In de tuin van het geheugen

„Waren dit niet de bronnen wier heilzame werking jammerlijk faalde, toen Adolf Hitler hier in 1928 genezing zocht voor zijn driftaanvallen?” In het Beierse kuuroord Bad Kissingen observeert Godert van Colmjon de bejaarde Kurgüste en denkt aan Theodor Fontane, de oorlog en zijn moeder.

Niet de dood maar de kortheid van het leven zit me op de hielen. Ik kom ogen tekort. En de ogen die ik heb gun ik geen rust.

Al zou ik willen, de verdichting van het visuele aanbod staat het me niet toe. In de kamer, die van de slaap en van het nachtelijk duister is, de rolluiken naar beneden, dwaal ik uren langs de beelden van de dag.

Beschrijf ik een uitputtingsslag, een wrede toevoeging aan de berg van onoverwinnelijkheden waar een mens vanaf zijn geboorte tegenaan loopt? Absoluut niet. De hunkering naar een nieuw ochtendgloren houdt me klaarwakker.

De fonteinen van de Kurgarten kaatsen de zonnestralen, die al weken ongefilterd op Bad Kissingen neerkletteren, meters terug omhoog voordat ze in zeegroene bassins uiteenspatten. Het licht rolt en springt hier als parels op een gladde tegelvloer. Zelfs bij deze aanhoudende recordwarmte kan het verkoelende water de wandelaars en bankzitters in het park niet verleiden. Anders is dat met de scholieren op de Berliner Platz. In afwachting van het busvervoer baden ze hun voeten in de nabijgelegen stadsfontein.

Terwijl op de oude Kapellenfriedhof de eerste heelmeesters van het beroemdste kuuroord van Duitsland al meer dan een eeuw in hun praalgraven liggen, werken hun opvolgers zich in het zweet. Zo proberen ze het doodvonnis te ontlopen dat dreigt voor hun statige sanatoria en klinieken.

Ook in Duitsland wordt de druk op de zorgverzekeraars groter, de middelen schaarser. Daarnaast is er de dagelijkse, vergeefse strijd van de artsen tegen de jaren en lotgevallen die in het beendergestel van hun cliënten zijn getrokken.

Voor de ’roest’, een exclusieve ouderdomskwaal, bieden hun zwavelbaden, thermotherapieën en bronwaterdiëten nog steeds geen soelaas – tenminste, als ik de moeizame gang van de patiënten aanschouw.

In de dagelijkse stroom van bejaarde parkbezoekers ontvouwt zich een complete voorstelling van gewrichtsaandoeningen: een langzame processie van lemma’s uit het handboek voor orthopedische diagnostiek. Stap voor stap, voetje voor voetje, het rollend materieel niet meegerekend. Moet dit het tempo van Duitslands jongste Gesundheitsreform verbeelden?

De kuurartsen, ze gaan schuil achter een sinistere titulatuur van specialismen zonder eind, verdenk ik ervan willens en wetens te praktiseren voor een verloren zaak, louter om hun eigen welzijn te waarborgen. Van een wonderbaarlijke wedergeboorte heb ik in de Kurgarten nog geen enkele juichkreet gehoord; geen lamme gezien die uit zijn elektrische rolstoel opstaat en wandelt. ’Bewegen is leven’, voert een van de dure privéklinieken als heilsspreuk. Zelfstandig bewegen is hier even schaars als lopen op eigen benen.

Nergens slaan de goede bedoelingen zo hard toe als hier. De illusie dat leeftijdschade zich laat uitdeuken, wordt op de wandelpaden van de Kurgarten met elke stap pijnlijk ontkend. Zoals ook het geheugen zijn werkzaamheden niet staakt onder een nieuwe laklaag.

In onze hartstocht voor het eeuwige behoud leggen we een lijst van werelderfgoederen aan, maar we zijn nog niet bij machte onszelf daarop te plaatsen. Bij zijn conceptie heeft de menselijke soort zich verbonden met de beperkte houdbaarheid van het bestaan, een weeffout waaraan ook het glanzende borduursel van een hiernamaals niets kan veranderen.

Als er nog kuurgasten zijn die geloven, dan hebben ze in ieder geval de zon uit hun gebeden verbannen. Strooien hoedjes, baseballpetjes, tot hoofddeksel geknoopte zakdoeken, paraplu’s, de beschutting van een boom – elk bruikbaar attribuut wordt benut om er de glanzende daken van hun schedels mee af te schermen voor wat hen eerder, God weet hoe kort geleden nog maar, naar de Costa del Sol lokte.

Het is allang niet meer de dood zelf die ze vrezen, het is de aftakeling van het lichaam die hun dagen beheerst.

Bad Kissingen, dit heeft het gemeen met alle kuuroorden, belooft een ander heil. Overeind gehouden door spalk en steigerwerk, kruk en rollator verkondigt het de verlenging. De enige onzekerheid daarover is de uiterste datum, die we bij onze geboorte niet meekrijgen. Het lichaam waakt zorgvuldig over het geheim hoe en wanneer het in elkaar stort: in zijn slaap, wat velen van ons hopen, of na een pijnlijk sloopproces, wat iedereen vreest.

Wat heb ik, gespeend van elk talent voor ziekte en lichamelijk gebrek, een Nederlander bovendien, hier te zoeken? Weinig, behalve een mooie beletage achter een gevel van rode baksteen, bouwjaar 1910, die me langs de elektronische snelweg in de schoot werd geworpen. Des te meer wordt me hier verstrekt, gratis en voor niets.

Om niet het minste geschenk te noemen: Duitsers van mijn generatie, die voor de oorlog geen aansprakelijkheid dragen, maar onder zijn naweeën net zoveel, zo niet meer, te lijden hebben gehad als hun Nederlandse tijdgenoten. Dan een ongekende variatie aan aardappelgerechten waar mijn geboorteland, dat kleine koninkrijk van de Aardappeleters, niet verder is gekomen dan gekookt, gebakken, gefrituurd en gepureerd. Een omringend middengebergte dat niet onverschillig blijft voor de tover van de seizoenen. En een tafeltje op het terras van het statige Kurgartencafé in Friedrich von Gürtners neoklassicistische Arkadenbau, waaraan ik op zonnige ochtenden, zoals op deze zondag, mijn dubbele espresso en stil water drink.

Weg wilden we, zij en ik. Niet in wat ons nog aan leven is gegeven weer de paden bewandelen die we inmiddels kunnen dromen. Niet langer de wegen begaan waarop we al twaalf stel autobanden hebben versleten. Ouders begraven of verstrooid, kinderen sinds jaren op zichzelf, navelstreng en vriendschapsbanden vervangen door internet.

Weg van huis? De betonnen woonstaaf in de havenmetropool Rotterdam, met haar door Hermann Görings Luftwaffe weggebombardeerde hart, bood me al net zomin een thuis als dit kuuroord in Unterfranken, in de deelstaat Beieren. Thuis, dat is je taal, zegt de schrijver, zegt ook de filosoof. Maar de taal schijnt mij net zo veranderlijk als de mode. Veel woorden waarmee ik ben opgegroeid raken amper nog de voorwerpen en begrippen uit mijn jeugd . Tenslotte slaat ook de taal al vroeg zijn vleugels uit, liefst tot ver over zijn landsgrenzen. Waarom een heel leven doorbrengen binnen de omheining van één taal?

Ik geniet van mijn nieuwe ochtendritueel: hoe mijn Nederlandse woordenschat zich probeert te kleden in Duitse equivalenten – net zolang passen, afspelden en vermaken tot mijn taal de garderobe van die andere taalmoeder past. Die verre verleidster, oplichtend in de wisselende gedaanten van Hölderlin, Kleist, Heine, Schiller. Maar meer nog de registers die ik van haar stem de mooiste vind: Beethoven, Schumann, Brahms, Mendelssohn. Plotseling zo dichtbij, maar nog steeds ongrijpbaar.

Het woord Kreislauf staat hier voor een ware obsessie. Volgens de biologische bijsluiter, die in de Duitse kranten het weerbericht vergezelt, bestaat er geen weertype zonder acuut gevaar voor de bloedsomloop.

In de taal van mijn moeder kent het weerbericht zo’n toevoeging niet, behalve bij extreme temperaturen. Een Nederlander zal de weersgesteldheden niet snel in verband brengen met zijn gezondheid; eerder met een mislukte aardappeloogst en te dure andijvie. Hier blijf ik elke morgen, zon- en katholieke (heel veel katholieke) feestdagen uitgezonderd, op de hoogte van de risico’s die ik in de voorbije 62 jaar heb genegeerd. En van de gevaren waaraan ik heb blootgestaan zonder er weet van te hebben. De meelstof, aangevoerd op de winden van de lente, heb ik moeiteloos overleefd. Maar de lucht is nog niet geklaard of dichte walmen dodelijke kooldioxyde slaan me vanaf de krantenpagina’s in het gezicht.

Op het terras van het Kurgartencafé, 210 meter boven de Noordzeespiegel, mag ik me dan koesteren aan espresso en water, elders bereidt een onstuitbare klimaatsverandering een nieuwe zondvloed voor, lees ik in de Süddeutsche Zeitung. Volgens Bild is het weer al zo in de war dat het straks van straat tot straat verschilt. Hoe kortgeleden is het dat elk plat dak onder een dikke sneeuwvracht bezweek en het wassende water van Donau en Elbe in vele steden tot aan de torenhaan steeg? Nu mag ik niet eens raar opkijken als tijdens het ijsvrij maken van de buitentrap bij de buren de oleander in bloei staat. Zijn laatste seizoen?

Laten we die verdomde oorlog, wilde ik zeggen, laten we die voortaan in onszelf bewaren en niet langer uitspelen tegen de verkeerden. Vorwürts und nicht vergessen. Duitsland dus. Bad Kissingen. Gelukkig bleef het gespaard voor de Geallieerde bommenregen. Dat het ook ontsnapte aan de streekfolklore van vergelijkbare stadjes en dorpen, dankt het niet aan het kosmopolitisme van de mondaine kuurgasten, die op het hoogtepunt van de kuurmanie uit alle delen van de wereld toestroomden. Het waren de Amerikanen van wie het zijn open en gastvrije houding erfde. Zij werden aangesteld tot curator over het in 1945 mentaal bankroet verklaarde kuurstadje.

Onherstelbare oorlogsschade, ik put nu uit zijn donkerste annalen, had Bad Kissingen al vóór de Duitse inval in Polen opgelopen. Door eigen toedoen. Waren het niet de bronnen wier heilzame werking jammerlijk faalde, toen Adolf Hitler hier in 1928 genezing zocht voor zijn driftaanvallen? Het was het moment dat de verkoop van zijn magnum opus zich op een dieptepunt bevond. Niettemin liet hij zich in hotel Wittelsbacher Hof op de Marktplatz inschrijven als ’schrijver’.

Tien jaar later, tijdens de Kristallnacht, liep de katholieke middenstand, aangevoerd door de NSDAP-kringleider en zijn aanhang, met lucifers, sloophamers en gebalde vuisten te hoop tegen de synagoge en zijn gemeenteleden. Van de circa tweehonderd belaagde Joden – in de jaren ervoor waren tientallen lotgenoten al weggetreiterd – belandden er veertien twee dagen later in Dachau. Honderddrieënveertig anderen, verjaagd uit hun winkels en woonhuizen, vluchtten de grens over. De achterblijvers kregen een permanent onderkomen in Theresienstadt, dat in 1942 zijn poorten opende. Met hen verdwenen de laatste sporen van Joods leven uit Bad Kissingen. Voor hun leerhuis had de Stadtrat in 1939 al een eindoplossing bedacht. De synagoge werd afgebroken.

Toegesneden op de actuele behoeften van het zorgtoerisme doet het interieur van veel kuurklinieken en kuurhotels denken aan een psychiatrische inrichting uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het treurigst stemt het in vale niersteentinten en levertraanpigmenten uitgevoerde zitcomfort dat een grootburgerlijke salon moet verbeelden.

Of anders het iele schrijftafeltje van beukenfineer waarin elke hotelkamer boven handelsreizigersniveau wereldwijd voorziet, naast een kapotte radio. Alsof de brievencultuur van het ontwikkelde negentiende-eeuwse burgerdom nog deel uitmaakt van het dagelijks leven na de laptop.

Theodor Fontane, die het niet lukte – althans niet in de verbleekte leesherinnering die ik bewaar – met ’Effi Briest’ het Duitse taalgebied zijn Emma Bovary te schenken, was sinds 1889 een regelmatige kuurgast in Bad Kissingen. Hij schreef er dagelijks ten minste drie brieven. Met inkt en kroontjespen, elke nieuwe alinea beginnend met een weelderige sierletter. En dat met een dagprogramma van vijf uur wandelen, kranten lezen, lunchen, fysiotherapie, praten met de psychiater, in de Kurgarten keuvelen met notabelen, dineren en natafelen en tot besluit cafébezoek.

Garni Will heette het hotel waar hij jaarlijks zes tot acht weken logeerde. Het monumentale gebouw aan de Frünkische Saale staat er nog, zij het naamloos en inwendig omgebouwd tot particulier woonhuis. Aan de overkant hebben twee kolossale kuurpaleizen zich neergelegd bij een andere realiteit: ontzield en hologig berusten ze in hun makelaarslot.

Een mens, schreef Fontane, is niet te waardig voor het leven, wel te waardig voor de dood. Behalve dat ik die gedachte vurig onderschrijf, stel ik me voor dat hem daarbij niet het gestrompel voor ogen heeft gestaan waarmee de gemiddelde kuurgast zijn lijdensweg bewandelt. Als het dan toch het Niets moet zijn, eindstation van het wezen der dingen, dan fier en recht overeind.

Het water uit de bronnen in de Kurgarten, die de namen Rakoczy en Pandur dragen, smaakt naar bedorven vis, vond Fontane al. En hoewel het drinken ervan de ouderdomsklacht van hardlijvigheid en dichtgeslibde urinewegen zegt te temperen, lijden de bronnen zelf inmiddels aan ernstige vernauwing. Met lange onderbrekingen persen ze een slappe straal naar buiten. Oude mannen houden er hun plastic flesjes en bekertjes onder. Aan de bezoeking die het drinken ervan voor de verwende tong moet zijn, is voor de kuurders wel een grens gesteld. Te veel ervan, waarschuwt de specialistische wetenschap die zich rond de bronnen heeft ontwikkeld, verwoest het leidingstelsel in plaats van het te reinigen.

De verte, die me beloofde te scheiden van mijn geboorteland, krimpt hier met de dag. Het is de biografie van mijn herinneringen, waarvan dit oord op onverwachte plaatsen zijn deel opeist. Op mijn ochtendwandeling naar de Kurgarten beland ik in de Hartmannstraße met een smak in mijn Nederlandse geheugen.

Ik ben terug in de bioscoopzaal waar ik mijn eerste kleurenfilm zag. Met Peter Ustinov, Sophia Loren en Elizabeth Taylor. Hier woonde in 1905, vertelt een gevelschildje op huisnummer 3, Henryk Sienkiewicz, de Poolse schrijver van ’Quo Vadis?’. Een jaar later zou hij de Nobelprijs ontvangen. Lang nog heeft het geweld me achtervolgd waarmee in de verfilming van zijn boek christenen voor de leeuwen worden geworpen; ik probeerde het uit mijn jongslijf te verdrijven door te fantaseren over de fluwelen lippen van Sophia Loren.

Hoorde ik toen echt hun botten knappen? Of is dat een van die fictieve toevoegingen waar de werkelijkheid, om werkelijkheid te worden, niet zonder kan?

Even verderop staat het voormalige woonpaleis van Philip Hailmann, kunsthandelaar, boekhandelaar, magistraat en grootgrondbezitter. Hij bood in 1889, aldus het gevelschildje, onderdak aan de schilder Adolph von Menzel. Een hele bovenverdieping met uitzicht op de Kurgarten voor een misogyne dwerg van 1 meter en 40 centimeter, die weigerde het leven te bekijken vanaf straatniveau.

Ooit – ik leerde op de muziekschool dwarsfluit spelen – kleefde een reproductie van diens fluitspelende Frederik de Grote op mijn slaapkamerdeur. Later, tijdens een overzichtstentoonstelling van George Baselitz in het Amsterdamse Stedelijk Museum kwam mij als inspiratiebron van diens schilderijenreeks ’P.D. Fuß’ Menzels ’Künstlerfuß’ voor ogen. Nooit eerder stelde een schilder de zwaarte van het bestaan zo pijnlijk in het licht als Menzel. Als jichtlijder en veelvuldig gefolterd door ontstoken voeten wist hij hoe dat voelde.

De purpergrijze zwellingen van zijn ’Künstlerfuß’ deden me denken aan het gezicht van mijn grootvader, astmaticus en meester-schoenmaker, wiens vaardigheid het was op maat een elegante schoen om de slanke voet van een vrouw te snijden. Maar ook voor Menzels ongelukkige voeten zou hij zijn hand niet hebben omgedraaid. De horrelvoet en platvoet mochten evenzeer op zijn inzet en toewijding rekenen.

Net als de SS-laars die in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, verscholen achter een bosrand van mijn geboortestad, menig gevangene aan gort heeft getrapt. De laars ook die mogelijk, ik wilde dat ik het kon uitsluiten, de Duits-Joodse filosofe Edith Stein, via Amersfoort op weg naar Auschwitz, haar kampbarak in dreef.

Het eerste wat mijn grootvader deed na de oorlog – en na wegens collaboratie twee jaar achter hetzelfde prikkeldraad te hebben gezeten – was de schoentjes snijden waarop ik mijn eerste stappen heb gezet.

Uit ’Buddenbrooks’ heeft zich een echtpaar losgemaakt dat neerstrijkt aan een tafeltje naast mij. Hij, in roomkleurig driedelig linnen, oogt zo oud als de roman. Zij, zwijgzaam in een witte zomerrobe, de ogen onleesbaar achter een zware zonnebril en in de schaduw van een zomerhoed, laat haar jaren niet becijferen.

Haar nagels zijn gelakt. Ze rookt, met de sierlijke gestes van een verloren beschavingsideaal, door een gouden sigarettenpijpje. Ik aarzel tussen deernis en bewondering. Hulpeloos weggegleden in een romaneske nostalgie? Of ben ik getuige van een zinnelijke aanklacht tegen de vulgarisering van het publieke domein?

Een warme windvlaag, niet meer dan een zucht, bezorgt me een draad van haar blauwe rooksluier, vermengd met haar parfum.

De leerling-ober geeft hem het blaadje met koffie en zet voor haar een glazen pul Würtzburger Hofbrüu neer. Als de jongen is vertrokken, wordt zonder een woord van bestelling gewisseld.

Als de liefde, en zij alleen, in staat is zich niets aan te trekken van de ideologische tegenstellingen die mijn eeuw hebben verscheurd, welk verwijt treft dan de moffenhoer te zijn bezweken voor een zinnelijke waarheid die sterker was dan haar geweten? Was het iets anders dan rancune, afgunst en frustratie die de mannelijke omstanders deed smalen en honen, terwijl een jonge vrouw in een gebloemd zomerjurkje op een stralende voorjaarsmorgen midden op straat onder de tondeuse werd doorgehaald en besmeurd? Waar haperde de ethische reflex die nu zo feilloos werkt bij de beeldenstroom van Aboe Ghraib?

Misschien was het de onbeschaamdheid van de vergelding, die niet onderdeed voor de verklaarde misdaad naar het lichaam van een vijand te hebben verlangd. Misschien ook vierde mijn vaderland na de Duitse capitulatie, eerder dan de herwonnen vrijheid, de triomf van de kleine moraal en de bange aanpassing. Nog geen dag bevrijd van verschrikking of het vluchtte in de benepen tucht van zijn eigen herrezen orde.

Arme moeder. Wat deed ze haar best te worden als de vrouw naast me, die zojuist van bestelling heeft gewisseld. Verstrikt in de wereld van de kleine meeloper, waarin ze haar man – mijn vader – en haar tirannieke schoonvader – de meester-schoenmaker – was gevolgd, restte haar na de oorlog weinig anders dan haar ongelakte nagels vuil te maken.

Eén keer heb ik haar een sigaret zien zien proberen te roken, te midden van halfdronken mannen die haar verjaardag vierden. Door een sigarettenpijpje. „Je wilt een vrouw van de wereld zijn”, lachte de man die haar zijn benzineaansteker voorhield. Ze nam een trekje en stikte er bijna in. Aan een tweede is ze nooit meer begonnen.

In haar plaats ben ik een verstokte roker geworden, wat nu bijna net zoveel aanleiding geeft tot verbanning uit het openbare leven als na de oorlog in de oorlog fout geweest te zijn.

Het veelbezongen ideaal van de kinderlijke onschuld, waarvan ik het verlies tot de belangrijkste winst van de volwassenheid reken, moet het stellen zonder mijn instemming. De wijsheid van de jaren verdraagt geen jong gezicht, de volheid van een leven geen babyhuidje. Niets zo ontoegankelijk als ogen die door een plastisch-chirurgische ingreep zijn losgeschroefd van de ziel.

Ze heeft haar zonnebril afgezet. Ik bots op een onthechte staar in het niemandsland van een strakgetrokken huid. Wat me net nog een mysterieuze bron van verleidelijke vragen en verborgen antwoorden had geleken, heeft zich voorgoed afgekeerd van haar generatie. En dus van mij. Ze moet wel gruwen van mijn gezicht, dat haar confronteert met een werkelijkheid die zij operatief heeft laten verwijderen.

Michel Onfray, de filosoof van het Franse hedonisme, zoekt in de cosmetische chirurgie een rechtvaardiging voor zijn verminkte perspectief van een eeuwige jeugd. Getroffen door een hartaanval en daarvan weer hersteld, meent hij dat het moderne leven ons iets heeft afgenomen. Wederrechtelijk als het ware. De tijd die hem nog rest gebruikt hij om daar aanhoudend over te reclameren. In de Kurgarten, waar weeklacht en ziektegeschiedenis het gesprek beheersen, zouden zijn denkbeelden vast en zeker met applaus zijn ontvangen, als de kuurgasten tenminste nog boeken lazen.

De waarheid is dat het leven ze niets afneemt. Ze leveren hun bagage vrijwillig in, een verlies waarover ze kunnen klagen en dat hen de gal levert waarmee ze elke opwelling van hoop en optimisme in de kiem smoren. Hun bron van vreugde is hun ontroostbaarheid. Zelfs Heines troostregel hebben ze verdrongen: „Het enige probleem van ziek-zijn is dat je leeft.”

Het zwakke applaus, amper opgewassen tegen het geklater van de fonteinen, is bestemd voor de Radetzky Mars waarmee het Kurgartenorkest zijn dagelijkse ochtendconcert heeft afgesloten. Het tafeltje naast me is leeg. Zoals het echtpaar is gekomen, geruisloos, is het weer vertrokken.

Herinneringen, eendagsbloemen in de tuin van het geheugen. Met een zachte plof springen ze open om de monotonie van de dag te komen opfleuren. Als ze niet de jicht van het ressentiment vormen, dan de godendrank van de verzoening en de troost. Het marmer van de terrasvloer onder mijn voeten was in 1938 al voor Joden verboden.

De verschijning van een vrouw, te jong nog om door de tijd en de elementen te zijn getekend, confronteert de parkbezoekers met wat voorgoed achter ze ligt. De zon straalt dwars door haar gebloemde zomerjurk heen. Lange dunne benen. Een hiel zo slank, dat Alberto Giacometti er wat voor over zou hebben gehad om hem voor één nacht te mogen bezitten.

Een epifanie, nagestaard door ogen vol verbittering en spijt, melancholie en vertedering – het hele mozaïek van verbruikte vermogens en onoverwonnen tekorten weerspiegeld in een keten van blikken. Schaamteloos belichaamt de verschijning wat de gebrekkigen van lijf en leden hier hopen te hervinden. Haar loop doet zichtbaar pijn aan hun ogen.

Afzondering, tijd en denken aan je moeder. Ik steek een nieuwe sigaret op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden