In één ondeelbaar ogenblik

Het beroemdste verhaal van Jorge Luis Borges heet ’De Aleph’ en gaat, kort samengevat, over een geheimzinnig bolletje dat de schrijver een visoen verschaft waarin de gehele kosmos aan hem verschijnt. Volgens Jan Oegema vormt Borges’ hint naar dit godsbeeld niet de pointe van het verhaal. „De crux is dat Borges op verschillende manieren twijfel zaait over de kwaliteit van het alleszins spectaculaire wonderbolletje.”

Het is een kort verhaal, het heet ’Everything and nothing’ en het gaat over Shakespeare. Aan het slot ervan gaat Shakespeare dood. Hij blikt terug op zijn leven en klaagt zijn nood. Nooit heeft hij zich een man uit één stuk gevoeld, altijd heeft hij zich verdeeld geweten over de personages die hij schiep, de een na de ander, in een eindeloze reeks, de een vulde het gat van de ander op – eigenlijk was hij zelf niet meer dan dat: een wandelend gat. Dan hoort hij God spreken, in een bijbelse scène, de stem van de Allerhoogste rolt aan uit een machtige wervelwind: „Ook ik ben niet; ik heb de wereld gedroomd zoals jij je werk hebt gedroomd, mijn Shakespeare, en tussen de gedaanten van mijn droom bevind jij je, die evenals ik velen bent en niemand.”

Twee scheppers van fictie, troost vindend in een gedeeld besef van onwerkelijkheid.

De passage is typerend voor Jorge Luis Borges (1899-1986), de Argentijnse schrijver die zich aanhoudend vervreemd voelde van zichzelf en de wereld, een leven lang liever oploste in een windvlaag of een luchtspiegeling om eindelijk, eindelijk niemand te zijn – een fantasie waarmee deze geplaagde man zich even onkwetsbaar kon wanen. De passage is ook typerend voor hem omdat ze het slot vormt van een verhaal dat opnieuw cirkelt om zijn dierbaarste personage: God. Op een of andere manier wil of kan Borges niet om Hem heen, Hij dringt zich altijd weer op.

Ik heb de proef op de som genomen en in twee bloemlezingen de gedichten geteld waarin het woord God of Heer voorkomt: in een kwart van de gevallen. Dat is veel voor een cultureel icoon van de twintigste eeuw, voor iemand die na zijn zestigste werd gekoesterd als een levende mythe, een blinde Tiresias die met zijn mateloze eruditie mateloze bewondering wekte. Harry Mulisch zat naast hem en vroeg om een handtekening, Umberto Eco portretteerde hem als kwade genius in ’De naam van de roos’, postmodernisten droegen hem op handen als uitvinder van ficties waarin alles draait om de ficties uit andere, bestaande of onbestaande boeken.

En, minstens zo opmerkelijk: nergens in zijn gedichten, nergens in zijn verhalen en essays brengt Borges God ter sprake met spottende bedoelingen. Overigens ook niet met belerende of moraliserende, want Borges behoort tot het slag mystici en metafysici dat niet prat gaat op waarheden maar schippert met mogelijkheden. Wellicht zijn we niet meer dan schimmen in dromen van iemand die op zijn beurt weer de schim is in de droom van weer iemand anders. Dus wie zal hier wie wat wijsmaken?

Literatuurkenners voeren Borges graag op als bibliomaan superintellect, een soevereine koning van de verbeelding – en dat was hij ook. Maar ze hebben amper enig besef van het leven dat hij leidde en de kwellingen waaraan hij bloot stond. Zijn levensverhaal wordt getekend door onzekerheden, mislukkingen in de liefde, een dominante moeder tegen wie hij niet in opstand dorst te komen (hij woonde tot haar dood bij haar, ze werd maar liefst 99 jaar oud), slapeloosheid, zorgen om zijn gezichtsvermogen, en toen hij dat definitief kwijt was, het juk van de afhankelijkheid.

Borges schreef voor zijn plezier, zeker, maar ook om te overleven, om zijn gektes te bedwingen. Hoe beheerst zijn teksten ook mogen ogen, tussen de regels dansen de demonen. Zijn verhalen en gedichten bevatten volop biografische stof en noodzaak. Overigens kan hij vooral in zijn poëzie verrassend direct zijn, verrassend persoonlijk; ik ken mensen die juist zijn gedichten koesteren als een grote spirituele schat. Begrijpelijk, want ondanks de ogenschijnlijke tijdloosheid van zijn literatuur behoort Borges tot de religieuze vernieuwers van de twintigste eeuw – met alle oorspronkelijkheid van dien.

Voor de goede orde: Borges was geen christen en beschouwde zichzelf ook niet als zodanig. Christus’ kruisdood en opstanding hadden geen enkele betekenis voor hem, de kerk als instituut liet hem onverschillig, hij kon en wilde het bestaan van God beamen noch belijden, vond sowieso het idee van een God die zich hoogstpersoonlijk bekommert om een laatevolutionaire species op een willekeurige planeet in een willekeurig zonnestelsel tamelijk belachelijk. Bij dit alles achtte hij de Koran en andere heilige boeken even waardevol als de Bijbel en konden niet-christelijke auteurs hem evenzeer boeien als christelijke.

Borges was wél een cultuurchristen, eentje die in de regel weinig sympathie kon opbrengen voor gezworen materialisten, laat staan voor overtuigde atheïsten – die vond hij vervelend en oninteressant. Borges was ronduit gefascineerd door de metafysische traditie van het christendom, waarin tot een paar eeuwen terug theologie en filosofie gebroederlijk optrokken. Die traditie wilde hij in een eeuw van ontkerstening en onttovering niet alleen aan de theologen overlaten. Borges speculeerde graag over tijd, ruimte, eeuwigheid, onsterfelijkheid – niet alleen uit persoonlijke interesse, maar ook omdat hij meende dat in de bestaande denkbeelden daarover wijsheid en rijkdom besloten lag.

Zo ook in het denken over Dios, Señor, woorden die als magneten aan hem bleven trekken, ondanks een nauwelijks godsdienstige opvoeding. Ter verklaring van de frisheid en ongrijpbaarheid van zijn theologische fantasma’s waag ik deze hypothese: Borges beschouwde het woord God als een koan, in het zenboeddhisme een absurde stelling of bizarre vraag bedoeld om de monnik te helpen uit zijn denkpatronen te breken. Voor Borges bestond er geen begrip waarmee de vraag naar het raadsel van het bestaan scherper kon worden gesteld dan met juist dit woord, en wel omdat het in zichzelf zinledig is.

God betekent niets, verwijst naar niets, belooft niets, veroorzaakt niets, beweegt niets, schept niets, en juist daarom bergt het zo’n ongehoorde creatieve kracht in zich. Het maakt intellectuele energie los, het zet de verbeelding aan het werk, het tilt de mens genadiglijk uit boven de meedogenloze wetten van uur en feit. Borges, deze sceptische platonist, zal nooit beweren dat God bestaat – wie dat beweert, doodt het mysterie. Wat meteen betekent dat áls hij zich tot het atheïsme bekent (wat hij af en toe deed), hij onmiddellijk een relativering aanbrengt – want hardop beweren dat God niet bestaat, betekent het mysterie ontkennen.

Borges behoort tot een substantiële groep creatieve geesten uit de twintigste eeuw met een religieus hart die een dubbel probleem hebben met de twee vormende godsdiensten van de westerse cultuur, het jodendom en het christendom. Het eerste ligt op het niveau van uitspraken over de werkelijkheid, over God, schepping, redding, verzoening, opstanding, et cetera; in de symboliek kunnen ze soms mee, in het geloof niet. Het tweede probleem ligt op het niveau van de bewustzijnservaring – als twintiger al schampert Borges over „het bijgeloof van het ik”. Kunstenaars als hij hebben de stellige indruk dat zij niet over een solide zelf beschikken, dat datgene wat zich in hen aandient als hun ’ware zelf’ in feite een schijnzelf is. En hoe kun je dan eventuele religieuze gevoelens en verlangens, hoe echt en gemeend ook, presenteren met de zekerheid van een overtuiging?

Bij Borges monden deze twee problemen uit in een ironie die ik dikwijls troostend vind – omdat ze zo wijs is. Een mooi voorbeeld is te vinden in een gesprek met twee Nederlandse interviewers, die hem vragen naar zijn gedachten over de dood. „Ik voel me erg veilig bij het idee van de dood. Ik weet dat na mijn dood niets zal komen. Soms ben ik bang om onsterfelijk te zijn. De dood is tenslotte een kwestie van statistieken, die zeggen: iedereen sterft. Maar iedereen kan de eerste onsterfelijke zijn. Dat is een idee dat mij probeert angst aan te jagen. Ik hoop erop dat ik volkomen zal vergaan. Ik zou, als er een volgend leven was, ook geen herinneringen aan dit leven willen hebben, ik zou iemand anders willen zijn.”

Een verbluffende gedachte: jij de eerste die onsterfelijk blijkt te zijn. En niet eens zo’n vreemde gedachte, welbeschouwd een volkomen logische. Ons bewustzijn kan zichzelf niet niet denken. Het kan ons een beeld voorschotelen van ons lichaam, tien dagen na onze begrafenis, twee meter onder de grond, in staat van voortschrijdende ontbinding. Doe even je best en je ziet het. Maar datgene in ons dat ’ik’ zegt, kan uit zichzelf nooit ophouden met ’ik’ zeggen. De Franse kunstenaar Marcel Duchamp liet daarom deze woorden op zijn grafsteen graveren: D’ailleurs c’est toujours les autres qui meurent. Trouwens, het zijn altijd de anderen die sterven

Iedereen kan de eerste onsterfelijke zijn: een terloops zinnetje dat aantoont hoezeer Borges dacht in koans, hoezeer hij zijn paradoxen en zijn brille daarin kwijt kon. Hij rekende niet met zekerheden, hij rekende met mogelijkheden – en dat niet alleen bij wijze van intellectueel vermaak. In de laatste dagen voor zijn dood (hij had de teksten voor zíjn grafsteen al uitgezocht) werd hij opnieuw geplaagd door het spookbeeld van onsterfelijkheid en liet hij, klaarblijkelijk ten einde raad, twee geestelijken bij zich roepen, een katholieke en een protestantse.

Of die gesprekken hebben geholpen is niet bekend. Ze hebben naar verluidt niet tot een late bekering geleid. Zoiets paste ook niet bij een man die religieuze volwassenheid als een groot goed beschouwde en, desnoods met een beetje hulp van de Heer, met rechte rug het graf in wilde.

In 1943 schreef Borges ’De Aleph’, zijn beroemdste verhaal. Het gaat over een man, Borges genaamd, die in het huis van een bevriende schrijver iets uitermate wonderlijks te zien krijgt. Borges daalt de trappen van een kelder af, gaat in het pikkedonker op de koude plavuizen liggen en ziet dan boven hem, ter hoogte van de negentiende trede van de trap, de Aleph, een kleine bol van ten hoogste drie centimeter doorsnee. Ondanks de geringe omvang is de hele kosmos erin vervat: de bol verschaft hem de sensatie dat hij het wezen van tijd en ruimte geopenbaard krijgt. Borges ziet alles wat er te zien is, gelijktijdig, klein en groot, voorbije gebeurtenissen en toekomstige, dode mensen en levende, huizen, havens, museumstukken, oneindig veel boeken, alle gedrukte pagina’s en daarop elke afzonderlijke letter, een oneffenheid in een trottoir waar ooit een boom heeft gestaan, een zonsondergang in Querétaro met de kleuren van een roos uit Bengalen, het gezicht van zijn geliefde en zijn eigen ingewanden – en dit alles, nogmaals, gelijktijdig, in één ondeelbaar ogenblik.

Het visioen grijpt het personage Borges hevig aan. „Ik werd duizelig en ik moest huilen, omdat mijn ogen dat geheime, vermoede voorwerp hadden gezien, waarvan de mensen zich de naam toe-eigenen, maar dat door geen mens is aanschouwt: het onbevattelijke heelal. Ik voelde oneindige verering, oneindige deernis.”

Als ik probeer te begrijpen waarom juist dit verhaal de schrijver zo veel faam heeft bezorgd, dan neig ik naar een eenvoudige verklaring. Ik denk dat het appelleert aan een verlangen dat heel wat lezers in zich ronddragen en dat door Borges loepzuiver wordt verwoord: de mogelijkheid om jezelf te overstijgen en het vele van de wereld in één keer te overzien.

Die spontane herkenning kan ook verklaren waarom dit verhaal door bijna iedereen zo slecht gelezen wordt, ook door beroepslezers. Dan heb ik het niet over het godsbeeld waarop Borges zinspeelt in de aanloop naar het visioen. Dat is afkomstig van de elfde-eeuwse theoloog Alanus de Insulis, op wie Borges uitvoeriger ingaat in zijn essays over Pascal.

Alanus heeft het over een bol zonder omtrek en zonder middelpunt, waarmee hij een ruimte introduceert zo weids en oneindig dat élk punt als middelpunt kan worden beschouwd. Een verbluffend beeld, met een pantheïstische portee waarvoor Borges in de regel erg gevoelig was. En een verbluffende koan, want vervang ’ruimte’ door ’heelal’ en tel je vingers goed na: als elk punt van het heelal het exacte midden ervan vormt, als daarmee alle ruimtecoördinaten inwisselbaar worden, als boven opeens hetzelfde blijkt als onder, als links opeens hetzelfde blijkt als rechts, wie en waar ben jij dan? Ben jij zelf wellicht de drager van het heelal – maar dan, helaas, zonder één mentale poot om op te staan?

Borges’ hint naar dit godsbeeld vormt niet de literaire pointe van het verhaal, zelfs niet de mystieke. De pointe is dat Borges op verschillende manieren twijfel zaait over de kwaliteit van het alleszins spectaculaire wonderbolletje. Borges krijgt de Aleph te zien in het huis van een collega schrijver, een ijdeltuit van de bovenste plank, wiens snoevende uitweidingen bepaald een louche glans werpen over het relaas van de heer Borges, hier zowel personage als schrijver. Vergeet bovendien ook niet dat de Aleph zijn geheimen prijsgeeft in een donkere kelder, in elk oud huis het muffe domein van spinnen en motten.

Niet verwonderlijk dus dat de heer Borges in zijn nawoord oppert dat hij mogelijk niet de echte Aleph heeft gezien maar een valse, of in elke geval een tweederangs. De echte Aleph moet zich elders bevinden, redeneert hij, en somt vervolgens een aantal mogelijkheden op, eindigend bij een moskee in Caïro.

Waarom negeren beroepslezers deze waarschuwingssignalen, hoewel ze die natuurlijk wel registreren? Omdat ze geen referentiekader hebben voor zijn ironie, zijn mystiek-religieuze ironie? Omdat ze het pijnlijk vinden dat Borges hun iets ontfutselt wat ook hen meteen al bij eerste lezing dierbaar was? Want dat doet hij natuurlijk. Hij geeft je iets kostbaars en neemt het tegelijk weer af. Waarom?

Maak niet de fout om ooit te denken dat u een Aleph zult bezitten, fluistert hij, als altijd beschroomd bij de vraag om uitleg (vooral inzake het religieuze). Het zijn altijd de anderen die een Aleph bezitten, niet u. Zodra de Aleph materie en naam krijgt, zodra u hem in doosje kunt opbergen om hem uzelf of uw vrienden te tonen, is het dan, denkt u, de Aleph nog?

Net als in enkele andere verhalen waarschuwt Borges dus tegen spiritueel materialisme, de welbekende neiging van de mens zich vast te klampen aan nieuwe inzichten of ontdekkingen. Borges doet dat niet door vermanend de vinger op te steken, maar door onzekerheid te zaaien over de waarnemingen van zijn hoofdpersoon. Door literaire ironie dus.

In het eerder genoemde interview vertelt Borges dat hij twee maal in zijn leven een indringende religieuze ervaring heeft gehad, de eerste op zijn dertigste, de tweede op zijn zestigste. Het waren een soort illuminaties, zegt hij, momenten waarop hij alles dacht te begrijpen – en die hem achteraf onzeker maakten, omdat je bij nader inzien nooit goed weet wát je precies hebt meegemaakt. Daarom wil hij er liever niets over kwijt, behalve dan dat hij ze heeft omgezet in verhalen en parabels. Hij noemt geen titels; maar ’De Aleph’ zou heel goed een van die verhalen kunnen zijn.

Maar dat hoeft niet. Een schrijver hoeft niet per se uit zijn herinnering te putten, hij kan ook zijn verlangen laten spreken, zijn heimwee volgen – heimwee naar iets wat hij niet kent. Zou dat wat uitmaken? Vooral: zou dat ’De Aleph’ als verhaal minder authentiek maken?

Wat mij betreft niet. Een ingebeelde, vervolgens verbeelde ervaring hoeft niet per se onder te doen voor een reële, ik kan me zelfs voorstellen dat ze dieper gaat – omdat schrijven overleg vereist, aftasten, ogen sluiten, indalen, meegaan in de dan weer trage, dan weer flukse branding van werkelijke concentratie. Aan alles is te merken dat Borges lang heeft gewerkt aan de visioenpassage, dat die juist dáárom zo sterk werkt en nawerkt. In dat licht bezien is het volstrekt irrelevant wat Borges heeft meegemaakt; wat telt is de inzet en de overgave waarmee hij de betreffende alinea’s heeft gecomponeerd.

Voor Borges zelf maakte dat wel uit. Voor hem telde wel wat hij innerlijk ervoer en dat maakte hem hoogst onzeker. Borges zag zichzelf als niet meer dan een tweederangs mysticus, een literaire parasiet binnen een indrukwekkende metafysische en theologische traditie; hij kon zichzelf erg laatdunkend beoordelen. Maar met dat oordeel laat hij zich al te zeer leiden door een christelijke en theologische zienswijze, gedomineerd door een blinde fascinatie voor de spectaculaire mystiek uit de Middeleeuwen.

De betekenis van Borges ligt volgens mij mede in het feit dat hij heeft laten zien dat mystiek zich ook op een andere manier laat definiëren. Ook christelijke intellectuelen zijn die erkenning aan Borges verplicht; varend op het kompas van zijn verbeelding bereikt hij een frisheid in het denken over God die zij als gelovigen zelden aandurven. Daarbij heeft hij een fantastische ontdekking gedaan: dat je het woord God kunt opvatten en behandelen als een koan: een absurditeit bedoeld om ons denken en voelen mee te scherpen. Een zinledig begrip dat zich desondanks heel goed leent om gevoelens van verwondering, eerbied, ontzag tot uitdrukking te brengen.

Wie de geschiedenis van het jodendom en christendom overziet en tot zich laat doordringen hoe ontstellend veel beelden het woord God in de loop der eeuwen heeft losgemaakt, begrijpt dat Borges’ ontdekking eigenlijk helemaal niet zo opzienbarend is. Voor iemand met een historisch-literaire blik als hij is dat woord zelf een aleph, een wondersteen: tijden, continenten, culturen vloeien erin samen. Een woord even onbevattelijk als het heelal, even onbevattelijk als het brein dat ons zo listig voorspiegelt dat we wakker zijn wanneer we niet slapen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden