In een moderne samenleving is niets zo noodzakelijk als conservatisme

De reacties op het Conservatief Manifest - waarvan op 18 oktober in Letter & Geest een uitgebreide samenvatting verscheen - blinken volgens Bart Jan Spruyt uit door inhoudelijke armoede en afgezaagde tactieken om vooral te vermijden waartoe het pamflet opriep: een discussie over urgente problemen. Regeert op links inderdaad het dogma, de leegte en het onvermogen? Hoog tijd voor een conservatieve repliek: 'Laten ze Jacques de Kadt en de Oude Drees gaan lezen, en dan nog eens terugkomen voor een zakelijke en serieuze discussie.'

Wij leven in een moderne, democratische samenleving. We weten het en zijn er trots op. Wanneer we een enquête zouden houden naar het oordeel van Nederlandse burgers over de kwaliteit van hun leven, dan zou daar wel eens een grote tevredenheid uit kunnen blijken. Niet dat er niet veel te zeuren zou overblijven, maar we hebben het niet slecht. Zeker niet in vergelijking met het verleden, toen allerhande ongemak en behoefte het leven nog ontsierde, en opdringerige pastoors en gereformeerde ouderlingen het versomberden. Onze wereld is, ondanks alles, de best denkbare.

Voor dit oordeel dat ons leven hier en nu het resultaat van onbekommerde vooruitgang is, valt op het eerste gezicht iets te zeggen. De moderniteit heeft op tal van terreinen grote voordelen gebracht. En een democratische samenleving is in onze ogen natuurlijk en vanzelfsprekend, rechtvaardig zelfs.

Die grote tevredenheid zou ons echter ook kritisch en waakzaam moeten doen zijn. Als dit moderne leven ons inderdaad zo dierbaar is, zouden we ook alert moeten zijn op mogelijke secrets

douloureux, 'naargeestige geheimen', zoals Pierre Manent, leerling van Raymond Aron en Leo Strauss, het eens uitdrukte. Bevat ons moderne leven geen ambivalenties, donkere schaduwzijden, mogelijk zelfs pathologieën? Wij hechten bijvoorbeeld aan vrijheid en gelijkheid, maar zijn die twee principes in alle opzichten verenigbaar?

Misschien hebben die ambivalenties iets te maken met het grote onbehagen, dat minstens zo nadrukkelijk aanwezig is als de tevredenheid, en dat een uitlaatklep vond in de revolutie van Pim Fortuyn. Des te treuriger is het dan om te moeten constateren dat de meeste politici denken dat na het 'bedrijfsongeval Fortuyn' het onbehagen is verdwenen. Maar wat als dat latente gevoel van onvrede gewoon blijft doorsmeulen?

Conservatieven zijn van mening dat die naargeestige geheimen waar Manent het over had, inderdaad eigen zijn aan deze tijd, en zij voelen zich daarom niet in alle opzichten op hun gemak in de moderne samenleving. Paul Cliteur heeft deze houding getypeerd als 'sensitiviteit voor decadentie'. Die decadentie openbaart zich bijvoorbeeld in een verkeerd begrepen tolerantie die tot een ondermijnende vorm van cultuurrelativisme heeft geleid (en tot een taboe op kritiek op de islam) of in een narcistische preoccupatie met rechten, die een oneindige uitbreiding van de rechten en een veronachtzaming van de plichten met zich mee heeft gebracht. Maar waar en hoe deze decadentie zich ook voordoet, in essentie bestaat zij in een in vergetelheid raken van de basisbeginselen van onze beschaving.

De verwaarlozing van deze principes brengt ook met zich mee dat in een moderne samenleving als de Nederlandse voortdurend drie gevaren bestaan. Het principe van de sociale gelijkheid leidt tot zelfzucht en een verkeerd begrepen of ontspoord individualisme, en baant de weg naar het milde bureaucratische despotisme van de verzorgingsstaat. In een egalitaire samenleving is de middelmaat de norm, met het risico van voortdurende debilisering. Conformisme tiert er welig, en die verlammende eenvormigheid ontaardt gemakkelijk in een nieuwe tirannie: die van de toevallige meerderheid. Al deze bedreigingen van een gezonde samenleving - meer dan anderhalve eeuw geleden al gesignaleerd door Alexis de Tocqueville - behoeven bestrijding door:

- Democratie, opgevat als actief burgerschap in plaats van als passief belasting betalen (zodat burgers zich vanuit welbegrepen eigenbelang weer voor de publieke zaak gaan interesseren);

- Religie of 'waarden en normen' om de verpestende invloed van het individualisme en de verleiding van het utopisch denken tegen te gaan;

- En decentralisatie, zodat er weer intermediaire machten ontstaan die als buffer tussen overheid en individu kunnen fungeren. (Voor de goede orde: het zogeheten maatschappelijk middenveld zoals zich dat in Nederland heeft ontwikkeld, is sterk verstatelijkt en is daarmee niet de belichaming maar de dood van de civil society.)

In een moderne samenleving is niets zo noodzakelijk als deze conservatieve ideeën.

Het gevoel van onbehagen kan omslaan in een gevoel van verontwaardiging en urgentie. Dat is precies wat er binnen de conservatieve beweging in Nederland is gebeurd. Dat gevoel is vooral ingegeven door een toenemend besef dat de huidige elite van politiek en media een verstikkend klimaat instandhoudt, waarin men niet alert is op die 'naargeestige geheimen' en ook niet de noodzakelijke aandacht schenkt aan acute problemen als de 'multiculturele samenleving', het veiligheidsprobleem en het fiasco van het onderwijs.

De Edmund Burke Stichting heeft de afgelopen jaren veel energie gestoken in het debat over het conservatisme als politieke filosofie. Wat is dat conservatisme nu eigenlijk, in welke varianten openbaart het zich en waarom is het zo belangrijk? Dat waren de vragen die wij in talloze debatten, artikelen en interviews hebben geprobeerd te beantwoorden. Daarover ging ook mijn boek Lof van het conservatisme. Het is een agenda voor de lange termijn. Het overwinnen van misverstanden, vooroordelen en negatieve associaties vergt een lange adem. Daar was ook een belangrijk onderdeel van ons programma - het organiseren van bijeenkomsten voor studenten - op gericht. Maar die studenten (die, stellen wij dankbaar vast, tegenwoordig heel wat rechtser zijn dan hun ouders) zullen pas over vijf tot tien jaar in een positie verkeren waarin hun sympathie tot enige invloed op het debat zal leiden.

En ondertussen gaat alles gewoon door. Een van de grootste problemen van onze politieke cultuur is de kwestie van de representatie: de vraag of het parlement het volk wel echt vertegenwoordigt. Binnen het huidige systeem zijn kamerverkiezingen in feite premierverkiezingen. Op de slippen van de lijstaanvoerders komen tientallen kandidaat-politici de Tweede Kamer binnen van wie niet in alle oprechtheid kan worden gezegd dat zij door de bevolking zijn gekozen. Tot het geven van rekenschap aan hun kiezers voelen deze 'volksvertegenwoordigers' zich niet gehouden. Door het huidige kiesstelsel creëren we dus een macht die zich van de samenleving heeft losgezongen.

Conservatieven hebben daar een hekel aan. Geen enkele instelling mag zich onttrekken aan de macht van de samenleving over zichzelf. Conservatieven zijn constitutionalisten, en huldigen dus een staatsopvatting die ervan uitgaat, in de woorden van E.H. Kossmann, ,,dat de bestaande, zorgvuldig ingerichte en bewerktuigde gemeenschap, met haar standen, haar privileges, haar representatieve lichamen, haar gerechtshoven en andere instellingen, zelf in haar geheel de staat vormt en de staatsmacht uitoefent. Volgens zo'n visie is het onduldbaar dat zich uit de gemeenschap een autonome, specifiek politieke staatsmacht losmaakt''.

Onze opponenten zijn de zogeheten voluntaristen, die, alweer in de woorden van Kossmann, een staatsmacht voorstaan ,,die zich als het ware uit de samenleving losmaakt, zich daarboven verheft, zich isoleert en gaat handelen als een eigenstandig element, namelijk een bij uitstek politiek element waaraan de gemeenschap zich moet onderwerpen''.

Zo is er een cultuur van progressief moralisme ontstaan dat, met nauw verholen afkeer van het 'klootjesvolk', altijd weer beter weet dan wij zelf wat goed voor ons is. De media vormen geen adequate tegenmacht. Hun oude afhankelijkheid uit de tijd van de verzuilde samenleving hebben zij, onder het mom van kritische onafhankelijkheid, ingeruild voor een nieuwe, minstens zo verstikkende afhankelijkheid: die van de macht zelf. De machthebbers van het politieke systeem moeten zij immers te vriend houden.

Dit is allemaal al erg genoeg. Maar het wordt nog erger wanneer we bedenken dat deze niet-representatieve macht voortdurend besluiten neemt. En in een democratie heeft men de neiging om een besluit dat met meerderheid van stemmen is genomen, als moreel goed te aanvaarden. Dit is een van de negatiefste aspecten van de links-liberale voogdij over de samenleving.

Wie zich dit realiseert, zal niet langer genoegen nemen met een programma dat alleen effecten op de lange termijn sorteert. Hij zal aan het traditionele conservatisme - dat gericht is op cultuurkritiek en niet zozeer in politieke oplossingen gelooft - het politieke neoconservatisme toevoegen, niet omdat deze politisering de panacee van alle problemen biedt, maar omdat de toepassing van conservatieve ideeën op actuele kwesties een oplossing dichterbij brengt. En vanuit het besef dat die ideeën in de huidige constellatie niet anders dan dwars en hoekig kunnen zijn, omdat een al te voorzichtig hervormingsgezind conservatisme in een post-revolutionaire tijd (na '1968' dus) niet veel meer is dan voortmodderen in dezelfde verkeerde richting. Het publieke debat is decennia lang geschaakt door links. In dit klimaat van progressief-liberale voogdij is het de hoogste tijd voor een krachtig tegengeluid.

De voorstellen die wij in het Conservatief Manifest hebben gepresenteerd, vloeien niet alleen voort uit de tocquevilliaanse analyse van de moderne, democratische samenleving, maar ook uit dat gevoel van urgentie over enkele specifiek Nederlandse problemen.

Wij hebben onze zorgen verwoord over de afwezigheid van twee basisvoorwaarden voor een goed functionerende constitutionele democratie: de verantwoordelijkheid voor de macht die politici uitoefenen en de soevereiniteit van het politieke stelsel als geheel ten opzichte van andere landen.

Vervolg op pagina 36

Misschien heeft links wel ideeën en is het er vooral in geslaagd die zorgvuldig geheim te houden

Vervolg van pagina 35

Wij hebben geprotesteerd tegen dat milde despotisme van de verzorgingsstaat en gepleit voor een herstel van de civil society.

Wij hebben een hooghartige elite aangeklaagd die zorgen over de hoge criminaliteit ziet als het gevolg van het lezen van de verkeerde krant.

Wij hebben de constitutionele liberale democratie verdedigd als een politieke orde die wij in een proces van eeuwen hebben gerealiseerd. De bedreiging van die orde bestaat in de eerste plaats uit onwetendheid bij autochtonen over het ontstaan en wezen van deze orde. Maar die orde wordt ook bedreigd, zoals Pim Fortuyn terecht opmerkte, door het gedrag van bepaalde, relatief nieuwe groepen die wel van onze rechten en vrijheden gebruik willen maken, maar er tegelijkertijd waarden en normen op nahouden die die rechten en vrijheden onder druk zetten. Dat gedrag, zo constateren conservatieven met spijt, staat haaks op de morele voorwaarden van toegang tot het maatschappelijk contract dat wij in 1848 en 1917 overeen zijn gekomen. Juist omdat een begrensde pluriformiteit ons na aan het hart ligt, vinden wij dat tolerantie van intolerante monomaniakalen niet op haar plaats is.

Ten slotte hebben wij onze verontrusting uitgesproken over de voortdurende daling van het onderwijsniveau, inclusief de uitholling van het curriculum. De aanvaarding van de Mammoetwet in 1962 heeft geleid tot 'concessies aan de intellectuele eisen' en de culturele gevolgen van deze 'nivellering van het algemene niveau' is groot geweest, zo lezen we in een onthecht wetenschappelijk werk getiteld 1950: Welvaart in zwart-wit (auteur: Volkskrant-columnist Kees Schuyt).

De publicatie van ons manifest heeft veel reacties opgeroepen. Ook interne reacties, waarbij meer traditionele conservatieven hun kritische kanttekeningen plaatsten bij de accentverschuiving naar een meer gepolitiseerde vorm van conservatisme, en de neoconservatieven de urgentie van deze stap benadrukten. Daarmee herhaalt zich in Nederland een discussie die binnen de conservatieve gemeenschap in de VS al sinds de jaren tachtig (met het aantreden van Ronald Reagan) wordt gevoerd.

Maar het manifest was natuurlijk niet primair voor intern gebruik bedoeld. Duizenden mensen hebben de tekst van onze website burkestichting.nl gedownload, en dat waren hoogst waarschijnlijk niet alleen conservatieven. De inhoud heeft ook de tegenspraak opgeroepen van auteurs die in kranten en weekbladen lucht hebben kunnen geven aan hun kritiek en ergernis.

Hun reacties hebben bij ons vooral tot verbazing geleid. Het viel ons op dat niemand inging op de gesignaleerde problemen zelf. Men ver-loor zich in exercities omtrent de aard van het conservatisme dat zich aandiende en in pogingen dat conservatisme een plaats te geven, het liefst zo abstract mogelijk, blijkbaar om weg te blijven van de maatschappelijke problemen, waarvan overigens niemand het bestaan expliciet ontkende. Alleen Dick Pels (L & G, 25-10) formuleerde een alternatief: meer vrouwelijkheid en onzekerheid. Maar hebben we daar nu juist niet wat te veel van gehad?

Het was een vreemde ervaring: je houdt een pleidooi voor de verworvenheden van de democratische rechtsstaat, en je moet in een artikel van CDA-senator Henk Woldring (L & G, 8-11) lezen dat het conservatisme 'dreigend op ons afkomt', omdat ons manifest een 'ideologie' bevat die 'onze beschaving en rechtsstaat bedreigt'. Je waarschuwt voor de gevaren die deze beschaving en rechtsstaat bedreigen, en je stuit op een chagrijnige schoolmeester die jou van geschiedvervalsing beschuldigt en je om redenen die onduidelijk blijven een 'haatbrenger' noemt die 'groepen in Nederland op een onbehoorlijke manier tegen elkaar opzet' (Schuyt, Volkskrant, 22-10). Zonder in een slecht geïnformeerd marktfetisjisme te vervallen, voer je een pleidooi voor eervolle zelfredzaamheid, en je betoog wordt in het Nederlands Dagblad door politiek-filosoof Govert Buijs en ethicus J. Douma gehekeld als een asociale 'megafoon van een onversneden markt-liberalisme'.

Vanwaar nu de inhoudelijke armoede van deze reacties? Als ik het goed zie, spelen minstens drie factoren een rol. In de eerste plaats is er overduidelijk sprake van een soort generatieconflict. De boosheid van J.A.A. van Doorn, opgewekt door enkele uitspraken van Afshin Ellian in een interview met HP/De Tijd, kan als volgt worden samengevat: 'Een jonge intellectueel verstout zich tot kritiek op de verzorgingsstaat zonder mijn publicaties uit de jaren zeventig te citeren!' Eenzelfde nukkige verongelijktheid typeert Kees Schuyt, die zich beklaagt over de 'opdringerigheid' van het conservatisme.

In de tweede plaats spreekt uit de kritiek een zekere schrik. Zolang conservatieven zichzelf in een kelder opsloten, daar met elkaar Burke en Tocqueville zaten te lezen, en zo af en toe met een (populair-)wetenschappelijke publicatie naar buiten kwamen, was er niet veel aan de hand. Dat was nog ongevaarlijk. De verschillen leken zich te beperken tot nuances (en dat is het grootste verschil van mening dat een democratie wil accepteren, aldus alweer Tocqueville), en over die nuances kon een interessant intellectueel debat worden gevoerd. Maar nu zijn die dekselse jongens van de Burke Stichting met een pamflet de straat op gegaan. Heel eng, die concretisering van dat conservatisme, want zij blijkt haaks te staan op de links-liberale consensus en het politieke systeem als zodanig failliet te verklaren.

En in de derde plaats grijpt er enige vertwijfeling om zich heen over de nieuwe vorm van conservatisme die de Burke Stichting uitdraagt. Die vorm is wat minder gestileerd, rechts door het midden, lijnrecht op het doel af. Waarom dit zo is, moge uit het voorgaande afdoende duidelijk zijn geworden. Maar ik hecht eraan hier de naam van Hans Achterhuis te noemen, die ik om zijn staat van dienst zeer respecteer en wiens artikel (L & G, 25-10) bij mij de meeste gedachten heeft losgemaakt. Bijna mocht ik hem als spijtoptant en bondgenoot begroeten, want eerder dit jaar schreef hij in een recensie van mijn Lof van het conservatisme dat dit boek hem 'bijna' had 'bekeerd'. Ik vrees dat het manifest die bekering met minstens een jaar heeft vertraagd, maar dat betekent alleen maar dat ik er des te meer naar uitzie.

Het is niet alleen de armoedige inhoud van de meeste reacties die ons heeft verbaasd, maar ook de afgezaagde en vermoeiende, want zo voorspelbare, tactieken die zijn gevolgd om het pamflet op een bepaalde manier weg te zetten. Je kunt een boodschap die je niet bevalt ook aanvallen door de schijn van een inhoudelijke bestrijding te vermijden en haar alleen maar verdacht te maken. Een pleidooi voor de verworvenheden van de westerse beschaving, zoals die onder andere in Nederland zijn gerealiseerd, doe je dan af als huiveringwekkend 'Neerlandocentrisme' en je plaatst dit enge 'nationalisme' van de Burke Stichting vervolgens zo dicht mogelijk in de buurt van de LPF en Nieuw rechts. Dat was de methode van Dick Pels. Je kunt je er ook van afmaken door de indruk te vestigen dat de auteurs onwetenden zo niet randdebielen zijn, wier betoog dus geen serieuze aandacht verdient. In dat geval doe je er het beste aan Thomas von der Dunk (NRC Handelsblad, 30-10) schaamteloos te prostitueren. Die krijgt het woord 'gotspe' zo lekker makkelijk uit zijn pen, en slaagt er als geen ander in van een gedachte eerst een karikatuur te maken en die vervolgens retorisch te bestrijden met een waslijst van vermeende fouten en onjuistheden.

Het moderne conservatisme van de Edmund Burke Stichting is idealistisch zonder illusies - anders dan de zogenaamd progressieve gemeente die heel reactionair niet meer weet te doen dan een constellatie uit het verleden als eeuwige norm te hanteren. Het gaat ons om een vrije en pluriforme samenleving die door een grondwettelijke orde wordt begrensd - maar die orde moet dan wel gekend en verdedigd worden. Het gaat ons om de kennis van de geschiedenis, cultuur en taal waarin die orde is gegroeid en uitgedrukt. Het gaat ons om het herstel van de eer van de zelfredzaamheid, en om het goed van een vrije markt die cultureel en moreel stevig is ingebed. Het gaat ons om een overheid die haar grenzen kent en in acht neemt, en haar kerntaken - zoals het waarborgen van een veilige publieke ruimte - kordaat uitvoert. Links status-quo-denken, relativisme, etatisme en voluntarisme zijn met deze kernnoties, die onmisbaar zijn voor de aanpak van urgente problemen, onverenigbaar. Bovendien levert het huidige etatisme - het pijnlijkst zichtbaar in de vervlechting tussen de media en politiek Den Haag - geen bijdrage aan het dichterbij brengen van deze aanpak.

Misschien was de verwachting wat naïef dat onze eerste proeve van een concretisering van het conservatieve gedachtegoed gepareerd zou worden door een alternatief, een ander ideaal, een ander beeld van de goede samenleving, en met het begin van een notie over de middelen die die samenleving iets dichterbij kunnen brengen. Het is niet gebeurd. De 'kritiek' was hol of insinuerend. Dat is niet alleen onze opvatting: ook niet-conservatieven als Jos de Beus en Dick Pels hebben de leegte en het onvermogen op links geconstateerd. En Hans Goslinga stelde twee weken geleden in deze krant dat na het mislukte experiment uit de jaren zeventig met betrekking tot de verdeling van inkomen, macht, kennis en bezit, het denken over de taak van de overheid in progressieve kringen stil is komen te staan.

We hadden graag bewijzen van het tegendeel gezien. Misschien heeft links wel ideeën en is het er vooral in geslaagd die zorgvuldig geheim te houden. Misschien zijn die er ook niet. Laten ze dan Jacques de Kadt en de Oude Drees eens gaan lezen, en dan nog eens terugkomen voor een zakelijke en serieuze discussie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden