In het begin was de toverbal

Hoe kwamen we hier? Waarom is God zo ver weg? Waarom zijn er verschillende rassen? Mineke Schipper verzamelde zo’n 1500 scheppings- en oorsprongsverhalen uit alle delen van de wereld, op zoek naar antwoorden op deze vragen.

Altijd en overal hebben mensen zich vragen gesteld over het begin. En dat doen ze nog steeds. Hoe kwamen we hier? Waarom is God zo ver weg? Waarom zijn er verschillende rassen? Waarom worden mannen niet zwanger en vrouwen wel? En waarom moeten we werken voor ons dagelijks brood?

Jaren geleden ben ik op zoek gegaan naar de antwoorden. Intussen heb ik ruim 1500 scheppings- en oorsprongsverhalen uit alle delen van de wereld verzameld en bestudeerd. Ze variëren van kort tot lang, van kristalhelder tot cryptisch, van vroom tot sceptisch. Ze zijn nu eens ernstig, dan weer hilarisch. Ze leggen uit hoe en waarom we geworden zijn tot wie we nu zijn. De meeste zijn in de westerse wereld totaal onbekend.

Mythische verhalen over het begin houden zich bezig met kwesties die de hele samenleving aangaan. We zijn, volgens die verhalen, geworden tot wie we nu zijn dankzij de tussenkomst van goden of bovennatuurlijke krachten. In het begin is bepaald hoe en waarom wij door het ingrijpen van de goden sterfelijke, seksuele en culturele wezens zijn geworden.

In het begin waren er geen goden en geen mensen. Het water van de oceaan omarmde de leegte. De aarde en de hemel bestonden nog niet. Er was geen lucht en er waren geen dieren. Er waren nog geen landen en geen levende wezens. De zon, de maan en de sterren bestonden evenmin. Er was alleen één Almachtige, de grote God, die ergens in het luchtledige hing als een bijenzwerm in een korf.

Hij had geen benen om op te lopen. Hij had geen mond om mee te spreken. Hij leek meer op een homp vlees die in de lucht hing. Toen bedacht God dat hij beter van vorm kon veranderen, want wie zou zijn naam prijzen zolang hij er zo uitzag? Terwijl God veranderde ging intussen veel tijd voorbij.

Toen schiep God een Godin en nam haar tot echtgenote. Zij legde vier eieren, waaruit vier zonen kwamen. Daarna steeg God omhoog. (Ahom, Zuid-Azië)

Naast gecanoniseerde teksten bestaan in de joodse, christelijke en islamitische tradities ook apocriefe verhalen over het begin. Een Oeigoers moslimverhaal uit de Chinese provincie Xinjiang vertelt bijvoorbeeld dat Adams schedel openbarstte toen hij rechtop ging zitten voordat God klaar was met scheppen. In een Afrikaans Hausa verhaal verdenkt Eva Adam ervan het aan te leggen met een niet-bestaande andere vrouw. En in Europa zijn christelijke verhalen in omloop over de vele kinderen van Eva en over de eerste menstruatie van Adam die pas later naar Eva werd overgeheveld.

In onze tijd raken culturen ook los van hun plaats van herkomst. Ik heb Indonesische verhalen in Amsterdam horen vertellen, Afrikaanse in New York, Griekse in Peking en Chinese in Caïro. Mythen, weet ik uit ervaring, kunnen internationaal worden uitgewisseld: in wachtkamers en op vliegvelden, in regiotaxi’s, aan eettafels, en meer en meer ook via radio, e-mail en websites.

Een hymne uit de oudste Sanskrietgeschriften, de Rig Veda, definieert de onvoorstelbare situatie vóór het begin als ’geen niet-bestaan en geen bestaan’.

Nieuw Nasa-ruimteonderzoek naar het oudste licht in de kosmos duidt er volgens deskundigen op dat het universum vlak na de Big Bang bliksemsnel uitdijde van een toverbal tot astronomische proporties. Maar waar kwam die toverbal vandaan? Niemand die het weet, maar scheppingsscenario’s ontrollen zich altijd van chaotische leegte naar een leefbare mensenwereld.

Ook in oorsprongsverhalen van over de hele wereld komt alles en iedereen voort uit een toverbalachtige vorm.

Zo kwam de Chinese oerreus Pan Ku uit een ei.

De lichte delen stegen op en vormden het hemelgewelf; de zware delen zakten naar beneden en werden de aarde. Pan Ku ondersteunde de hemel met zijn eigen hoofd en hield de aarde vast onder zijn voeten. Hemel en aarde begonnen te groeien en Pan Ku groeide mee, elke dag opnieuw. Uiteindelijk stonden hemel en aarde vast. Toen ademde Pan Ku voor het laatst in en uit, en stierf. Dankzij zijn lichaam veranderde de oorspronkelijke chaos in een perfecte woonplaats. En vlak voordat hij stierf, brachten zijn twee laatste ademtochten de eerste mensen voort, een jongen en een meisje. Hun nakomelingen verspreidden zich over de wereld.

Meer dan eens valt het hemelgewelf samen met de persoon van de eeuwige God die daarboven woont. Soms wordt de nabijheid van de hemel compleet ondraaglijk, in één verhaal hing hij zo laag dat de mensen niet rechtop konden lopen. Ze moesten op handen en knieën kruipen als kikkers (Okinawa, Japan). Bovendien kwam ook de zon heel dichtbij. Het werd zo brandend heet dat man en vrouw alle animo verloren om de liefde te bedrijven, zodat de mensheid dreigde uit te sterven. Gelukkig slaagde een helpende god (of reus) erin de hemel omhoog te hijsen (Tsu, Taiwan).

In Afrikaanse verhalen heeft de nabijheid van de hemel soms ook grote voordelen.

In het begin konden mensen de hemel aanraken en in die tijd hoefden ze nooit te werken. Hadden ze honger, dan sneden ze een stuk uit de hemel en aten dat op. Tot op een dag een gulzige vrouw een enorm stuk afsneed. Ze at en at, maar kreeg het niet op. Ze werd bang en riep eerst haar man en toen het hele dorp erbij, maar iedereen was allang verzadigd. En zo kwam het restant op de vuilnisbelt. Toen werd de hemel zo boos dat hij zich hoog boven de aarde verhief. Sindsdien is de hemel ver weg en zwoegen de mensen voor hun dagelijks brood (Bini, Nigeria).

Ondanks verschillen en lokale details zijn de overeenkomsten in beginverhalen vaak frappant. Er kan sprake zijn van invloed, maar ook van overeenkomsten zonder enig aanwijsbaar contact tussen de betreffende culturen. Die thema’s en patronen hebben te maken met de vorm en de functies van het menselijk lichaam (m/v), met basisbehoeften als voedsel, onderdak, veiligheid en voortplanting, en met emoties als verlangen, angst en eenzaamheid die alle mensen ervaren.

Het is onmogelijk om een duidelijke chronologie in genesisverhalen aan te brengen, maar er tekenen zich wel lijnen af die op een zekere ontwikkeling in het denken wijzen.

Net als hemel en hemelgod worden aarde en aardgod(in) in verhalen vaak samengevoegd tot één personage. Deze Aardmoeder schonk het leven, voedde alle wezens en nam ten slotte alles en iedereen terug in haar schoot. In enkele verhalen uit matrilineaire culturen handelt zij het voortbrengen van mensen uit eigen schoot zelfstandig af.

De mensjes kwamen uit Iatik’u, Moeder Aarde. Ze kropen in het donker naar buiten als sprinkhanen, hun lijfjes naakt en zacht, hun ogen nog dicht. Iatik’u legde ze op een rij en liet de zon opkomen. Zodra die de oogjes bescheen, gingen ze open. Dec baby’s begonnen rond te kruipen. Iatik’u ging pas bij hen weg toen ze groot genoeg waren om voor zichzelf te zorgen (Pueblo, New Mexico).

Mogelijk werd schepping oorspronkelijk vooral opgevat als procreatie en niet als fabricatie, en was de levenschenkende Aardmoeder de centrale figuur uit wie de eerste mensen geboren werden. Het oudste tot dusver gevonden beeldje van vruchtbare vrouwen is de ’Venus van Hohle Fels’ (Duitsland), ruim 35.000 jaar oud. Deskundigen veronderstellen dat verhalen over Moeder Aarde er eerder waren dan die over God de Vader.

Geleidelijk deed een nieuw scheppingsconcept zijn intree in het religieuze denken, waarbij het scheppende vermogen werd losgemaakt van het idee van de moedergodin. Godinnen transformeerden tot mannelijke goden dan wel tot echtgenotes van mannelijke goden. Ook kwamen er onafhankelijke mannelijke voortplanters.

De Congolese Kuba vertellen het verhaal van Bumba, een witte mannelijke verschijning, maat extra large, die de hele schepping uitbraakte, van zon en maan tot planten en dieren, en ten slotte mensen ’met velen tegelijk’. Bumba schenkt het leven zonder vrouwelijke inbreng. Ook de Australische Aranda voorvader Karora beschikte over zulke krachten en schonk zonder vrouwelijke interventie het leven aan mannelijke kinderen die uit zijn oksel kwamen.

Actieve mannelijke goden namen het levenschenkende vermogen over van de moedergodin. In de oudste verhalen had de Aarde het allemaal in zich. Maar, zoals godsdiensthistoricus Mircea Eliade ooit opmerkte, haar promotie tot hoogste Godin werd tegengehouden door het glazen plafond van haar heilige huwelijk met de Hemel. In kosmologische paarverhalen met aarde en hemel in de hoofdrol komen de eerste mensen niet meer rechtstreeks uit de aarde. En in scheppingsverhalen komen ze helemaal niet meer uit de aarde: ze worden hoogstens nog van aarde gemaakt door een scheppende goddelijke hand.

Scheppen uit niets is een intrigerend idee waarvan aardbewoners alleen kunnen dromen. Goden scheppen op onconventionele wijze: mediterend, dromend, denkend, sprekend, bezwerend of zingend, zonder materiaal. In een hindoemythe wist Brahma’s geconcentreerde meditatie zoveel energie in beweging te brengen dat ’denkende schepselen’ het resultaat waren.

In de Bijbel staan twee versies van het begin van de eerste mens. De ene gaat over schepping door het woord, de andere over schepping uit aarde.

Ook volgens de Koran schiep Allah de eerste mens uit klei en water: „De Kenner van het onzichtbare en het zichtbare, de Almachtige, de Genadevolle, die de schepping van alles voltooide, begon de schepping van de mens uit klei” (Soera 32 vers 6 tot 8).

In een apocrief verhaal uit de Arabische orale traditie, vertelt Allah de Aarde dat er mensen uit haar grond zullen worden gemaakt.

„Heer”, vroeg Aarde, „zullen al die nieuwe menselijke schepselen die u uit mijn grond gaat maken naar het paradijs gaan?”

Allah zei: „Alleen als ze mij gehoorzamen.”

Dat sommige uit haar grond gemaakte schepselen in de hel zouden eindigen, schokte de Aarde zozeer dat ze huilde en huilde en huilde. En al gauw hadden al die tranen haar gezicht in een landschap vol bronnen veranderd.

Toen de engel Azraa’eel naar Allah was teruggekeerd met een handvol zwarte, rode en witte grond, bijeengehaald uit de vier windrichtingen, bleef Aarde klagen. Zij bad: „Heer, maak dat ik mijn grond terugkrijg.”

Allah sprak tot haar: „Wees maar niet bang, wat uit je genomen is krijg je terug.”

Overal hebben mensen zich verwonderd afgevraagd wat het toch is dat ons levend houdt als menselijke wezens, de kiem, de kern, dat speciale iets dat ons verlaat wanneer we sterven. In hun verhalen hebben mensen geprobeerd het mysterie van het ontstaan en de samenhang van lichaam en ziel te ontrafelen.

In de bijbelse schepping door het goddelijke woord (Genesis 1 vers 26) wordt het inbrengen van ziel of adem niet apart vermeld. Dat blijkt de gewone gang van zaken bij immateriële schepping. De uit het niets geschapenen leven meteen. Dat geldt ook voor eerste mensen die in het begin kant-en-klaar uit de hemel vallen, uit de aarde of uit eieren kruipen, en voor degenen die van stukjes goddelijk vlees worden gemaakt. En ook eerste voorouders die naar buiten komen uit het binnenste van een mannelijke god zijn springlevend.

Dat ligt heel anders wanneer goden mensen uit aardse materialen maken. Dan wordt apart stilgestaan bij de finishing touch, het tot leven wekken van een voorwerp in menselijke vorm. Lagere godheden zijn daartoe niet in staat. Nu en dan mag een godin de hemelgod assisteren, maar haar beelden blijven levenloos. De cruciale ademtocht kan alleen van de hoogste god zelf komen, die vrijwel altijd mannelijk is.

De eerste fase bestaat uit het maken van poppen die op de schepper lijken. Ze liggen bewegingloos, ademloos en sprakeloos op de grond te wachten op een krachtig woord of speciaal gebaar van de schepper. In een Minahassa verhaal uit Sulawesi blaast God de twee eerste door hem gemaakte aarden beelden gemalen gember in hoofd en oren.

De aarde zelf had al een wonderbaarlijk lange weg afgelegd, voordat homo sapiens haar kwam bevolken. De oudste kalkachtige bacteriegroeisels op de alleroudste stukken aardkorst dateren van zo’n 3,5 miljard jaar geleden. In verschillende culturen hebben mensen zich hun eigen planeet voorgesteld als een gigantisch antropomorf oerwezen dat in het begin in de ruimte zweefde, en zich opofferde ten behoeve van de eerste mens en alle flora en fauna om hem heen. Wie greep probeerde te krijgen op de ongrijpbare ontwikkeling van oudste bacterie tot eerste mens op aarde, kwam algauw aan de grens van menselijke kennis en ervaring en zocht het hogerop.

In verhalen is het bestaan van één of meer goden net zo min een punt van discussie als de combinatie van schepping en evolutie. De meeste culturen hebben een godsbegrip, en het geloof in één of meer wezens van een hogere orde is wijdverbreid. Mensen hebben een extra zintuig om hun ervaringen en die van anderen in een kader te zetten en van daaruit te interpreteren. Godsdienst is een van de vaakst voorkomende kaders, maar ook ongelovigen proberen de wereld om hen heen kloppend te krijgen. In het begin was er niemand, maar er moet toch iets of iemand geweest zijn voordat er ’geen niet-bestaan en geen bestaan’ was?

Het oneindige werd zwanger en schiep het eindige, oppert een mythe van de Hopi indianen. God zit ’tussen de oren’, zeggen atheïsten. Nee, in een reli-kwab in de hersenen, preciseren neurobiologen.

Geloof is gebaseerd op het idee dat mensen niet alleen op zichzelf zijn aangewezen, maar dat hun bestaan ook afhangt van iemand of iets buiten henzelf. Tijden veranderen en visies op verhalen veranderen mee.

Darwin was niet de eerste die ideeën ontwikkelde over evolutie. Tal van mythen schetsen tentatieve beelden van de oertijd, toen wij mensen er nog niet waren, maar de natuur al springlevend was. In verhalen heeft de mensheid voor haar totstandkoming veel te danken aan stenen, planten of dieren, maar een helpende goddelijke hand is dikwijls onontbeerlijk. In het huis van verhalen leven creationistische en evolutionistische oplossingen zo vaak vreedzaam samen.

Goed, er was iets. Je kon het niet zien. Het wervelde rond als de wind. Eerst was alles in dit bos water, niets anders dan water. Toen verscheen er iets. Het zei tegen het water: „Pak jezelf samen op één plaats.” Dat is nu de zee.

Iets kwam in het water tot ontwikkeling, als het nageslacht van een ahom (kikkersoort). Het groeide en groeide, zijn staart brak af, het ontwikkelde armen en werd een soort kikker, en toen een wezen dat op een mens leek. Iets deed de aarde en de mensen ontstaan. Iets werd als een man, ademde en sprak, en van hem is alles afkomstig. Het is mij niet toegestaan de naam van Iets uit te spreken. Die naam is zo krachtig dat ik bij het noemen van die naam zou sterven. De aarde en de mens zijn uit Iets voortgekomen. Deze man, dit Iets, ademde en sprak en alles ontstond. Hij maakte ons mensen en zo zijn wij ontstaan (Mandang, Papoea-Nieuw-Guinea).

Waar de schepper ontbreekt, is óf het water, óf de aarde zelf (al dan niet voorgesteld als grot of baarmoeder) de plaats waar het allemaal begon. In donkere, warme holtes ontkiemen niet alleen grassen en klimplanten, maar ook larven, maden, cocons of eitjes. Insecten, wormen en andere kruipende wezens evolueren binnen in de aarde.

De buik van de aarde raakte overvol. Onaffe schepselen schuifelden als reptielen over elkaar heen, ze trapten en spuugden op elkaar en deden zulke onfatsoenlijke dingen dat het gejammer en gemor steeds luider opklonk. Velen probeerden weg te komen uit die plek van duisternis. Ze werden wijzer en menselijker (Zuni, Verenigde Staten).

God was er al in het begin, houden gelovigen vol, en in de meeste verhalen houdt hun Opperwezen menselijke trekken. Wat moet je ook anders? De dichter Leo Vroman spreekt van ’Systeem’: „Even onbekend als onterecht gevreesd” laat Systeem „geen oog of baard of koude kleren of gouden troon ooit zien”.

Over God kunnen we maar beter zwijgen, zeggen bescheiden geworden godgeleerden, er zijn geen adequate woorden voor. God manifesteert zich zonder gedaante of woorden in menselijke compassie en solidariteit die alle grenzen van bloedverwantschap, clan, taal, cultuur en religie te boven gaan. In de westerse cultuur heeft deze boodschap van mededogen vooral dankzij het christendom vorm gekregen als een radicale opdracht: je mag niemand laten vallen en niemand afschrijven.

Voor de meeste mensen is ethiek nauw verbonden met geloof. In de praktijk betekent dat: anderen als mensen zien en niet als vijanden. In de woorden van Confucius: „Doe anderen niet aan wat je niet wilt dat ze jou aandoen.” Die gouden regel bestaat in verschillende godsdiensten – in de Bijbel staat: „Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen.”

In beginverhalen ontbreekt die boodschap vaak. Daar begint de menselijke orde met het ontstaan en optreden van eerste voorouders, verbeeld vanuit de leef- en denkwereld van latere vertellers. De bestaande betrekkingen tussen hun nakomelingen zetten de toon voor de manier waarop in het oorsprongsverhaal de ene eerste voorouder het woord voert en vanzelfsprekend op de voorgrond treedt, en de andere zwijgend en ongezien op de achtergrond blijft.

Lang geleden, toen de aarde gemaakt was en de eerste mannen en vrouwen geboren werden, was daar ook Janni Gadaba met zijn vrouw van wie we de naam vergeten zijn en die er ook niet toe doet (Gadaba, Midden-India).

Verschillen binnen de culturele leefgemeenschap spreken in oorsprongsmythen vanzelf of worden gerechtvaardigd door cruciale gebeurtenissen te situeren in het imaginaire begin. Zo wordt in het verhaal geanticipeerd op allang bestaande verhoudingen – tussen mens en dier, tussen culturen, rassen, kasten en klassen, en de seksen. Van onze voorouders erven we niet alleen onze genen maar ook onze tradities.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden