’In Guantánamo ga je vanzelf bekennen’

Over hun ervaringen is een speelfilm gemaakt, die donderdag in première gaat. Drie Britse jongens, van Pakistaanse komaf, zaten tweeënhalf jaar vast op Guantánamo Bay. Onschuldig, bleek uiteindelijk.

Voor hun veronderstelde bijeenkomst met Osama bin Laden en Mohammed Atta, de latere vliegtuigkaper, hadden ze een batterij alibi’s, en niet de slechtste. Maar er is hen nooit naar gevraagd. Asif Iqbal: „Op de dag dat we onder het gehoor van Bin Laden zouden zijn geweest, zat ik in een politiecel in Engeland, want ik had de dag ervoor met agenten gevochten. Een beter alibi kun je toch niet hebben.”

Zijn makker Shafiq Rasul: „Op de video van die bijeenkomst staat een datum: 1-8-2000. Op z’n Amerikaans is dat 8 januari 2000, op z’n Engels 1 augustus van dat jaar. Voor beide dagen heb ik waterdichte alibi’s. Ik was niet bij Bin Laden, ik heb die man nooit gezien. En op die video kun je ook helemaal niemand onderscheiden. Het is echt bespottelijk om te beweren dat wij daar geweest zouden zijn.”

Asif, Shafiq en hun maatje Rhuhel Ahmed, afkomstig uit het Noord-Engelse plaatsje Tipton, zijn tweeënhalf jaar aangezien voor terroristen. Zo lang zaten ze ook vast, de meeste tijd op de beruchte Amerikaanse basis Guantánamo Bay op Cuba – zonder vorm van proces, zonder aanklacht en in barre omstandigheden. Begin 2004 kwamen de ‘Tipton Three’ vrij, nadat de Amerikanen hadden moeten erkennen dat de drie toch niet de gevreesde terroristen waren.

Nu zijn ze op promotietoer voor de film ‘The Road to Guantánamo’ van regisseur Michael Winterbottom die donderdag in Nederland in première gaat – drie maanden geleden kreeg hij de Zilveren Beer op de Berlinale, het filmfestival van Berlijn. „Het is natuurlijk onmogelijk een periode van meer dan drie jaar in een film van anderhalf uur te stoppen”, zegt Shafiq. „Maar we kunnen ons er goed in herkennen. Op een paar details na is dit ons eigen verhaal.”

Dat verhaal begint eind 2001, kort na de aanval van Al Kaida op de Verenigde Staten. De moeder van Asif heeft voor haar negentienjarige zoon in Pakistan een bruid gevonden. Hij gaat erheen en nodigt, eenmaal aangekomen, zijn vrienden uit Tipton, Shafiq en Rhuhel en nog een vierde - Monir -, uit naar de bruiloft te komen. Ze ontmoeten elkaar in Karachi, verblijven daar een paar dagen, en gaan dan op aandringen van een imam naar Afghanistan, met de bus. Dat is een merkwaardige beslissing. Wat wilden ze in vredesnaam in dat land dat op het punt stond aangevallen te worden door de Amerikanen? Want volgens president Bush bevonden zich daar de terroristen van Al Kaida, het netwerk dat twee, drie weken ervoor de WTC-torens in New York had vernield.

„We wilden het land zien”, zegt Asif, de bruidegom. „En we wilden de mensen in Afghanistan helpen. Voor hen is vijf rupi’s een hoop geld, voor ons Britten is het niks. We wilden gewoon even het land in, en dan weer terug naar Pakistan. Dat is in het grensgebied heel normaal, iedereen doet het. En we hebben helemaal niet gedacht aan bombardementen die konden beginnen.”

Het is en blijft een vaag verhaal waar ze ook na hun vrijlating vaak op aangevallen zijn, vooral door rechtse partijen en kranten in Groot-Brittannië.

Ze zijn amper in Afghanistan of de bombardementen beginnen. Het viertal wordt aangehouden door de Noordelijke Alliantie, de bondgenoten van de Amerikanen en de vijanden van de Taliban. Engelsprekende moslims, dat is verdacht, wat doen die hier? Ze maken naar eigen zeggen barre, mensonterende tochten mee van de ene naar de andere detentieplaats: „We kregen een zwarte kap over ons hoofd, zodat we bijna stikten.” Eén van de vier, Monir, raakt zoek – tot op de dag van vandaag. Na enkele weken worden Asif, Shafiq en Rhuhel overgevlogen naar Guantánamo Bay. „We wisten niet we daar waren, pas na twee weken hoorden we dat van iemand van het Rode Kruis”, zegt Shafiq.

Het verblijf was er volgens hem afschuwelijk. „Nog erger dan je in de film ziet. We werden voortdurend geslagen en gemarteld, en we zagen en hoorden hoe anderen gemarteld werden. Je kunt je het niet voorstellen dat een beschaafd land dat doet. Ik heb altijd gehoord dat Amerika het beste land ter wereld is.”

Britse ondervragers op Guantánamo Bay, werkzaam voor de geheime dienst MI5, zijn nauwelijks beter. „Het enige verschil was dat zij een Brits accent hadden”, zegt Shafiq cynisch.

Overdag is het bloedheet, en ’s-nachts stervenskoud. Ze zien en horen ratten, slangen en schorpioenen. Voor straf worden ze soms in een isoleercel gestopt waar de martelingen doorgaan. Daar, in het aardedonker, krijgen ze uren achter elkaar keiharde heavy-metalmuziek om de oren, en psychedelische lichteffecten – om letterlijk gek van te worden.

Asif: „Ik besloot bij de dag te leven, niet aan morgen of volgende week te denken, dat was de enige manier om het vol te houden. Ik heb geprobeerd m’n familie en m’n vrienden in Engeland te vergeten. Ik hamerde het bij mezelf erin: je bent hier in Guantánamo geboren, de mensen hier in die oranje pakken, dat is je familie. Op het laatst ging ik er zelf in geloven.”

Alledrie bekennen ze uiteindelijk dat zij op die video met Bin Laden stonden. „Dat zou iedereen gedaan hebben, het was gewoon niet meer vol te houden.” Als duidelijk wordt dat zij het niet geweest kúnnen zijn, komt er een andere beschuldiging. „We kregen te horen dat Richard Reid, de man van de schoenbom die in een Amerikaanse gevangenis zit, had gezegd dat hij ons kende. Het was een pure leugen.”

Hun vertrouwen in de rechtsstaat en de democratie is weg, zeggen ze. „Wij dachten altijd dat je onschuldig bent totdat tegendeel bewezen is. Van al die honderden gevangenen in Guantánamo Bay is nooit bewezen dat ze schuldig zijn, en toch zitten ze vast.”

Shafiq: „Het is de wereld op z’n kop. Wij waren schuldig totdat het tegendeel bewezen was. Belachelijk. Als daar in Guantánamo van die gevaarlijke terroristen zitten, zoals de Amerikanen beweren, sleep ze dan voor de rechtbank en berecht ze.”

Begin 2004 vertellen mensen van het Rode Kruis dat ze vrij zullen komen. Premier Blair heeft sterke druk op president Bush uitgeoefend om zijn vijf landgenoten (er zitten nog twee andere Britten vast) te laten gaan. Asief zegt dat het na de vrijlating stil werd: „geen excuus, geen huis, geen geld, geen baan, helemaal niks.”

De thuiskomst is allesbehalve hartelijk. Shafiq: „Er hing een pop in Tipton met een oranje pak aan, de kleur van de gevangeniskleding in Guantánamo. We kregen doodsbedreigingen, mensen geloofden ons verhaal niet.”

De extremistische BNP, de British Nationaal Party, noemde het drietal de ‘Tipton Taliban’. Deze maand won de BNP bij de raadsverkiezingen nogal wat zetels, onder andere in Tipton.

Door de doodsbedreigingen hebben ze besloten zich niet meer in Tipton te vestigen. De drie wonen nu over Engeland verspreid.

Ze zijn op zoek naar een baan, maar dat mag nog wel even duren, want voorlopig zijn ze bezig met de promotie van de film in zo’n beetje alle landen van Europa. In Groot-Brittannië is de film al op tv geweest.

„De reacties in het land waren over het algemeen positief”, zegt Asif. „Het heeft mensen de ogen geopend. Ze wisten misschien wel dat het op Guantánamo Bay niet allemaal klopte, maar ja, in de strijd tegen het terrorisme is veel geoorloofd. Nu hebben ze via de film met eigen ogen kunnen zien hoe het er toegaat. En nogmaals: de werkelijkheid is nog veel erger.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden