In gemengde gezinnen gaat het erom een balans te vinden tussen de eigen kinderen en de adoptiekinderen.

Soo Jin zit aan tafel haar tosti op te peuzelen terwijl haar broer Teun en vriendje Yannick als ridders verkleed door de kamer rollen. „Soo Jin kijkt de kat graag eerst even uit de boom”, zegt Marina van Dalen. „In hoeverre dat aan haar karakter ligt of aan het feit dat ze geadopteerd is, weet je natuurlijk nooit.”

Van Dalen vormt met haar partner Hans Houben en hun kinderen Teun (7) en Soo Jin (5) een zogenoemd gemengd gezin: een gezin met zowel biologisch eigen als adoptiekinderen. Gemengde gezinnen heb je in soorten en maten. Gezinnen met jonge kinderen en met kinderen die de deur al uit zijn. Gezinnen waarin al biologisch eigen kinderen waren voordat er geadopteerd werd, zoals bij het gezin Van Dalen-Houben, en gezinnen waarin biologisch eigen kinderen werden geboren nadat een of meer adoptiekinderen werden opgenomen.

Er wordt wel beweerd dat gemengde gezinnen meer problemen hebben dan ’pure’ adoptiegezinnen. Soms wordt verondersteld dat ouders in gemengde gezinnen te hoge verwachtingen hebben van hun adoptiekinderen. Omdat zij van hun adoptiekinderen hetzelfde verwachten als van hun biologisch eigen kinderen. Ook zouden ouders uit gemengde gezinnen, omdat ze vaker uit idealistische redenen adopteren, eerder teleurgesteld raken dan stellen die adopteren vanuit een onvervulde kinderwens. Er is zelfs een hypothese dat ouders meer investeren in hun biologisch eigen kinderen en dat adoptiekinderen daardoor achtergesteld worden. Adoptiekinderen in gemengde gezinnen zouden zich bovendien vaak achtergesteld voelen. En dan is er nog de prangende vraag: kunnen ouders evenveel van een adoptiekind houden als van hun biologisch eigen kind?

In de voorbereiding op een (eerste) adoptie hebben ouders specifieke vragen ten opzichte van kinderloze stellen. Bijvoorbeeld: wanneer vertel je je kind(eren) dat er een adoptiebroertje of -zusje komt? Een adoptieprocedure duurt immers vier tot zes jaar, een tijd die voor een klein kind niet te overzien is. En neem je de kinderen die al in het gezin zijn mee als je het adoptiekind gaat halen?

Er is weinig gepubliceerd over gemengde gezinnen. Voor Machteld Stilting en Gerard Keijsers, journalisten en binnenkort ouders in een gemengd gezin, reden om een boek te schrijven, ’Net even anders’. Ze interviewden gemengde gezinnen en deskundigen. Keijsers: „In veel gezinnen ging het goed, maar mensen hebben ook openlijk verteld over problemen. Zo vertelde een vrouw dat ze enorm moest wennen aan de geur van haar adoptiekind. Ze voelde zich in het begin schuldig dat ze niet zo’n band met haar adoptiedochter voelde als met haar andere kinderen.”

Keijsers zegt over zijn motivatie om te adopteren: „Toen onze dochter Kaj twee was bleken mijn vrouw en ik er hetzelfde over te denken: waarom nog een kind op de wereld zetten terwijl er zoveel kinderen zijn die geen goed tehuis hebben?” Door het schrijven van het boek is Keijsers bevestigd in zijn keuze voor een gemengd gezin. „En mochten we vastlopen, dan zullen we niet te schromen om hulp te zoeken.”

Opmerkelijk is het verschil in visie tussen de Leidse buitengewoon hoogleraar Adoptie Femmie Juffer en emeritus hoogleraar Adoptie René Hoksbergen (Utrecht). Voor Hoksbergen staat vast dat biologisch eigen kinderen een risicofactor vormen bij adoptie. In 1986 deed Hoksbergen een onderzoek naar uit huis geplaatste adoptiekinderen. Die bleken relatief vaak uit gemengde gezinnen te komen. De vraag is wel, stelt Hoksbergen nu, in hoeverre de gezinnen vergelijkbaar waren. Oudere kinderen werden bijvoorbeeld vaak geplaatst bij mensen die al kinderen hadden. En kinderen die op oudere leeftijd geplaatst werden, en zeker straatkinderen, krijgen vaker problemen dan kinderen die als baby geadopteerd werden. Dat dit lang niet altijd het geval is – in 80 % van de gevallen verloopt een adoptie probleemloos – blijkt ook uit het verhaal van het gezin Oberink. De Oberinks adopteerden in de jaren zeventig een dochter van een half jaar uit Zuid-Korea. Twee jaar later werd een biologische zoon geboren en een half jaar later adopteerden ze nog een zoon van vier. Tegenwoordig zou deze laatste adoptie wegens het hoge risico niet meer plaatsvinden: het oudste kind in het gezin verliest zo zijn positie. Het gezin Oberink volgde geen voorbereidingscursus – tegenwoordig verplicht. Boeken over het onderwerp waren er nog nauwelijks en van gespecialiseerde adoptiehulpverlening had nog niemand gehoord. Maar de opvoeding van de drie kinderen verliep probleemloos. In het boek zeggen zowel de ouders als de drie kinderen: ’Het heeft ons leven enorm verrijkt’.

Een nadeel van een gemengd gezin is volgens Hoksbergen dat het anders-zijn van het adoptiekind wordt benadrukt door de vergelijking met biologisch eigen kinderen. In het boek vertelt een meisje van zestien, als baby uit Sri Lanka geadopteerd, dat ze heel graag meer op haar – jongere – broertjes en zusjes zou willen lijken. Om niet meer zo op te vallen. En zich niet zo alleen te voelen.

Femmie Juffer volgt sinds 1986 een groep adoptiegezinnen met en zonder biologisch eigen kinderen. Zij constateert geen verschillen tussen gemengde gezinnen en ’pure’ adoptiegezinnen. De kinderen, afkomstig uit Sri Lanka, Zuid-Korea en Colombia werden allemaal geadopteerd vóór ze zes maanden oud waren.

Marina van Dalen en Gerard Keijsers herkennen zich in de visie van Juffer. Van Dalen staat er niet vaak bij stil dat ze een gemengd gezin heeft. Ze koos voor adoptie toen het ernaar uitzag dat ze zelf geen kinderen kon krijgen. Maar tijdens de adoptieprocedure raakte ze toch nog zwanger. Bij zwangerschap wordt de procedure stopgezet, die mag pas worden voortgezet als het kind een jaar oud is, want een voorwaarde om te adopteren is dat de gezinssituatie minimaal een jaar stabiel is. Toen Teun een jaar oud was dienden Van Dalen en Houben een nieuwe aanvraag in om te adopteren. De Zuid-Koreaanse Soo Jin kwam als baby van zes maanden in het gezin. Een voordeel van Zuid-Korea is dat er al veel Koreaanse adoptiekinderen in Nederland zijn. De eerste lichting is al volwassen en er is een bloeiende vereniging van Koreaans geadopteerden. „Dat kan prettig zijn als Soo Jin in de puberteit meer vragen krijgt over haar achtergrond. Op dit moment heeft Teun trouwens meer vragen over Soo Yins achtergrond dan zij zelf.”

Lucile van Tuyll, als klinisch orthopedagoog ruim dertig jaar werkzaam in het adoptiewerkveld, neigt meer naar de visie van Hoksbergen. Van Tuyll is voorzitter van het Adoptie Driehoekonderzoekscentrum (ADOC) en heeft een eigen adviespraktijk waarin ze adoptiegezinnen begeleidt, waaronder gemengde gezinnen. „Vroeger werden de meest risicovolle plaatsingen gedaan bij ouders die al kinderen hadden. Men ging ervan uit dat die gezinnen geschikter waren, omdat de ouders al ervaring met het verzorgen en opvoeden van kinderen hadden. Maar daarbij werd voorbijgegaan aan het feit dat de kinderen die er al zijn de ruimte moeten krijgen om door te groeien. Wat betekent het voor die kinderen als er een adoptiekind komt? Een kind, aan wie de ouders vaak veel meer aandacht moeten schenken. Het gaat er niet alleen om wat de ouders aan kunnen, maar om wat het hele gezin kan dragen.”

Van Tuyll is van mening dat ouders die gaan adopteren heel wat extra in huis moeten hebben. Marina van Dalen is het daar wel mee eens. „Je moet nog meer dan anders bereid zijn om voor je kind te gaan”. Soo Jin is bijvoorbeeld het eerste jaar na aankomst thuis gebleven, terwijl Teun al naar een crèche ging toen hij twee maanden was.

„Als je aan adoptie begint vraag je je af of het verantwoord is om te adopteren of niet, maar als de kinderen er eenmaal zijn sta je daar niet meer bij stil. Dan ben je gewoon bezig met de dagelijkse zaken in een gezin.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden