'In een team moet af en toe weleens een klap vallen'

Bondscoach Bert van Marwijk, een honkvaste import-Limburger, verloochent zijn afkomst als speeltuinvoetballer uit Deventer niet. „In de speeltuin heb ik zelfs nog gevoetbald toen ik al in het eerste van Go Ahead speelde.”

Al bij de entree van zijn werkkamer in Zeist begint de bondscoach van Oranje zich te verontschuldigen. Er hangt een foto van hem aan de wand. Zó prominent staat Bert van Marwijk, de bondscoach, er niet eens op: hij zit, zijn assistenten staan rondom hem. In het hele gebouw wilde de KNVB foto’s, van spelers en oud-coaches. Maar van hem hoeft het niet, zijn eigen kop op kantoor aan de muur–dat de bezoeker dát meteen maar even weet.

Een jaar geleden bezocht Bert van Marwijk de reünie van een speeltuinvereniging in Deventer, waar hij in zijn jeugd voetbalde. „Op dertig meter daar vandaan ben ik geboren. Daar liggen mijn roots. Die mensen bestonden dertig jaar en die vroegen heel bescheiden of ik misschien wilde langskomen. Ze hadden waarschijnlijk niet gedacht dat ik dat zou doen. Je krijgt zoveel aanvragen. Maar daar maakte ik een uitzondering voor. Omdat ik daar gevoel bij heb, ook bij de mensen die daar zijn. Er zijn zoveel mensen die je nu ineens kennen van vroeger en van wie je denkt: pfff. Ik ken je nog van die en die school, zeggen ze dan. Daar heb ik dan helemaal niet op gezeten. Maar dit was echt, eerlijk.”

„Mijn moeder woont daar sinds kort niet meer, maar die heeft daar zestig jaar gewoond. Dan liep ik een gangetje uit, klom over het hek, liep over het schoolplein en dan was ik in de speeltuin. Daar heb ik zelfs nog gevoetbald toen ik al in het eerste van Go Ahead speelde. Trainde ik overdag soms twee keer en ’s avonds was er een toernooi van speeltuinen tegen elkaar. Dat ging er heftig aan toe. Met een jaar of zeven, acht mocht ik al met grote partijen meedoen. Alles speelde door elkaar heen, ook jongens van twintig. Dat was een goede opleiding.”

Heb je op die reünie gevonden wat je zocht?

„Ik ben niet zo op zoek gegaan. Als ik bij mijn moeder kwam, reed ik al langs de speeltuin. Ik wist hoe het er nog uitzag. Ik moest goed kijken, sommigen herkende ik gewoon niet meer, een enkeling wel. De meeste namen kan ik me ook niet meer herinneren. Maar er was één jongen bij, die was toen al heel groot: Geo Peet, die wist ik nog. We zaten aan een lange tafel en hij zat zo’n beetje naast me. Op een gegeven moment had ik het lef om te zeggen wie ik dacht dat hij was. En dat klopte: had ik toch gelijk–Geo Peet.”

Toen had je het léf?

„Ze kennen mij altijd. Maar ik zou het heel vervelend hebben gevonden als ik de verkeerde naam aan iemand had verbonden, al is het dertig, veertig jaar geleden.”

Je geneert je bijna voor een foto van jezelf. Op zo’n reünie staart iedereen jou aan, als de bondscoach.

„Het liefst zou ik daarheen gaan om alleen maar die mannen tegen te komen. Maar ik realiseer me ook dat als ik daar kom aanrijden, dat daar kinderen staan voor foto’s en een handtekening. Als je mij vraagt of ik dat er af zou willen halen–voor die kinderen niet, maar het hoeft voor mij niet. Er was wat regionale omroep. Vroeger zou ik me daaraan ergeren, maar nu weet ik dat het gebeurt. Ik kan me er ook iets bij voorstellen, en het viel mee. Het was een leuke dag.”

Wat zegt het over je dat je erheen ging?

„Ik hou er niet van om mezelf te profileren. Het interesseert me niks. Ik heb acht jaar bij MVV gespeeld. In de sponsorruimte daar lopen vaak oud-spelers rond, maar ook bobo’s, sponsoren, weet ik veel. Als ik daar binnen kom, komen veel mensen naar me toe. Maar dan zie ik Matty Dassen staan. Met hem heb ik gespeeld. Hij heeft een voegbedrijf, en iets aan zijn hart gehad. Dan loop ik naar hém toe. Het werkt bij mij vaak andersom: ik zoek niet de zogenaamd belangrijkste mensen op, maar de belangrijkste voor mij.”

Hij woont nu al 31 jaar in Limburg. Bij zijn presentatie, in het voorjaar van 2008, vroeg de Limburgse regionale omroep hem of hij ook als bondscoach in zijn stamcafé een kaartje zou blijven leggen. Dat is zijn stigma: de zo gewoon gebleven man, met een pilsje en een sjekkie. Hij rookt al vier jaar niet meer, maar nee, Bert van Marwijk had toen niet de aanvechting de vraag te ontwijken, en met zijn nieuwe status het beeld eens níet te bevestigen. Dat het nu te klein zou zijn, te kneuterig–zo denkt hij niet.

In navolging van zijn voorganger Marco van Basten bekijkt hij wedstrijden in Nederland op de perstribune. Hij is daar benaderbaar voor journalisten, laagdrempelig. „Daar heb ik wel eens over nagedacht: is dat eigenlijk normaal? Ik moet neutraal zijn, maar als ik naar een wedstrijd kijk kan het gevoel van de liefhebber overwinnen. Dan sta ik als een liefhebber met journalisten te praten. Later heb ik wel eens gedacht: had je dat wel moeten zeggen?”

„Je vraagt eigenlijk: ben je je ervan bewust dat je bondscoach bent en hou je daarmee rekening in je omgang met alles en iedereen? Dan heb je wel een punt, want ik denk dat ik daar heel vaak geen rekening mee houd.”

Het heeft nog geen kwaad gekund, die vorm toch van argeloosheid. Er is in het gladjes verlopen voortraject naar het WK geen reden geweest om zich te verheffen, en al helemaal niet om zich te verschansen. Hoe Van Marwijk zich houdt bij toenemende druk op het allerhoogste niveau, moet blijken. Het kon, met Feyenoord en Borussia Dortmund als zijn grootste clubs, nooit eerder worden aangetoond. Zijn vorming is anders geweest dan die van voorgangers als Guus Hiddink en Louis van Gaal, die zich als betrekkelijk modale voetballers al op vereisten in het doceren van hun tweede carrière toelegden. Van Marwijk ging lang door als voetballer, tot z’n 36ste op een gaandeweg laag niveau, en in die geest werd hij trainer–met alle tekortkomingen van dien.

Eerlijk vertelt hij nu dat hij daarop werd gewezen door een enkele speler zelfs, zijn streekgenoot Paul Bosvelt bijvoorbeeld in zijn eerste periode bij Feyenoord. „Toen ik begon, bij de amateurs, wilde ik alles van de eerste tot de laatste seconde onder controle hebben. Ik begeleidde het spel bij wijze van spreken als een radioverslaggever langs de kant. Ik schold ook nog eens veel. Mensen om mij heen hebben mij erop geattendeerd dat ik zo fanatiek was als spelers iets niet goed deden, dat ik dat niet snapte. Dan had ik snel de neiging om te zeggen: als je daar niet tegen kunt, als je dat niet snapt, dan donder je maar op, dan hoor je hier niet thuis. Daar ben ik wel eens te ver in gegaan. Gaandeweg zag ik in dat spelers daardoor juist minder vertrouwen kregen.”

Van Marwijk is nu eenmaal nog van de ’cynische generatie’. Hij verhaalt van zo’n typische voetballersvakantie in de jaren zeventig, met z’n allen in Lloret de Mar. Ruud Krol was de organisator van een wedstrijdje tegen Engelse profs. John Rep was erbij, Rinus Israel , Heinz Stuy als doelman. „Laatste minuten, we staan met 4-1 voor. Ik ga op rechts op de keeper af. Ik zie Israel meelopen, maar denk: ik doe het zelf. Ik miste. Werd ik verrot gescholden door Israel. Ik zeg: rustig Rinus, ’t is een partijtje voor de lol. Níks lol, schreeuwt hij, dat moet je léren: ook dan moet je ’m afgeven. ’s Avonds, er was een feestje voor ons georganiseerd, zocht ik ’m op. Hij was nóg kwaad: opsodemieteren moest ik. Dat is nu ondenkbaar, maar in wezen was ik zelf ook zo.”

Zo werden ze vroeger opgevoed–Van Marwijk wordt niet moe dat te vertellen. Dan was hij bij Go Ahead van het trainingsveld afgeschopt door de ouderen en de volgende dag stond hij er gewoon weer: hem kregen ze niet klein. Later had hij als trainer bij Feyenoord de ’grootste ruzies’ met Paul Bosvelt en Pierre van Hooijdonk, routiniers en bovenal óók cynici van inborst. „Daar heb ik geleerd dat een mondig team veel meer weerstand kan bieden als het er echt om gaat. En dat je geen vrienden van elkaar hoeft te zijn.” Nu moet hij als bondscoach ego’s van gevierde clubspelers zien samen te smelten. „Ik moet ze leren dat ze elkaars kwaliteiten accepteren. Als ze dat snappen, zijn ze samen sterker.”

Daarbij is Van Marwijk geen man van boeken, over groepsprocessen bijvoorbeeld. „Ik geloof niet in boekenwijsheden. Dan wordt het onnatuurlijk. Voetballers hebben dat onmiddellijk in de gaten omdat ze boerenslim zijn. Ze zijn intelligenter dan mensen denken. Ze hebben door hun carrière de mogelijkheid niet om te studeren of ze gunnen zich er de tijd niet voor. Maar voetballers leren snel, zeg maar: vanaf de straat, door schade en schande, zoals ik óók heb geleerd. Daarom heb ik veel respect voor trainers die zelf niet op niveau hebben gevoetbald. Ik herken zoveel dingen van mezelf bij voetballers. En de bedoeling is dat zij herkennen dat ik dat herken. Je moet de gedachten van spelers kunnen lezen, en zij moeten het gevoel hebben dat jij dat kunt.”

Komt een trainer, is Van Marwijks gedachte, bij voetballers niet juist geloofwaardiger over als hij zegt niet alles te willen of kunnen uitbannen? Louis van Gaal wil in de kern van zijn filosofie een veilige wereld rondom zijn spelers creëren. Maar voetballers weten: het is onbestaanbaar dat er, ook als ze worden afgeschermd, niets gebeurt. Van Marwijk: „We gaan naar een WK, maar niet met bijvoorbeeld Zuid-Korea. Die kun je twee maanden in een trainingskamp bij elkaar zetten, en daar heb je geen omkijken naar. Wij vervelen ons al binnen twee dagen. Ik zelf ook! Ik herken dat. Zo benoem ik de mogelijke problemen. Wij doen er alles aan om verveling tegen te gaan. Maar ik zeg wel tegen mijn spelers: jongens, we proberen het uit te sluiten, maar er zal echt wel wat gebeuren. En onder ons gezegd: dat is ook helemaal niet zo erg. Dat is net de clou. Je kunt niet alles onder controle hebben. Er kan wel eens iets gebeuren, en er moet ook wel eens iets gebeuren.”

In wezen wil je je nog altijd laten leiden door de wetten van de speeltuin van vroeger.

„Van de straat, ja. Zo ben ik opgegroeid. Ik kon ook incasseren, maar dan kon ik wel heel vervelend worden. Wij konden vroeger met de vuisten tegenover elkaar staan. Daarna was het weer voorbij, legden we een kaartje of dronken een pilsje. Dat probeer ik een klein beetje terug te brengen.”

Zijn bewust gekozen assistenten Frank de Boer en Phillip Cocu zijn gelouterde oud-voetballers van niet bepaald het overgevoelige slag. Als Van Bommel, de middenvelder die zelf van wanten weet, op het trainingsveld ’een duw krijgt en drie meter verderop valt’, kunnen ook zij doen of ze niets hebben gezien, vertelt de bondscoach steels. Als er ophef dreigt te ontstaan over een akkefietje tussen Van der Vaart en Huntelaar, die in de slotfase van het al belangenloze WK-kwalificatieduel met Schotland even ruzieden om de bal, straalt de lichaamstaal van De Boer en Cocu een duidelijke boodschap uit: drukte om niets. „Dat zien spelers ook, ze nemen het over”, zegt Van Marwijk. „De manier waarop wij met elkaar omgaan, is allesbepalend.”

„Onderweg, met al die kleine dingetjes, wordt wel iets duidelijk. Discipline, ik kan het niet vaak genoeg zeggen, ontstaat niet door zo’n pak papier, wat velen denken. Wij hebben één A4’tje waar een paar dingen op staan. Discipline komt voort uit de manier waarop je met elkaar omgaat, waarop je naar elkaar kijkt. Dat bepaalt of ze uiteindelijk over de streep gaan of niet–daar ben ik duizend procent van overtuigd.”

Jij neigt daarin wel meer naar het conflictmodel van Johan Cruijff dan naar het harmoniemodel van Louis van Gaal?

„Ik denk het wel. Ik heb nooit een idool gehad, maar ik vind Cruijff de allerbeste voetballer die heeft geleefd. Misschien ook omdat ik hem heb meegemaakt. Ik heb middagen gehad, in de zon, dat ik van hem stond te genieten. Hij kon alles. Cruijff kon op alle posities in het wereldteam spelen. Dat onderscheidt hem, in mijn waarheid.”

Maar zoals Cruijff conflicten kon forceren, zo ver ga jij niet.

„Nee, maar er moet af en toe in een team wel eens een klap vallen. Dat is een moeilijke boodschap in deze tijd. Onze botsingen van vroeger op de training zouden nu tot jarenlange ruzies leiden. Wat ik wil overbrengen, is moeilijk uit te leggen. Soms iets laten gaan, maar ook meedogenloos kunnen zijn. Het heeft iets van de survival of the fittest, ja.”

„Ik houd wel van spelers die kwaad worden op zichzelf. Ik kon me vroeger ook aan mezelf ergeren. Dat betekent dat je het béter wilt doen. En dat je niet te snel alles afschuift op een ander. Ik schoof het ook wel op anderen af, als ik de bal niet kreeg van de linksback bijvoorbeeld. Maar als ik ’m wel kreeg en het lukte me niet, ergerde ik me kapot aan mezelf.”

Denk jij dat Wesley Sneijder zich wel eens aan zichzélf ergert?

„Ik denk dat hij zich in voetbaltechnisch opzicht vaak aan zichzelf ergert, ja. Maar spelers die zich ergeren, laten vaak net het volgende moment lopen. Ik heb hem gezegd: je moet je eigenlijk tijdens het teruglopen ergeren. Ik moet aanvoelen of een speler zich ergert aan zichzelf of, erger, aan anderen. Ook hierin is herkenning het belangrijkste.”

Vind je jezelf een autodidact, iemand die het zichzelf allemaal heeft aangeleerd en die nu hoofdzakelijk op Fingerspitzengefühl werkt?

„Ja, eigenlijk wel.”

Maar dat kan toch niet meer in deze tijd? Trainers moeten ook managers zijn. Ze ontwikkelen zich breed met leerboeken of vormen van mentale begeleiding. En de hoogste trainer van het land doet het allemaal zonder.

„Alle trainingsoefeningen zijn van mezelf. Ik heb m’n eigen trainingsprogramma geschreven. Maar natuurlijk lees ik wel eens iets waarmee ik m’n voordeel kan doen. Het is ook niet dat ik niet open sta voor een sportpsycholoog. Maar ik ben er nog niet één tegengekomen. Het is zó moeilijk. Wij, als trainers, moeten de psycholoog zijn. Voetballers hebben zoveel mensenkennis, ze doorzien je.”

„Je wordt geboren als voetballer. Maar hoeveel kinderen willen psycholoog worden? Het is vaak een keuze voor een studie, voor de beste toekomstmogelijkheden. Ik zou wel eens een oud-topvoetballer willen tegenkomen die vanuit zijn gevoel psychologie heeft gestudeerd. Ik denk dat díe me wel een stap verder zou kunnen brengen.”

Maar voorlopig heeft hij niet het gevoel dat zijn achtergrond tekortschiet. Ooit werd hij weggestuurd bij het toelatingsexamen voor de HBS. Na fikse ruzie met zijn ouders deed hij de ulo, en later de havo. Van de sportacademie, zijn volgende keuze, kwam het daarna al niet meer vanwege zijn carrière als voetballer. Het is genoeg, zo. „Ik heb een gezonde dosis verstand.”

Daarmee draagt deze bondscoach van Oranje sinds zijn aantreden in 2008 bovenal de boodschap uit dat een mindere dag op een eindtoernooi nu eens niet direct het einde moet zijn, zoals vaak gebeurde door een mengeling van hoogmoed en argeloosheid.

„Dat zie je in de hele geschiedenis van het Nederlandse voetbal. Wij kunnen van iedereen incidenteel winnen: Brazilië, Italië, Duitsland. Alleen, wij zijn toch een beetje vreemd. En hoewel mensen mij heel gewoon vinden, ben ik daar misschien wel het prototype van. Wij zijn een klein volkje, creatief, ook een beetje vervelend, arrogant. Ga maar in het buitenland met vakantie waar veel Nederlanders zijn: een hoop geschreeuw. Als je daar door een andere bril naar kijkt, kan ik me voorstellen dat mensen daar schuin naar kijken: daar heb je ze weer, met die grote bekken. Zo profileren we ons vaak. Het is niet gauw goed, maar als het eenmaal goed is, kennen we ook geen grenzen meer. Dan gaan we de fout in.”

„Ik kan de mentaliteit van een volk niet veranderen, ik kan een cultuur niet veranderen. Maar ik probeer de boodschap over te brengen. Het gevoel van arrogantie moet worden vertaald naar: kom maar op, maar we moeten wel elke keer ongelooflijk hard werken om ons niveau te halen en we kunnen niet verslappen, want daar zijn we niet goed genoeg voor.”

Een geschikter voorbeeld dan het EK 2008, zo vers nog, kan Van Marwijk zich niet wensen. Op de jubel van de groepsfase volgde de uiteindelijk kansloze uitschakeling in de kwartfinale, tegen Rusland. Het was al een veeg teken geweest, stipt Van Marwijk bij voortduring aan, dat doelman Van der Sar in de groepsduels tot de uitblinkers had behoord. „Ik weet niet hoeveel duizenden mensen in Zwitserland door te straten liepen. Als die jongens het raam opendeden: overal oranje. Maar ook op tv hè, het kon niet op. Het is niet verkeerd bedoeld, maar het brengt ons niet verder. Het houdt niet op na een overwinning. Van Basten en Van der Sar waarschuwden: pas op, nu gaat het pas beginnen. Maar het was al niet meer te stoppen.”

Zonder boeken, al of niet wetenschappelijk onderbouwd, met een eigen waarheid de achilleshiel van een voetbalcultuur aanpakken–je maakt het jezelf niet makkelijk.

„Nee, maar vaak is het zo simpel. Als je wilt stoppen met roken, moet je gewoon stoppen met roken. Ik wil door mijn manier van werken overbrengen dat we begrijpen dat het nooit ophoudt, dat het pas begint na zeges in de poule.”

Zoals je stopt met roken, zo moet je dus stoppen met hoogmoedig te zijn bij voorspoed. Dat is wel makkelijk gezegd.

„Toch denk ik dat het de beste manier is. Je moet het zeggen en voorbeelden geven. In 1974 waren we beter, maar we wonnen niet. Onder Marco van Basten werd Duitsland in een oefenwedstrijd nog eens een helft lang weggespeeld, maar het werd 2-2.”

Gewoon blijven doen, je de kop niet op hol laten brengen–het staat bij wijze van spreken op zijn voorhoofd geschreven. „Als je gewoon normaal doet, ben je al speciaal”, zegt de bondscoach van Oranje. „Ik heb nog niet het gevoel dat ik iets speciaals doe. Maar ik mag terugkijkend best trots zijn op m’n loopbaan tot nu toe.”

Lang liet hij, de ongecompliceerde straatvoetballer uit Deventer, dergelijke gevoelens niet toe. In 2002 liep de gerespecteerde Italiaanse coach Marcello Lippi vóór een Champions Leagueduel van Feyenoord bij Juventus plotseling met een tolk op hem af. „Hij wilde zijn respect uitspreken voor mij en voor Feyenoord, voor de manier waarop wij eerder dat jaar de Uefa Cup hadden gewonnen. Ik schrok ervan, maar ik vond het wel heel mooi.”

Er schuilt wel iets van ironie in: uitgerekend de honkvaste import-Limburger die je bent geworden, is de bondscoach als het WK wordt gehouden in Zuid-Afrika, een uitzonderlijk en uitheems decor toch.

„Ik ben geen wereldburger, wou je zeggen? Misschien wil ik dat ook wel niet. Guus Hiddink is dat, ja, maar die behoefte heb ik niet zo. Inmiddels ben ik ook op veel plaatsen geweest, maar dat straal ik misschien niet uit.”

„Het is wel heel apart om juist bij een toernooi in Zuid-Afrika bondscoach te zijn. Maar ik kan dat ook snel weer scheiden. Als ik daar ben, interesseren mij alleen de trainingsaccommodatie en de prestatie. Ik sluit m’n ogen niet voor het land, en de problemen ervan. Maar ik kan me wel volledig richten op wat belangrijk is voor ons. Of het nou in Zuid-Afrika is of in Alaska.”

Daarbij zouden ook op duizenden kilometers van Deventer de gedachten van Bert van Marwijk zomaar eens kunnen uitgaan naar zijn twintig jaar geleden overleden vader. In de jaren zeventig werden ze samen wereldkampioen klaverjassen. Over hun grootste kracht hoeft de zoon geen seconde na te denken. „De non-verbale communicatie. Die kón kwaad op mij worden als ik tegenover hem zat. Hoe die keek als ik een fout maakte. Hij kon beter kaarten dan ik. Dat zal ik nooit vergeten. Hij zette mij ongelooflijk onder druk, maar ik bezweek er niet onder. Ik werd er sterker en scherper van.”

„Als ik kijk hoe ik met mijn kinderen en kleinkinderen praat–dat is anders dan vroeger. Vroeger waren er geen gesprekken tussen vader en zoon. Het was een gevoelskwestie, maar wel één met veel respect. We begrepen elkaar heel goed. Ik zal nooit vergeten hoe hij zei dat er geen sprake van kon zijn dat ik van school zou gaan, toen ik dat al eerder wilde. Dat gebeurde dan ook niet. Maar hij bemoeide zich verder weinig met me. Hij was met voetbal ook niet die extra kritische vader.”

Je vader zal hebben geweten dat hij je bij het klaverjassen soms onder druk zette. Maar kennelijk ging hij niet zo ver dat je blokkeerde.

„We kenden elkaars kwaliteiten, en die respecteerden we. Daarbinnen konden we best eens ruzie krijgen. Maar dat beïnvloedde het resultaat niet. Dat is misschien wel een goede les voor waar we nu voor staan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden