In den hoge In den ho-hoge

Peter Paul Rubens: De tenhemelopneming van Maria (detail), Museum voor Schone Kunsten, Brussel. (Trouw) Beeld
Peter Paul Rubens: De tenhemelopneming van Maria (detail), Museum voor Schone Kunsten, Brussel. (Trouw)

In deze donkere dagen voor Kerst repeteert Lodewijk Dros alvast voor die andere grote gebeurtenis in het kerkelijk jaar, een uitvoering van de Matthüuspassion in de hertaling van Jan Rot. „Wat ik bij Rot vind is onttovering. Wat ik mis is de beloofde ironie die religie draaglijk maakt.”

’Klassieke zang draait om de klinkers.” De dirigent gebaart ons tot stilte. De tekst ligt achter je, scherpt hij ons in. Op naar de volgende koraal, op naar Goede Vrijdag. „Maak het lyrisch.”

De route voert, met de hulp van een oefen-cd en veel luisteren naar sterkere, geoefender stemmen, via een danszaal waar we elke maandag repeteren, naar een kerkgebouw twee straten verderop. Daar doen we over een paar maanden de Matthüuspassion. Wanneer het slotakkoord verklonken is, op die vrijdagavond in 2009, zal het gebouw definitief geen kerk meer zijn. Een paar jaar geleden deden de laatste bejaarde vrouwen en een franciscaner pater er al het licht uit. Elke week gaan er twee kerken dicht in Nederland.

Dat laatste akkoord van die zwanezang is een dissonant. Daar zijn we met repeteren nog lang niet aan toe. Deel I is net goed en wel doorgeploegd. De organisatie van deze Matthüus – een kunstenaarscollectief – is erin geslaagd om een publiekstrekker te strikken. Freek de Jonge zal de rol van evangelist zingzeggen. Er moeten nog wel wat mannen geronseld, goeie stemmen liefst. Geloven en zingen zijn vrouwendingen, dat is zeker.

Naast me staat Reza, een dertiger die zich soepeler dan ik door de gehighlighte muziek heen zingt. Hij woonde de eerste helft van zijn leven ’in de andere wereld’ – de islamitische –, de tweede in het Westen. Dus hij kent het verhaal achter de Matthüus een beetje, zegt hij in Kader Abdolah-Nederlands. Voor zijn eerste repetitie had hij de hele Matthüus beluisterd. Duits, achttiende-eeuws, barok en drie uur lang. Hij had ervan genoten, zegt hij.

We zetten precies gelijk in. „Jezus, je medemens. Jezus, ze slaan hem lens.”

Ik zing alle letters. De botte tekst – Jan Rot noemt het een ’hertaling’ – werkt verpletterend. „Niet de medeklinkers!”, hoor ik de dirigent zeggen. Hij heeft gelijk: de tekst ligt niet achter me.

In zijn verantwoording op wat bij hem de Mattheuspassie heet, zegt Jan Rot dat hij de koralen ’niet langer belijdend, maar leidend’ heeft gemaakt. Ontvroomd en commentariërend, meer gericht op de hoorder dan op de Heiland. „De bijbellegende is opgeschoond.” Doel: „Geen onderscheid maken tussen gelovige en niet-gelovige luisteraars.”

Die aanpak is gestoeld op een dubbele misvatting. „Deze Mattheus mijdt de glimlach niet”, verantwoordt Rot zijn arbeid, die ironiserend moet zijn. „Even lucht, om daarna weer toe te kunnen slaan.”

Wat Rot dóét staat haaks op zijn intentie. Met de Jezus uit Bachs meesterwerk heeft Rot weinig op; die doet hem vooral denken aan ’islamitische zelfmoordenaars’, zei hij in een interview. Toch maakt hij van Picanders diepreligieuze tekst geen algemeen menselijk libretto, iets humanistisch zogezegd. Hij flirt wel met gnostieke ideeën, bijvoorbeeld over Judas die níet de slechterik van het evangelie is en lengt die aan met gedachten die zijn weggelekt uit ’De Da Vinci Code’, over Maria Magdalena en het vreselijke Rome dat ons een verminkte Bijbel heeft bezorgd. Dat is kortzichtige prietpraat, waarvan je, als je er geloof aan hecht, wellicht wat minder orthodox wordt, maar niet minder gelovig.

Maar Rots belangrijkste misvatting is dat er een onderscheid bestáát tussen gelovigen en niet-gelovigen.

Ook komende woensdag zullen vele eennachtvlinders zich weer voegen bij de bescheidener stroom van vaste kerkgangers. Voor even meedoen – dat is de ruggegraat van de twee grote religieuze gebeurtenissen van het jaar: de opvoering van de Matthüuspassion op Goede Vrijdag en de gang naar de nachtdienst dan wel nachtmis op Kerstavond.

Op liefst zo bekend mogelijke muziek je Kerst toe-eigenen, ik kan er geen genoeg van krijgen.

Het mooist is het meebulderen van het ’Ere zij God’ – de achttiende-eeuwse variant die in mijn jeugd courant was en nadien is afgeserveerd als een liturgisch misbaksel van Pruisische makelij. „In den hoge, in den hoge, in den ho-hoge.” Het zou een militaire mars zijn, wat welbeschouwd natuurlijk een gruwel is.

Voor mij is het juist een overtuigend bewijs dat precies dát lied, in het Nederlands gezongen en op díe melodie, in de eerste kerstnacht bij Betlehem geklonken heeft: de engelen zingen het en die vormen volgens de bijbelse gegevens een ’groot hemels leger’. Ik zing het met ze mee, de klinkers én de medeklinkers.

Is dit ironie?

Wis en zeker. Maar het is ook gemeend. Ik meen het. Daar zit de tover.

Dit dubbelspel heb ik geleerd van de enige grote Kerstschrijver van de twintigste eeuw: Gerard (Kornelis van het) Reve. Zijn beroemdste roman ’De avonden’, geschreven voordat hij zich tot het katholicisme wendde, speelt rond Kerst. Net als een van zijn laatste boeken, ’Bezorgde Ouders’.

Reve schrijft in de inleiding op zijn ’Verzamelde Gedichten’: „Van mijn vroegste jeugd af ben ik doordrongen geweest van een diep Godsbesef, en van het omringd zijn door een soms tot verrukking voerend, maar meestal als overweldigend en dreigend ervaren Mysterie”.

Zeer religieus dus. Overweldigend. Dreigend. Maar er valt ook genoeg te lachen.

Reve sprak over hetgeen waarover je niet kunt spreken – het is in de theologie geen onbekend fenomeen. Sterker nog: het probleem van het spreken over wat zich aan onze taal onttrekt, is zo oud als de weg naar Rome. Of hooguit een paar eeuwen jonger. Augustinus, de grote kerkvader uit Hippo, was er volgens een recente studie van overtuigd dat we vooral niet moesten denken dat we echt wat wisten over God. En iedereen die beweerde het wél te kunnen verwoorden, moesten we diep wantrouwen.

Augustinus raakte van de onmogelijkheid te spreken over het onzegbare trouwens niet van de leg. Zijn productie was, zacht gezegd, in orde.

Jan Rot heeft feilloos aangevoeld dat het thema van de passie, het lijden en sterven van Christus, te groot was om over te spreken. Hij licht toe dat hij ironie in de tekst brengt door de zanger en de luisteraar niet met massieve geloofszekerheden om de oren te slaan, door hen zelfs een glimlach te gunnen en relativering. Maar dat doet hij niet.

Zijn oplossing is dat hij de religie van Picander en Bach vervlakt, wat moderniseert, soms briljant, dan weer met platitudes die de meligheid niet overstijgen. De discipelen op weg naar Jezus’ einde krijgen in zijn libretto een apostolische dip: „Elke dag verder zakte de groepsmoraal.”

Wat ik in Rots Mattheuspassie vind is onttovering. Wat ik mis is de beloofde ironie die religie draaglijk maakt, die ervoor zorgt dat de dwaze mysteries van het geloof mee te maken en mee te zingen zijn. Zoals het Woord dat Vlees geworden is – een cryptische omschrijving van Kerstmis, ontleend aan evangelist Johannes.

Het kan anders, heb ik ondervonden in de een meter twintig Reve in mijn boekenkast. Hij was geen theoloog, maar met zijn literaire thema ’God, liefde en de dood’ wel een godsdienstig auteur.

Sjaak Hubregste komt de eer toe de slimste dingen gezegd te hebben over Reves ironie. Romantische ironie, schrijft hij, impliceert dat de kunst niet meer het licht van God weerspiegelt, maar dat de kunstenaar zelf licht maakt. Schepper is.

Op ettelijke plaatsen in het werk van Reve blijkt het besef dat hij schepper is. „Waar komt dat Godsbeeld van u anders vandaan dan uit u zelf? Wat is uw Godsbeeld anders dan u, hè?”

Het absolute buiten ons, een platoons gedachte godheid, dat is aan Reve niet besteed. Wel heeft hij de onstuitbare behoefte te spreken over wat onuitsprekelijk is, al is het, om met een psalm te spreken, „te verheven, ik kan er niet bij”.

Die verhevenheid botst in het werk van Reve op platheid. Op het eerste gezicht lijkt Rot schatplichtig aan Reve, maar bij Reve belichamen het grove en gore juist het hogere. Wie een goede geestelijke spijsvertering heeft, kan in het werk van Reve het smerigste literaire materiaal vinden – verkrachtingscènes – dat uiteindelijk een verbeelding blijkt voor het hoogste geloof, voor zonde, verlossing en schuld, voor de condition humaine.

Zo verbindt Reve het lichamelijke met het sacrale, het hoogste met het laagste: de ironie van de verhevenheid.

Seks en religie, doorgaans een lastig koppel, lopen bij Reve in elkaar over. De Volksschrijver vertoont zonder meer gnostieke trekken (goed en kwaad zijn beide god), maar hier is hij antignostisch. In de klassieke gnostiek komt de lichamelijkheid er meestal slecht af. (Het tegenovergestelde lees je vaak in esoterische blaadjes, maar dat is volksverlakkerij.) Reve slaat haar juist hoog aan.

Het hoogtepunt van zijn eucharistische belevenissen in de roman ’Moeder en Zoon’ vormt „tot liefdes uiterste verzadiging te komen. De daad geleek mij, op deze plaats van diepste overgave, eerder geboden dan ongeoorloofd, en wat ik gemeenlijk, even ironies als diep gemeend, ’de heilige daad’ placht te noemen, kwam mij onder deze omstandigheden heiliger voor dan ooit.”

Ironie gevoegd bij religie heeft in de Nederlandse literatuurbeschouwing een slechte roep. Die klonk luid nadat schrijver Frans Kellendonk het begrippenpaar ’oprecht veinzen’ introduceerde.

Even ironies als diep gemeend, om het met Reve te zeggen, dat kon volgens zijn atheïstische én christelijke critici niet. Oek de Jong zei dat Kellendonks ’oprecht veinzen’ niets meer was dan een ’intellectuele goocheltruc’.

Dat is het vanuit theologisch gezichtspunt zeker niet. Het oudtestamentische beeldverbod – het tweede van de Tien Geboden – betekent dat geen beeld, geen dogma, geen woord bij machte is het afgebeelde, het mysterie zelf dus, volledig te vatten. Het mág niet eens. Zo maakt ’Gij zult u geen gesneden beeld maken’ van ironie niets minder dan een religieuze eis.

Van literatuurwetenschappers mag je verwachten dat ze Kellendonks religiositeit hekelen; het is de vaste reflex op godsdienstigheid in ons land. Maar theologen moeten wijzer wezen.

Het wissen van artikel 147 – dat godslastering beoogde te straffen – past bij het inzicht in het tweede van de Tien Geboden: God valt niet te lasteren. Reve had dat zelf al sierlijk bewezen tijdens het Ezelproces, maar het duurde nog een generatie eer dat bewijs ingedaald was.

Geloof is, om het met godsdienstfilosoof Just van Es te zeggen, ’besef van ironie’. Een besef dat juist ontvankelijker maakt en wat mij betreft: de overgave niet belemmert maar juist mogelijk maakt. In die ironie zijn gelovigen en ongelovigen één. Beter gezegd: daardoor vervalt woensdagnacht het onderscheid. „Ere zij God, in den ho-hoge.”

Volgens een gedicht van de Portugese dichter Pessoa – net als Reve een goochelaar met ernst en ironie – leidt veinzen tot zelfkennis. Het herhalen van dit doen alsof heet ’ritueel’.

Wie eraan meedoet, zich eraan over durft te geven, zoals tijdens de Kerstnachtdienst, ontmoet zichzelf. De zelfkennis leidt tot godskennis. Want een romantisch ironicus als Reve is schepsel en schepper naast God tegelijk. In een duizelingwekkende formulering: God is mens is God geworden. Aan Jan Rot – die van Jezus een linksige rabbi maakt – is deze vermetele kerstgedachte niet besteed.

Nieuw is zo’n gedachte trouwens allerminst. In de Duitse mystiek was dit balanceren op het randje van menselijke hoogmoed wel vaker te horen. Zo dichtte de zeventiende-eeuwse Silezische arts Johannes Scheffler, beter bekend als Angelus Silesius, in zijn ’Der Cherubinischer Wandersmann’:

Als Christus duizendmaal

in Bethlehem werd geboren

en niet in jou – dan blijf je

voor eeuwig verloren.

In Reve’s boekenkast stond werk van Angelus Silesius. De Volksschrijver voelde zich als dichter verwant met deze mysticus.

Tussen de spullen die Bach naliet, ontbrak ’Der Cherubinischer Wandersmann’ van Angelus Silesius – razend populair in het Duitse piëtisme, maar misschien geen hebbeding voor de lutherse piëtist Bach; Silesius had de lutherse kerk verlaten om tijdens de Contrareformatie katholiek te worden, bijtend onverdraagzaam katholiek. Maar wat voor Angelus Silesius opging, getuige zijn grafschrift, gold voor Bach ook: ze zijn beiden ’Mahner zu gottinniger Frömmigkeit’.

Net als Reve. Hij hield „het meeste van godsdienstige en mystieke poëzie, mits zij echt en goed is, want ik ben een godsdienstig auteur, of U en ik er zin in hebben of niet: er is niets meer aan te doen.”

Op een envelop schreef Reve in 1982 een vertaald epigram van Silesius; hij verstuurde het tekstje naar zijn uitgever, Van Oorschot:

Ik ben als Hem zo groot,

Hij is als ik zo klein.

Ik kan niet zonder Hem,

Hij zonder mij niet zijn.

Door die wederkerigheid vervalt het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen, door Jan Rot in stand gehouden. Dat wisten gelovigen trouwens allang, want op de bijbelse frase ’Ik geloof’, volgt meteen: ’Kom mijn ongeloof te hulp.’

Het zoeken naar God betekent het zoeken naar de liefde, had Reve in ’Nader tot U’ al gezegd: „God was de enige werkelijkheid, en wij waren slechts werkelijk in zoverre hij in ons was, en wij in hem. Indien dit zo was, en indien het waar was, dat God Liefde was, dan moest dit betekenen, dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we liefhadden.”

Zijn toenadering tot de rooms-katholieke kerk, overweldigend beschreven in ’Moeder en Zoon’, krijgt een uiterst stoffelijk hoogtepunt. Met zijn biechtvader Lambert S. bezoekt geloofsleerling Gerard de kerk van OLV ter Nood in Heiloo. Daar plengt hij voor haar beeltenis zijn heilig liefdesvocht.

Knielen voor je eigen construct: het heeft iets merkwaardigs. En iets ironisch. Maar het is typisch mystiek. En typisch bijbels.

Het verhaal gaat dat een remonstrantse dominee Frans Kellendonk eens vertelde dat diens ideeën helemaal niet zo ketters waren. De predikant citeerde psalm 22 (’De profundis’): „De heilige troont op Israëls gezangen.”

Kellendonk was volgens de overlevering verbaasd, maar nam de woorden ter harte; hij verwerkte ze in zijn essay ’God troont op de gezangen van de mensen’.

En hij ging nog verder. „Tussen God en Zijn schepping bestaat wederkerigheid: Hij schept haar, maar tegelijkertijd schept zij Hem. God is bezig door mij Zichzelf te scheppen.”

Deze tot het uiterste doorgevoerde kerstgedachte hangt, in andere woorden, bij mij thuis aan de muur, netjes ingelijst. Het is een door Reve geschreven versie van ’Dagsluiting’.

Eigenlijk geloof ik niets,

en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig

leeft,

dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,

en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt

zoals ik U.

Woorden kunnen betoveren op het eerste gehoor, maar bij herhaling hun eerste bekoring verliezen. Bij Gerard Reve gebeurt me dat niet – en ik lees zijn werk nu meer dan twintig jaar. Het libretto van Jan Rot verbleekt bij elke oefensessie een beetje meer, met alle waardering die ik voor sommige tekstpassages ook heb gekregen. Hoe vaker ik zijn taal proef, des te minder smaakt ze mij.

Toch mag de mensheid J. Rot te Ossendrecht eeuwig dankbaar zijn: hij heeft de muziek van Johann Sebastian Bach niet geschonden.

Voor Reza kent de oefen-cd zo te horen nauwelijks geheimen meer. Wat vindt hij ervan, na weken oefenen? „Niet door het beluisteren”, zegt hij tijdens de pauze, „maar door het meezingen ervaar ik de schoonheid van de muziek als een openbaring.”

Samen zetten we in en zingen met Bach over het lijden van Christus. Straks zing ik me met een smakeloos ’Ere zij God’ vol overgave zijn geboorte tegemoet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden