Review

In den beginne was het Reich

Op 6 augustus 1806 legde de Habsburger Franz II de keizerskroon neer van het Heilige Römische Reich deutscher Nation dat daarmee, na ruim negenhonderd jaar, de facto ophield te bestaan. De gebeurtenis baarde bij tijdgenoten nauwelijks opzien, omdat het Heilige Roomse Rijk al eeuwenlang een zieltogend bestaan leidde. Illustratief voor de onverschilligheid waarmee dit voorval werd begeleid was de opmerking van Goethe dat een ruzie van zijn koetsier hem meer interesseerde dan het nieuws van Franz' abdicatie.

Het Rijk mocht dan, en nu dus ook 'officieel', niet meer bestaan, het merkwaardige feit deed zich voor dat de Reichsgedachte in vele kringen in de Duitse territoria vanaf dat ogenblik betekenis en aanhang kreeg. De mythe rond dat fenomeen is dan ook de centrale these in het eerste deel (band 2 verschijnt naar verwachting dit najaar) van 'Der lange Weg nach Westen', waarin Heinrich August Winkler zijn visie op twee eeuwen moderne Duitse geschiedenis geeft.

'De historicus moet beschrijven hoe het geweest is', heeft Leopold von Ranke, de negentiende-eeuwse geschiedschrijver, eens gezegd. Die opdracht gaat, zo betoogt Winkler in zijn inleiding, in elk geval sinds Hitler niet langer op. Volgens hem moet er vooral naar het 'waarom' worden gekeken en wanneer er toch een 'hoe-vraag' moet worden gesteld, dan geldt die voor de omstandigheden die tot een bepaalde gebeurtenis of ontwikkeling hebben geleid. Veel naoorlogse historici hebben nogal eens de nadruk op uitsluitend uitleg en analyse gelegd, waardoor het geschiedverhaal dikwijls in het gedrang kwam. Winkler bewijst, in een bewonderenswaardige synthese van eruditie en interpretatie -daarbij op een imposante hoeveelheid bronnenmateriaal steunend- dat vertelling en verklaring elkaar helemaal niet behoeven uit te sluiten. Een sceptische aspirant-koper zal wellicht enige twijfels ten aanzien van omvang en prijs van het boek koesteren, maar mag na lezing blij zijn die aarzelingen te hebben overwonnen.

Al in de eerste twee, drie zinnen van het openingshoofdstuk zet Winkler, die zijn studie zelf als 'politische Problemgeschichte' aankondigt, de toon voor zijn boek: ,,In den beginne was het Reich. Wat de Duitse geschiedenis van de geschiedenis van de grote West-Europese naties onderscheidt, vindt hier zijn oorsprong. In de Middeleeuwen scheidden de wegen.''

Evenals collega-historici noemt Winkler ook de godsdienststrijd van de zestiende eeuw en de tegenstellingen tussen Pruisen en Oostenrijk, de beide belangrijkste monarchieën, als oorzaken voor de vertraagde vorming van een Duitse natie, maar der Reichsmythos blijft toch de rode draad in zijn studie. Het kwam tot uiting in de liberale eisen in het omwentelingsjaar 1848, maar militanter nog in de Wilhelminische periode, toen immers 'am deutschen Wesen die Welt genesen [sollte]'. En uiteraard in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, waarbij de Reichsgedachte 'zur wichtigsten Brücke zwischen Hitler und großen Teilen des gebildeten Deutschland' werd.

Niet alleen de komst van de eerste democratie in 1918-1919, óók de klein-Duitse natievorming van 1870-1871 stemde veel Duitsers in de jaren dertig van de vorige eeuw niet meer (of langer) tevreden. Geworteld in een in verscheidene kringen nationalistische cultuur bleek de mythe hardnekkiger dan velen voor mogelijk hadden gehouden. En Hitler speelde dankbaar in op het verlangen naar een uit die mythe automatisch voortvloeidende leidende rol voor Duitsland in Europa -volgens sommigen, en niet uitsluitend fanatieke nationaal-socialisten, zelfs als een soort zendingsbevel op te vatten.

Eenmaal zelf aan de macht paste de Reichs-gedachte vervolgens ook bij uitstek in zijn expansieplannen -de Anschluss van Oostenrijk betekende de van oudsher groot-Duitse variant en 'Barbarossa' was natuurlijk niet toevallig de naam voor de Duitse aanval op de Sovjet-Unie...

Maar niet alleen de hunkering naar een dominerend rijk, ook de moeizame plaatsbepaling van Duitsland en diens staats- en volkenrechtelijke 'voorlopers' binnen Europa krijgt een voorname plaats in Winklers boek, dat immers niet voor niets 'Der lange Weg nach Westen' heet. Of het nu geopolitieke, godsdienstige of culturele omstandigheden waren, lange tijd kon Duitsland niet tussen West en Oost kiezen. Het lange wachten op staatkundige eenheid was daarvoor uiteraard in belangrijke mate verantwoordelijk, maar ook na de Reichsgründung (1870-1871) waren de verschillen tussen bijvoorbeeld het moderne, pro-westerse Rijnland en het conservatieve, eerder op Rusland georiënteerde Pommeren op z'n minst opvallend te noemen.

Hetzelfde gold in feite voor de meeste politieke groeperingen, die bovendien onderling dikwijls sterk polariserend optraden -eigenlijk tot op de dag van vandaag!- en niet of nauwelijks tot het sluiten van compromissen waren te bewegen. De weg naar het Westen was daardoor inderdaad lang en geplaveid met hindernissen, voordat pas na 1945 (en dan ook nog slechts in een deel van Duitsland!) definitief de steven in westelijke richting werd gewend...

Ofschoon Winkler, hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Berlijnse Humboldt-universiteit, het in vakkringen niet onomstreden begrip Sonderweg slechts in zijn inleiding even aanstipt (en belooft aan de vragen over die theorie in het volgende deel toe te komen), toch maakt hij met zoveel woorden in deze eerste band wel duidelijk dat hij geen aanhanger is van een 'logische' en 'voorbestemde' lijn vanuit het verleden naar het Derde Rijk. Hij maakt dat onder meer aannemelijk in het slothoofdstuk over de Weimar-republiek -een periode waarin Winkler als geen ander thuis is, al was het alleen al door zijn standaardwerk 'Weimar 1918-1933. Die Geschichte der ersten deutschen Demokratie' uit 1993.

Winkler stelt daar dat Hitlers benoeming tot rijkskanselier door de grote steun onder de bevolking weliswaar mogelijk, maar anderzijds niet onontkoombaar is geweest en dat er (tijdelijk) diverse andere uitkomsten denkbaar waren. Winkler: ,,30 januari 1933 (de dag van Hitlers benoeming tot rijkskanselier) was daarom nóch een logisch gevolg van de voorafgaande politieke ontwikkelingen, nóch toeval.''

Dat de mogelijke alternatieven voor Hitler niet zijn benut had een aantal redenen: de druk van de oude, adellijke elite; de adviseurs van de stokoude president Von Hindenburg en vooral het in meer dan één opzicht zwakke fundament, waarop de Weimar-republiek was gebouwd -mede een gevolg van de gefaseerde en vertraagde invoering van democratische beginselen in de negentiende eeuw, waarbij er een min of meer onnatuurlijke scheiding tussen (progressief) kiesrecht en (conservatieve) regeringsvorm was ontstaan.

Het hoofdstuk over Weimar kreeg dan ook als titel 'Die vorbelastete Republik' mee, maar beter getroffen is wellicht nog de op een andere plaats gebruikte typering 'ungelernt', dat nog het beste met 'ongeschoold' is te vertalen. Een nadere adstructie voor die kwalificatie volgt in de treffende omschrijving: ,,Er was een erfenis van de Obrigkeitsstaat, niet alleen bij de tegenstanders van de eerste Duitse republiek, maar ook in de hoofden van haar aanhangers. De republiek-gezinden gedroegen zich op een wijze die deed vermoeden dat ze nog in de monarchie leefden.'' Daarom lijdt het voor Winkler geen twijfel dat Weimar de beslissende periode in de Duitse geschiedenis is geweest.

De 'hoe'- en 'waarom'-vragen komen in dit boek royaal aan de orde en worden door Winkler ook merendeels overtuigend beantwoord. Wellicht had de vraag naar het aftreden van rijkskanselier Brüning in mei 1932 meer expliciet dienen te worden gesteld (had hij het, in plaats van het min of meer door Von Hindenburg afgedwongen ontslag van zijn kabinet, niet op een eventuele motie van wantrouwen in de Rijksdag moeten laten aankomen?), maar bij een ander cruciaal moment in de geschiedenis van 'Weimar' -het aantreden van dezelfde Von Hindenburg als president in 1925- maakt de auteur aannemelijk dat diens verkiezing niet alleen aan koppige communisten, maar voor een even groot deel aan het anti-papisme bij menig liberale en sociaal-democratische kiezer kon worden toegeschreven.

Ten slotte nog een enkele opmerking over Winklers stilistische aanpak. Misschien met uitzondering van de beschrijving van de periode tot 1830, waarbij nogal wat voorkennis over de gecompliceerde verhoudingen in het Reich bij de lezer wordt verondersteld, voelt de auteur zich niet te groot om zijn geschiedschrijving, alvorens aan een analyse toe te komen, eerst te ordenen en leesbaar te presenteren.

Een veel gebruikte stijlfiguur van Winkler is het vermelden van citaten van tijdgenoten, waarmee hij zijn verhaal een zekere authenticiteit verleent. Een willekeurig voorbeeld: wanneer Oostenrijk in de oorlog tegen Pruisen in de zomer van 1866, een vitale nederlaag heeft geleden, wordt dat nieuws in het Vaticaan met de angstkreet 'Casca il mondo' ('de wereld vergaat') ontvangen; tegelijkertijd becommentarieerde de Protestantische Kirchenzeitung de gebeurtenis met 'een overwinning op het ultramontanisme'. Uiteindelijk bleek het Habsburgse echec bij Königgratz inderdaad de beslissende slag voor de wereldlijke macht van de paus.

Met de aanstaande voltooiing van zijn magnum opus schaart Winkler zich -dat kan al na lezing van dit eerste deel worden vastgesteld- in de rij van historici als Gordon Craig en Thomas Nipperdey, een uitgelezen groep waartoe overigens voor het Nederlandse taalgebied ook Frits Boterman mag worden gerekend. In het volgende, afsluitende deel zal ongetwijfeld het einde van de mythe van een Deutsches Reich worden aangekondigd en beschreven. Velen zullen vermoedelijk verlangend naar het verschijnen van die band uitkijken, onder hen in elk geval ondergetekende.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden