren die tussen de vijf en twintig procent natuurlijke elementen op hun land hebben. Maar het probleem is: dat worden er steeds minder. Uiteindelijk zullen alleen die boeren overblijven die niet kúnnen uitbreiden en met wat subsidie gaan 'keuteren'. De agrarische sector intensiveert alleen maar, zegt De Snoo, waardoor er steeds minder ruimte voor natuur overblijft. In 1990 gaf een koe 7000 kilo melk , in 2009 8500 kilo. In 1990 haalde een boer 7700 kilo graan van een hectare, in 2009 9900 kilo. Als dat zo doorgaat eindigt het buitengebied inderdaad in wat hoogleraar Frank Berendse noemt 'het dode land van Braks en Bleker'.

Agrarisch natuurbeheer zal deze ontwikkeling niet kunnen keren. Er zijn juist drastische maatregelen nodig om agrarisch natuurbeheer een nieuwe kans te geven. Als het gaat om de redding van het Nederlandse platteland kijkt De Snoo naar Brussel, waar deze herfst het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) wordt vastgesteld. Dat voorziet in de verdeling van jaarlijks één miljard euro steun aan Nederlandse boeren. De Europese Commissie wil dat de nieuwe regeling leidt tot een 'vergroening' van de Europese landbouw. Er zullen eisen worden gesteld aan bijvoorbeeld duurzame bedrijfsvoering.

Wat De Snoo betreft komt er in dat GLB een concrete bepaling die geen vrijblijvende kans biedt op subsidie, maar een voorwaarde is om überhaupt voor algemene steun uit Brussel in aanmerking te komen. "In ruil voor 'groene betalingen' uit Brussel zou er per bedrijf een 'ecologische braaklegging' van vijf procent moeten plaatsvinden, waarin de natuurlijke elementen kunnen gedijen die op hun beurt weer agrarisch natuurbeheer mogelijk maken." In Zwitserland moeten boeren al 7 procent van hun land 'met rust laten'. Zo'n maatregel is juist voor een intensief landbouwgebied als Nederland van grote ecologische waarde, zegt De Snoo. Zo ontstaat er een geaderd buitengebied, dat zich weer openstelt voor flora en fauna. En het bedrijventerrein van Mark Zekhuis in Steenwijk heeft laten zien dat die arme gronden zich zonder extra kosten zelf verrijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden