In gelul kun je, anno 2015, nog steeds niet wonen

Wat willen jullie over vijf jaar hebben, doen en zijn? Dat vroeg ik mijn studenten deze week. Er kwamen tal van dromen voorbij. Over mensen helpen, hun master halen en 'misschien wel een hond'. Maar verreweg het meest werd gedroomd over 'eindelijk op mezelf wonen'. En dan vooral geen studentenflats, hospita's of huisgenoten meer, maar eindelijk een echte woning.

Dat kon nog wel eens lastig worden. Want met steeds minder sociale huurwoningen en steeds meer expats en veelverdienende young professionals is de concurrentie op de vrije-sectorhuurmarkt in de grote steden inmiddels moordend. Om over de koopsector nog maar te zwijgen. Want wil je binnen de ring voet aan de grond krijgen, dan moet je tegenwoordig wel van heel goeden huize komen. In de betere buurten wordt bij de helft van de woningen de vraagprijs inmiddels al ruim overboden.

In mijn Amsterdamse wijkje, aan de rand van het centrum, zie ik het ook gebeuren. Toen ik hier kwam wonen, bijna tien jaar geleden, was het nog een buurt waarvan makelaars eufemistisch zeiden dat die 'in opkomst' was. Dat betekende in de praktijk dat er graffiti op de muren gespoten werd, dat er 's nachts wel eens een fiets verdween, en dat het winkelaanbod beperkt was tot een garage, een snackbar, een buurtkroeg en een coffeeshop.

Het betekende ook dat er nog ruimte was voor sociale verhuur. Die is inmiddels nagenoeg verdwenen, en de diversiteit aan bewoners daarmee ook. De verslaafde buurman, die ons ooit nog de stuipen op het lijf jaagde door met zijn joint in slaap te vallen waardoor zijn matras in de fik vloog? Overleden. Zijn woning gaat binnenkort, na een grondige opknapbeurt, in de verkoop. De oudere buurvrouw die altijd in haar ochtendjas de vogels stond te voeren? Idem. Haar huis is onlangs voor ruim drie ton verkocht.

Ook de snackbar is inmiddels verdwenen. Waar vroeger de patatjes oorlog over de toonbank gingen, kunnen we binnenkort smullen van versgebrande koffie of koudgeperst biologisch kokoswater. In de voormalige garage zit nu een kinderdagverblijf. En als zelfs de buurtkroeg brasserie gaat heten, dan weet je wel hoe laat het is.

Dat is leuk voor huiseigenaren zoals ik, die net op tijd hun slag hebben geslagen. Minder leuk is het voor de generatie van mijn studenten, die als er niet gauw iets verandert (of ze tussentijds de loterij winnen), keihard buiten de boot lijken te gaan vallen. Want hoe combineren we flexibilisering op de arbeidsmarkt met de steeds strengere regels op de hypotheekmarkt? En hoe verhoudt de groei van het aantal alleenwonenden zich tot het teruglopende sociale woningaanbod?

Dat er eindelijk een aantal financiers bereid is te experimenteren met hypotheken op basis van toekomstperspectief in plaats van arbeidscontracten of arbeidsverleden, zoals Trouw gisteren meldde, is een goed begin. Maar daarmee zijn we er nog lang niet.

Ook politiek, projectontwikkelaars en woningcorporaties moeten de toekomstige toegankelijkheid van onze woningmarkt (nog?) hoger op hun prioriteitenlijst zetten. En dan natuurlijk niet alleen door er over te vergaderen, te debatteren, of alweer een onderzoeksrapport. Daar hebben mijn studenten niets aan.

Want zij weten wat toenmalig staatssecretaris Jan Schaefer in de jaren zeventig al wist: in gelul kun je niet wonen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden