In de woestijn, maar niet zonder contact met anderen

De auteur is judacus en gepromoveerd op de Talmoedlezingen van de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas. Hij houdt zich beroepshalve bezig met de verhouding tussen r.-k. kerk en jodendom.

De woestijn als symbool voor het leven 'in de marge' is belangrijk voor de samenleving en kan bron van vernieuwing zijn, maar ze valt ook alleen maar te begrijpen vanuit de samenleving, aldus De Boer. De marge wordt bepaald door het centrum en is geen einddoel, geen doel op zich. Een ascese die de samenleving geheel zou opgeven, is niet vruchtbaar.

Volgens De Boer zien we een goed voorbeeld van zo'n onvruchtbare vorm van afzondering bij de woestijnvaders, die zonderlinge groep christelijke monniken die zich in de vierde eeuw afkeerde van de bewoonde wereld. “De loutering is hier tot loochening geworden”, oordeelt De Boer. Zelfs neemt de kluizenaar afscheid van het zintuiglijke. De huiveringwekkende visioenen van een Antonius zouden een produkt zijn van dit soort verkeerde isolement.

In hoeverre is deze kritiek terecht? Psychologisch gezien kan men zich de vraag stellen of die visioenen niet veeleer weerspiegeling en produkt zijn van spanningen in de samenleving zelf, die pas in de eenzaamheid de kans krijgen zich te manifesteren. Door het bombardement van steeds nieuwe indrukken blijven deze spanningen in het leven van de gewone burger verhuld. Dit zou verklaren waarom voor niet weinig mensen van stilte en eenzaamheid een grote bedreiging kan uitgaan en wel groter naarmate de verdringing van machtsstructuren en van seksuele verlangens heviger is.

Zo bezien gaan de woestijnvaders de confrontatie met de samenleving wel degelijk aan. Toegegeven, de woestijnvaders zijn rauwe kost voor onze verfijnde smaak en we zijn er als de kippen bij om deze ascese als pathologisch voor te stellen en zo te bezweren. Maar we zouden ons allereerst kunnen afvragen, of we hier wel staan voor de keuze tussen afwijzing of navolging.

Als de woestijnvaders die harde weg kiezen, betekent dat volstrekt niet dat iedereen die zou moeten kiezen. Je kunt ook profijt trekken van de resultaten van hun inspanning, bijvoorbeeld door na zoveel eeuwen over hen te lezen, zonder de toppen der ascese zelf te bestijgen. Als het niet op onze weg ligt om hun weg te gaan, is die weg nog niet noodzakelijk afkeurenswaardig. Ik kan van een koorddanser in het circus genieten in het bewonderende besef, dat deze vaardigheid maar voor weinigen is weggelegd en mij zeker niet eigen zal worden.

Met deze gedachte is de kritiek van De Boer op de woestijnvaders echter nog niet onschadelijk gemaakt. De Boer stelt namelijk de zin van deze vorm van ascese als zodanig ter discussie. Erover lezen is op zich nog geen voldoende rechtvaardiging voor hun spiritualiteit, want hun weg zou voor geen mens gezond zijn, ook niet voor spirituele krachtpatsers.

Inderdaad legt De Boer de vinger op een gevoelige plek, als hij opmerkt dat ascese-in-isolement voor de samenleving zonder betekenis is. Om het in andere woorden te zeggen: een streven naar persoonlijke perfectie die niet op enige wijze medemens of samenleving in het vizier houdt en mee betrekt in die weg naar vervolmaking, is een gevaarlijke vorm van hoogmoed.

De vraag is dus allereerst: zou een dergelijke kritiek binnen het blikveld van de woestijnvaders hebben kunnen liggen of zou het hun volledig zijn ontgaan? Het antwoord ligt in de verhalen en uitspraken over hun leven, opgetekend in de 4e en 5e eeuw, waarin - paradoxaal genoeg - ontmoetingen centraal staan:

Een zekere broeder, die zich had teruggetrokken uit de wereld en het habijt had aangetrokken, sloot zichzelf op en zei: “Ik ben een kluizenaar.” Toen de 'oude mannen' het hoorden, kwamen ze en wierpen hem uit zijn cel en lieten hem rondgaan langs de cellen van de broeders om boete te doen en te zeggen: “Vergeef me, want ik ben geen kluizenaar, maar een beginner.”

Vlucht uit de wereld wordt op beeldende wijze bekritiseerd:

De 'oude mannen' zeiden: “Als je een jonge man naar de hemel ziet klimmen op eigen kracht, grijp dan zijn voet en trek hem naar beneden, want dat is goed voor hem.”

Opmerkelijk is in het volgende verhaal het belang van een goede leraar; isolement alleen is kennelijk niet toereikend.

Een broeder zei tegen een oude man: “Ik doe al het noodzakelijke in mijn cel en toch ontvang ik geen troost van God.” De oude man antwoordde hem: “Dit gebeurt omdat je met iemand leeft, die leeg is en jij hem je wil wilt opleggen.” De broeder zei tot de oude man: “Wat draag je me op te doen, vader?” De oude man zei: “Ga en hecht je aan iemand (“kleef aan bij iemand”) die God vreest en verneder jezelf voor hem en geef jouw wil over. Dan zul je troost ontvangen van God.”

Het uitzuiveren van de eigen verlangens, zelfs (of juist) van die naar volmaaktheid, is het wezen van ascese:

Johannes wilde als de engelen zijn en zich zonder arbeid geheel aan God toewijden, dus deed hij zijn kleren uit en verbleef een week in de woestijn. Maar toen verging hij van de honger en was van hoofd tot voeten overdekt met wonden van muskieten en wespen. Hij ging naar de cel van een medebroeder en klopte. “Wie is daar?” riep de broeder. “Johannes”, antwoordde Johannes. “Dat kan niet, want Johannes is een engel geworden en leeft niet meer onder de mensen.” “Maar ik ben werkelijk Johannes!” Maar de broeder opende zijn deur niet en liet Johannes een hele nacht buiten staan. Toen opende hij de deur en zei: “Als je een mens bent, moet je gaan werken, als je wilt eten en drinken, maar als je een engel bent, waarom wil je terug naar je cel?” Johannes zei: “Vergeef mij, broeder, ik heb gezondigd.”

De Boer herkent bij de asceten in hun afkeer van het zintuiglijke en in hun streven naar het loskomen van begeerte de beweging van het neoplatonisme. Inderdaad leert ons het volgende verhaal uit verwante ascetische traditie dat ook de filosofen de minachting van het stoffelijke kenden. Alleen is dat nog geen spiritualiteit:

De filosoof Craton zei: “Ik doe hetzelfde als jullie christenen, want ik veracht het aardse slijk!” “Toch niet”, antwoordde de heilige, “want je hebt wel het geneesmiddel, maar je geneest er geen zonde mee. Bij ons geldt het alleen als verdienstelijk, als je het vervolgens aan de armen geeft!”

Er is dus wel iets meer te beleven bij de woestijnvaders dan een botweg verzaken van de wereld. Het is opmerkelijk in hoeveel verhalen de ontmoeting centraal staat, ook met bezoekers die uit de stad afkomstig zijn. Wel is het de verdienste van de kritiek van Theo de Boer dat hij ons indringend op het gevaar van ascese als wereldverachting-zonder-meer wijst, zodat we dat als een centraal thema bij de woestijnvaders kunnen herontdekken.

De zoektocht van de woestijnvaders leidt op hun beste momenten tussen verblinding en verloochening door naar de weg van loutering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden