In een zacht aaiend licht schilderde Pieter Claesz de mooiste stillevens. Ze zijn veel meer dan een realistische reconstructie van een smakelijk maal.

De stillevens van Pieter Claesz zijn lange tijd nauwelijks in trek geweest. Ze zouden eentonig zijn, zelfs een beetje saai, als gevolg van het feit dat de schilder zich nauwelijks grote stilistische ontwikkelingen zou hebben gepermitteerd. Claesz legde het steevast af tegen sommigen van zijn tijdgenoten die zich ook in dit onderwerp vastbeten.

De drie schilders Kalf, Heda en Van Beijeren worden altijd in één adem genoemd als de werkelijke top van het stillevenschilderen. Zonder op hun specifieke kwaliteiten af te dingen blijkt op de eerste grote retrospectieve van Claesz in het Frans Halsmuseum in Haarlem, dat er voortaan een ander oordeel over deze specialist van de 'nature morte' gegeven moet worden. Pieter Claesz (1596/97-1660) mag tot de grote schilders van de Gouden Eeuw wordengerekend. Zijn specialisme blijkt geen beperking te zijn om hem een zeer persoonlijke visie op het leven toe te schrijven.

Pieter Claesz wordt in het Haarlemse museum naar voren geschoven -het Frans Hals beheert zelf twee (vanitas)stillevens van hem, reden ook waarom tot de tentoonstelling werd besloten- omdat hij met 'uitgekiende middelen een grote mate van sensibiliteit bereikt. Al bij de voorbereidingen van de expositie kwamen de museummensen erachter dat de schilderwijze van de Haarlemse meester verder reikte dan alleen een realistische weergave. Het heeft er dan ook veel van weg dat deze schilder niet zozeer het leven betrapte, maar zocht naar diepere oorzaken die de grondslagen van het bestaan vormen. Die zoektocht verbeeldt Claesz op een conceptuele wijze die bijna abstract uitpakt. Niet zelden weet hij zo de puurste vorm te bereiken, waarbij het lichtspel -het Frans Hals Museum spreekt van een 'zacht aaiend licht'- als een dankbaar stukje gereedschap wordt ingezet. Een vergelijking met de moderne Italiaanse schilder Morandi ligt dan voor de hand.

Afrekenen met het vooroordeel dat Claesz een 'monotone' schilder die altoos in herhalingen viel, doet deze tentoonstelling zeker. Wat begon als het schilderen van 'ontbijtgens', 'banketgens' en 'toebackjes', doorgaans sober ingedekte eettafels, veranderde omstreeks de tweede helft van de jaren twintig van de 17de eeuw in een reeks vanitasstukken waarbij de betekenis van de afzonderlijke elementen vaak een literaire inslag heeft. In die tijd koos Claesz zaken als het doodshoofd, de flakkerende kaars, het horloge, omgevallen glazen en bekers, en de combinatie van goud met zilver. Dit vanitasonderwerp binnen het stilleven was geen echt novum. Jacob de Gheyn had de schedel bijvoorbeeld al in 1603 in een stilleven gebruikt, zij het vanwege de bijbelse verwijzing 'dat het sterven de beloning van het leven is, dat men leeft om te sterven'.

In deze periode wordt het kleurenpalet van Claesz donkerder van toon om gaandeweg op een fluwelig zwart uit te komen. Niets verandert er aan de achtergrond: de achterwand wordt in één en dezelfde kleur gehouden, laat geen spoortje van reliëf zien en dient altijd om de zaken die op de voorgrond staan beter te laten uitkomen. Ook de ondergrond blijft wat hij is: een sobere, onbewerkte console of een met wit laken bedekte tafel.

Naarmate Claesz ouder en meer gezocht werd, groeiden de dinertafels in omvang en gewicht. Soms moeten er bloemen en planten op tafel, een bijkomstigheid die Claesz niet zelf wilde verzorgen maar daarvoor de assistentie van een specialist inriep. Met als gevolg een min of meer onevenwichtige compositie (zowel qua samenstelling als lichtbehandeling) die niet echt weet te overtuigen.

Een enkele keer liet Claesz zich verleiden tot het schilderen van een pronkstilleven, maar dit specifieke onderdeel werd nooit zijn sterkste kant.

Hetzelfde gold voor het zelfstandige bloemstuk, het keukenstilleven en het visstilleven, onderwerpen die hij angstvallig leek te mijden. Claesz bleef doorgaans trouw aan een gevarieerde uitstalling van etenswaren die soms al waren geconsumeerd of op zijn minst waren aangebroken. Zo liet hij van pasteien zien wat erin zit, schilde hij van citroen de eerste ringen af, werden broodjes aangebroken en noten gekraakt. Op een subtiele manier verbeeldde Claesz daarmee het gegeven vergankelijkheid, zoals dat ook al in de dovende kaarsen en de doodshoofden was verwerkt.

De wijze waarop alle elementen met een precieze hand in het beeldvlak werden geplaatst, maakte geen echte evolutie door. Misschien dat dat de reden is dat Claesz een saaie schilder wordt genoemd. Waarschijnlijk heeft hij met zijn wens om tot de pure vorm te komen, van de architectuur begrepen dat zaken als ritme, symmetrie en balans onveranderlijk een esthetische uitwerking hebben. Zoals een gebouw instort als het niet aan die drie voorwaarden voldoet, zo lijdt een stilleven schipbreuk als het niet aan deze esthetische normen tegemoet komt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden