In het bos word je pas echt Duitser

Wat de zee is voor Nederlanders is het bos voor Duitsers. Dat toont de tentoonstelling 'Onder bomen' in Berlijn. In de Duitse cultuur spelen bossen een cruciale rol, van de sprookjes van Grimm tot de politieserie 'Tatort'.

Niemand is ooit vrolijk geworden van de schilderijen van Anselm Kiefer. Metershoge doeken, besmeurd met kilo's verf, vaak gemengd met zand, aarde en andere natuurlijke materialen. In donkere kleuren tonen ze duistere voorstellingen die steeds weer naar de Duitse mythologie verwijzen. Het schilderij 'Hermannsschlacht' (1977) toont een bos met op twee stammen de namen 'Hermann' en 'Tusnelda' en op de takken de namen van beroemde wouddichters.

Het doek met zijn dreigende pathos is te zien op de tentoonstelling 'Onder bomen' in het Duits Historisch Museum in Berlijn. Het neemt daar een allesoverheersende plaats in, want het slaat een brug tussen de huidige tijd en tweeduizend jaar geleden, toen volgens de overlevering de Romeinse huursoldaat Arminius, alias de Germaan Hermann, zijn Romeinse meesters overviel vanuit een hinderlaag in het Teutoburgerwoud. Daarmee was Duitsland geboren.

Althans, dat hebben latere historici, kunstenaars en politici ervan gemaakt. Eind achttiende eeuw begon de verheerlijking van de 'Hermannsschlacht' als oorsprong van de Duitse identiteit, een identiteit die vanaf toen onlosmakelijk was verbonden met het Duitse woud. En dat terwijl Duitsland niet eens zo enorm veel bossen heeft. Niet eens een derde van zijn oppervlakte is met bossen bedekt, landen als Finland en Rusland zijn veel rijker aan wouden.

De Berlijnse tentoonstelling laat zien hoe intensief de Duitsers sinds de achttiende eeuw hun bossen voor politieke, economische, culturele en ideologische doeleinden hebben gebruikt. Daarbij heeft het bos velerlei betekenissen doorlopen, van oord des gevaars tot ruimte voor reflectie, van plaats voor concentratiekampen tot amusementspark, van onschuldige, idyllische natuur tot bedreigde natuur die gered moest worden.

De toon werd gezet door de dichters van de Romantiek, voor wie het bos naar duistere hartstochten en hogere verlangens verwees. Maar zo duister was in hun tijd, begin negentiende eeuw, het bos al niet meer. Het was reeds lang een object van politioneel toezicht, economische berekening en wetenschappelijke observatie. Opzieners beschermden het feodale eigendom tegen stropers en houtdieven en zorgden voor cultivering.

En ze beschermden het wildbestand. Niet uit liefde voor de dieren maar om ze op te sparen voor de adellijke geneugten van de jacht. Alleen de adel mocht op het edelste dier in het bos, het hert, schieten. En toen de adel in 1918 werd afgeschaft, waren het de nieuwe machthebbers die zich het privilege toeëigenden, zowel de sociaal-democraten van de Weimar-republiek als de nationaal-socialistische leiders en de partijbonzen in de naoorlogse DDR.

Met name Erich Honecker kon er geen genoeg van krijgen. De tentoonstelling laat foto's zien waarop hij met staatshoofden uit andere socialistische landen voor massa's vermoorde dieren poseert. De tekst vertelt dat Honecker er de onadellijke praktijk op nahield om vanuit zijn auto te schieten. Maar de DDR is verleden tijd. Honeckers jachtcomplex in de Mecklenburgse bossen is nu in handen van de Nederlandse vakantiemakelaar Van der Valk.

Het Duitse bos, zo betoogt de politiek uiterst correcte tentoonstelling, is de laatste twee à drie eeuwen politiek misbruikt, economisch uitgebaat en ideologisch overladen. Het duidelijkste voorbeeld van dat laatste is een bordje uit de nazitijd bij een bos in de buurt van Berlijn: "Joden zijn in onze Duitse wouden niet gewenst." Voor de nationaal-socialisten was Hermann de eerste nazi en het bos het prototype van de "geordende levensgemeenschap".

In het keizerrijk, onder de nationaal-socialisten en in de volksrepubliek, steeds weer moest het woud opdraven om de Duitse identiteit te versterken. Om de jeugd aan die identiteit te binden, werd die regelmatig het bos in gestuurd. Sociaal-democratische wandelverenigingen, bosexcercities van de Hitlerjeugd, natuurclubs van de Freiheitliche Deutsche Jugend - de ideologie mocht verschillen, de pedagogiek was dezelfde: in het bos word je pas echt Duitser.

Niet voor niets is de Duitse milieubeweging soms verweten conservatief-nationalistische trekken te hebben. In de tentoonstelling blijft het onderbelicht, maar veel milieuacties vonden en vinden plaats in bossen: acties tegen landingsbanen, tegen kernafvaltransporten, tegen snelwegen en recent ook tegen windmolens en tracés voor hoogspannningskabels. Nergens hebben politie en demonstranten zo vaak in bossen met elkaar gevochten als in Duitsland.

De politisering van het bos is de ene lijn die door de tentoonstelling loopt, de andere lijn is die van de romantisering, zowel in de zin van de hoge als die van de lage cultuur. In de tijd dat dichters en schilders op het bos hun diepste en duisterste verlangens projecteerden, verbreidden de sprookjesverzamelaars Jacob en Wilhelm Grimm onder het gewone volk hun beeld van het griezelige bos, vol spoken, rovers en enge dieren.

Pas in de twintigste eeuw, toen politiek, economie en bosbeheer de wouden voorgoed hadden getemd, veranderde het beeld van het gevaarlijke bos in dat van het idyllische. Omslagpunt was onder meer de roman 'Bambi: Een levensgeschiedenis uit het bos' (1923) van Felix Salten. Het verhaal kreeg wereldfaam door de tekenfilmversie die Walt Disney er in 1942 van maakte. De rechten had hij voor een schijntje gekocht.

Tot een van de meest populaire iconen van de bosromantiek groeide 'het bronstige hert' uit, Duits: der röhrende Hirsch, letterlijk: het 'burlende' hert, maar wie kent dat woord nog? Het is op tal van schilderijen en in schoorsteenbeeldjes vereeuwigd: een hert dat met de kop achterover staat te brullen van seksueel verlangen. De beeltenis tooit nog altijd menige huis- en vooral slaapkamer in Duitsland en is kennelijk het Duitse liefdeselixer bij uitstek.

Op het einde van de twintigste eeuw veranderde het bos langzaam van idylle in amusementspark. Toeristische uitbaters maken er tegenwoordig een pretpark van, met spannende wandelingen over kettingbruggen langs de toppen van de bomen. Natuurbelevenis kan niet langer zonder fysieke opwinding. Dat is wat er is overgebleven van het vroegere verlangen van iedere Duitse jongen om later boswachter te worden.

Dat het bos de laatste decennia steeds meer een oord voor spanning en sensatie is geworden, bewijzen ook talloze afleveringen van de populaire politieserie 'Tatort' en de DDR-variant 'Polizeiruf 110'. In die misdaadfilms wordt menig lijk in een bos ontdekt, zijn er spannende achtervolgingen door berg en dal en vindt de shoot-out vaak plaats op een open plek in het woud. De tentoonstelling biedt een smakelijke keuze uit zulke scènes.

Niet alleen in politieseries is het bos de dood nabij. In Duitsland zijn bossen ook populair om er begraafplaatsen in aan te leggen. Aanvankelijk erg tegen de zin van de kerken, maar het Duitse verlangen naar het bos bleek sterker. Bossen zijn voor Duitsers nauw met de eeuwigheid verbonden. De jongste mode is eindigen onder een boom die men zelf heeft uitgezocht. Het voorschrift luidt dan wel: eerst cremeren.

De tentoonstelling 'Onder bomen' overtuigt de bezoeker van de diepe ernst waarmee Duitsers hun bossen bejegenen. Aan het eind vraag je je af: mag je in bossen eigenlijk wel lachen? Gelukkig, als uitsmijter biedt de tentoonstelling enige humor. De videoinstallate van Christoph Girardot toont fragmenten uit tientallen zoetsappige 'Heimatfilms', simultaan vertoond in drie projecties. De fragmenten volgen de typische verhaallijn van zulke films: Zon komt op, man rent door bos, man kijkt uit over dal, man schrikt, richt zijn geweer en schiet, vrouw huppelt over weide, vrouw plukt bloemen, vrouw rent naar man, ze zwaaien, ze omarmen elkaar, ze zijgen in het gras, vrouw kijkt verschrikt op, vrouw rent weg, paniek, bliksem in de lucht, hert brult, dieren vluchten, vrouw rent naar huis, eindelijk rust, zon gaat onder, man en vrouw in bootje op het meer, eind goed al goed.

Dat alles twaalf flitsende minuten lang, elke scène in twintig, dertig varianten. De eeuwige herhaling van hetzelfde - je zou het bosporno kunnen noemen. Het bos, zo vertelt het vermakelijke slotstuk van de tentoonstelling, is net zo goed de diepzinnige icoon als het lachwekkende cliché van de Duitse identiteit.

De tentoonstelling 'Unter Bäumen: Die Deutschen und der Wald' is tot 4 maart te zien in het Deutsche Historische Museum, Unter den Linden 2, Berlijn. Meer informatie: www.dhm.de.

Dichters en denkers over het bos:
Ik liep het bos in

Puur op gevoel,

Nergens aan denken,

Dat was mijn doel.

(Goethe, genie, 1816)

Er zijn geen elfen meer in het bos,

De hoorn en de hond krijst er op los,

Een ree dat zich bang verschuilt,

Likt haar wonden terwijl ze huilt.

(Heinrich Heine, poëet, 1851)

We moeten het bos behouden, opdat het volksleven ademt en Duitsland Duits blijft

(Wilhelm Heinrich Riehl, cultuurhistoricus, 1854)

Uit het woud is de hele Europese beschaving voortgekomen

(Werner Sombart, econoom, 1902)

Bomen zijn niet belangrijk om het leven op aarde in stand te houden, nee, bomen zijn belangrijk om de de menselijke ziel te redden

(Joseph Beuys, kunstenaar, 1996)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden