'In een volgend leven kies ik een ander vak'

Praten over toneel wordt al snel iets heiligs, vindt actrice Olga Zuiderhoek. Acteren is voor haar nog steeds een mix van eindeloos blijven zoeken, worstelen en ja, toch ook echt plezier.

Les 1

Volg dat hart

"Mijn vader zei: 'Als je nou verpleegster wordt, dan kun je in Amsterdam in het Prinsengrachtziekenhuis aan de slag en dan trouw je een dokter, dat doen die dokters daar'. Hij was leproloog, hij woonde in Indonesië en dacht op afstand met ons mee. Hoewel ik het vak zeer hoogacht zag ik mezelf niet als verpleegkundige. Ik koesterde ook geen diepgevoelde wens om met een dokter te trouwen.

Toen ik vier was, scheidden mijn ouders. Er was geen teleurstelling in het spel, mijn moeder wilde ons gewoon in Nederland een schoolopleiding geven, niet in Indonesië en dus vond ze het beter om met mijn vader te stoppen. Mijn moeder, mijn twee zussen en ik kwamen terecht in Assen, waar het in de jaren vijftig ongewoon was om zonder vader op te groeien. Ik voelde dat de buurt ons in de gaten hield als mijn moeder herenbezoek kreeg, en als wij de straat uitreden - vier vrouwen in mijn moeders lelijke eend - schaamde ik me. Ik was een puber, voelde me een buitenbeentje en dat wil een puber niet.

Veel weekenden bracht ik door bij mijn nichtjes in Amsterdam. Ik had een abonnement op Serie C in het Concertgebouw, waar we voor de pauze naar Beethoven en Bach luisterden en na de pauze naar Bartók en Stravinsky. Voor de dames uit de Beethovenstraat was dat piep-knor-muziek, die vonden dat toen nog te modern en kwamen na de pauze niet terug. Maar ik dacht: hier in Amsterdam gebeurt het en hier hoor ik thuis. Vandaar de Toneelschool."

Les 2

Tevredenheid staat altijd op de tocht

"Ik werd aangenomen op de Toneelschool. Het was een verwarrende periode. Acteren is een onbeschermd beroep, het is geen wetenschap. Leerlingen die voor de Kerst al werden weggestuurd, bleken soms veel betere acteurs met meer werk dan studenten die keurig na vier jaar afstudeerden. Er waren jonge leraren die nieuwe groepen zouden beginnen en oudere, die op dat moment alle subsidie kregen.

Ze hadden allemaal hun eigen praatjes over wat toneelspelen is, over hoe het wel hoorde en hoe niet en ze waren het niet altijd eens. Ik moest zelf uitzoeken wie ik het meest wilde geloven.

In die tijd haalde ik nog geen voldoening uit het spelen. Ik voorvoelde dat het een lange weg zou worden, ik worstelde en aarzelde en bluste dat af met snoep en lekkere happen. De echte pret kwam pas laat, of eigenlijk streef ik er nog steeds naar. Met elk nieuw stuk zoek ik naar tevredenheid en telkens als ik heel even denk dat ik die gevonden heb, dient zich alweer een nieuwe uitdaging aan."

Les 3

Durf de boel op te schudden

"Ik was niet trots op het toneel waarvoor ik geleerd had en dat zat me dwars. Ik studeerde af in een tijd waarin veel acteurs nog met een pruik, in lange rokken en met pofmouwen iets uitbeeldden. Daar wilde ik niet bij horen. Experimententoneel, dat wilde ik wel. Al tijdens de Toneelschool droomde ik van The Living Theatre in New York en was ik gegrepen door een stuk als 'Alice in Wonderland' van The Manhattan Project, waarin Alice onder een vleugje lsd zit. Onze generatie wilde iets soortgelijks neerzetten, we wilden de boel vernieuwen, actueler maken en durven ontrafelen. Oh zeker, we hadden praatjes, op de Toneelschool. We zochten naar verwantschap met de werkelijkheid waarin we leefden en wilden het anders doen dan het bestaande toneel, waar al het geld naartoe ging. We ruiden de boel op, dwongen een nieuwe verdeling van gelden af en zo ontstonden groepen als Het Werkteater, het Onafhankelijk Toneel en Toneelgroep Baal.

Grappig is dat ik vlak nadat ik slaagde op de Toneelschool al zei: ik wil toneelspelen zoals Willem Breuker saxofoon speelt: hij kon alle noten en tonen mooi spelen en ondertussen af en toe lelijk krassen. Jennen."

Les 4

Alles is 'work in progress'

"Een ingeblikt eindproduct bestaat niet. Dat leerde ik bij Het Werkteater, waar ik in 1975 bij kwam. Voorstellingen zijn altijd work in progress, elk stuk verandert voortdurend.

Toen ik in 1979 een jaartje in New York woonde, volgde ik eens een les in method acting van Lee Strasberg, de school van James Dean en Marlon Brando. Ik herinner me dat in die les een oud-leerlinge van Strasberg, die avond aan avond op Broadway voor volle zalen stond, zei dat ze vastliep in een scène. We've lost it, verklaarde ze. Strasberg gaf zinvolle aanwijzingen die ik me niet precies herinner, wel weet ik nog dat hij de radeloze toneelspeelster vroeg te gaan zitten en haar geruststelde met de woorden: 'Theater is soep en al die wortels, room en champignons die je erin stopt moeten elke avond opnieuw binden, één geheel worden.' Soms lukt het, soms niet, benadrukte hij, maar dat is van geen belang. Waar het wel om gaat is dat je samen probeert het stuk tot een gebonden soep te maken. Het werken eraan, dat maakt het spannend. Dat je zoekt, dát voelt het publiek. Meer kun je, vond hij, niet willen."

Les 5

Maak het dagelijkse tot iets feestelijks ...

"Samen met Ischa Meijer maakte ik in de zomer van 1980 'Izzy en Olly in een Hemelbed', een moderne bewerking van Jan de Hartogs 'Een hemelbed', waarin een stel leut en leed deelt, van huwelijksnacht tot dood.

Repeteren en spelen deden we in de Brakke Grond in de Amsterdamse Nes, waar we regelmatig acterende collega's tegen het lijf liepen. Cas Enklaar had altijd een fototoestel bij zich en zette iedereen met elkaar op de kiek: Ischa met Kitty Courbois, Ischa met Marjon Brandsma, Ischa met Hans Dagelet. Ischa genoot, hij was gewend om thuis of op de redactie van Vrij Nederland in zijn eentje aan zijn columns te schaven. 'Nee, het toneel', kirde hij, 'daar is het altijd feest. Jullie beginnen met koffie en een sigaretje, dan nog even het decorontwerp bekijken, dan een kwartiertje ouwehoeren en daarna nog één sigaretje en dan pas is het ein-de-lijk repeteren geblazen.'

Ik had soms bedenkingen bij hoe luidruchtig acteurs onderling konden zijn en hoe aandachttrekkerig ze in het openbaar soms overkwamen, maar door Ischa's woorden keek ik anders naar mijn vak en dacht ik: ik mag wel wat blijer zijn met al die leuke collega's. Sindsdien rijd ik toujours met plezier naar repetities of opnames."

Les 6

... en rust rond middernacht

"Ol gaat niet mee naar het café, dat weten mijn collega's onderhand. Nadat ik mijn prestatie heb geleverd wil ik naar huis en genieten van de rustige, nachtelijke uren, tot de volgende ochtend, als na het opstaan de dag weer inloopt. De dag staat in het teken van de avond waarop ik weer moet presteren. Eigenlijk zou ik willen blijven liggen tot ik weer vertrek naar het theater, ik zou de rustigste uren moeten verlengen, maar dan heb je geen leven.

Die ontspannen uren zijn altijd van het grootste belang geweest en dat waren ze ook toen ik met Willem was. Als we na het spelen thuiskwamen, en ik hem vroeg: 'En, hebben jullie de zaal veroverd?' dan mompelde hij maar wat. Werk bespraken we met collega's, niet met elkaar. Zeker in die uren voor het slapen niet."

Les 7

Soms moet een mens het leven dulden

"In 'De Meeuw' van Tsjechov, dat Het Werkteater uitvoerde in 1984, speelde ik de rol van Nina. Nina wil actrice worden in de grote stad, haar jeugdvriendje wil schrijver worden, maar drijft bij gebrek aan succes zelfmoordwaarts. Als Nina terugkeert uit de stad vraagt het vriendje haar begerig hoe het is geweest. Zij antwoordt dat werkelijk álles tegenviel, maar dat ze heeft geleerd 'dat een mens het leven soms moet dulden'.

Ik snikte me elke avond door deze monoloog, zo hadden we afgesproken, maar bij 'ik heb geleerd dat een mens het leven soms moet dulden', lachte ik, omdat het zinnetje verlichting bood, geruststelling. Troost is er niet, je moet er niet van uitgaan dat vandaag leuker wordt en toch moet je door. Ik heb er ook wel wat aan gehad na Willems dood."

Les 8

The show must go on

"In 2010 speelde ik 'De Caracal' van Judith Herzberg: een monoloog over een vrouw die wacht op een telefoontje van de man met wie ze een jaar eerder heeft afgesproken dat hij binnen het jaar besluit of hij voor haar kiest. Michiel van Erp verzorgde filmbeelden bij het stuk, de muziek was van Willem. Die had het stuk nog gezien. Toen ik hem vroeg wat hij ervan had gevonden, had hij gezegd: 'De mensen kwamen naar je kijken, de zaal zat vol, wees blij'. Dat was Willem.

Nadat Willem was overleden vroeg Michiel me of ik zeker wist dat ik 'De Caracal' wilde blijven spelen. Aanvankelijk aarzelde ik. Willem kon ik het niet vragen, die was dood. Twee maanden na zijn overlijden stond ik weer op het podium. Het leek me wel verstandig."

Les 9

Er is leven na het theater

"Weet je, praten over toneel wordt al snel zo'n heilig gedoe. Het is me een raadsel waarom juist acteurs zo vaak gevraagd wordt te reflecteren op hun vak. Niemand vraagt ooit een timmerman hoe hij zich voelt voor- en nadat hij zijn hamer pakt en hoe hij terugblikt op zijn timmerklus.

Mooi aan toneel is dat je het samen doet, maar vaak is het ook uiterst vervelend - in een volgend leven kies ik een ander vak. Teksten leren is niet echt leuk en het wordt er ook niet leuker op, want waar ik mijn tekst vroeger in twee uur in mijn hoofd had, kost het me tegenwoordig zes uur. Ik vind het ook zwaar dat je als toneelspeler pas 's avonds je poepje moet laten ruiken. Televisie is anders, dat is vroeg op en vroeg naar bed. Vroeger deed ik het allebei: overdag televisieopnames en 's avonds theater, slapen en de volgende dag opnieuw. Nu wil ik dat niet meer. Hou ik niet vol, zeg. Sommige acteurs zeggen dat ze er niet aan moeten denken dat ze niet meer zouden spelen. Dat heb ik helemaal niet. Ik bezoek theater en concerten, wandel graag in de duinen en dat lukt me ook wel zonder toneel.

Hoewel: als ik iets écht leuks zie, zoals laatst 'Sinaasappelstraat' van Joan Nederlof - ontroerend, knap en o zo geestig - kan ik nog steeds gék worden van enthousiasme. Ze heeft de voorstelling zelf gemaakt. Dat ben ik ook weer aan het doen: met Loes Luca maak ik 'Die lustige Witwe'. Ik kijk best uit naar het nieuwe jaar. Hup, het toneel op en zorgen dat we die soep binden. Ik vermoed dat ik in dít leven wel blijf spelen tot ik de mensen wegjaag."

Olga Zuiderhoek

Olga Zuiderhoek (1946) rondde in 1970 de Toneelschool Amsterdam af. Ze acteerde bij gezelschappen als Het Werkteater, Hauser Orkater en De Mexicaanse Hond. Ze stond in 'Wie is er bang voor Virginia Woolf?' (2009 en 2012) en speelde met Kees Prins de kerstvoorstelling 'Vrede op Aard' (2007 tot 2013). Ze speelde in diverse films - 'Abel' (1986), 'Theo en Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium' (1989), 'Ja zuster, nee zuster' (2002) - en in televisieseries als 'Seth en Fiona' (1994), 'Evelien' (2006), en 'Penoza' (2010-heden).

Komend jaar speelt Zuiderhoek met André van Duin en Kees Hulst mee in 'The Sunshine Boys' en worden de opnames voor 'Penoza 4' voortgezet. Ook staat ze weer als Wilhelmina in 'Soldaat van Oranje'.

Zuiderhoek was 26 jaar getrouwd met jazzmuzikant Willem Breuker. Hij overleed in 2010. Ze besloot het huis dat ze samen 28 jaar bewoonden te verlaten. De NTR maakte hier (in: 'Het uur van de wolf') een documentaire over: 'Het nieuwe huis van Olga Zuiderhoek'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden