Review

In de tijd van de martelaren

Het verval van het christendom en zijn moederkerk zette in bij de Renaissance en is sindsdien onstuitbaar. In het spoor van Léon Bloy, de negentiende-eeuwse boeteprediker, hekelt Robert Lemm de aanpassing van de kerk aan de wereld en vraagt om een herstel van het heilige. 'Iedere generatie zoekt instinct matigde bij haar passende heilige; en dat is niet degene die de mensen willen, maar degene die de mensen nodig hebben. De tragiek is dat we dat altijd te laat beseffen.'

Het christendom is het beste wat de wereld is overkomen. En zoals een kaars een kandelaar nodig heeft, zo heeft het christendom de kerk nodig. Zonder Rome had het geloof zich onmogelijk kunnen ontplooien. Het leven is kort, de dood zeker, de eeuwigheid lang. Wat is mooier dan het instituut dat ons de hemel belooft?

Maar hoe 'verticaal' is de kerk nog? In de Middeleeuwen leefde men met het oog op de eeuwigheid. Met de Renaissance begon men de tijd een doel toe te dichten. Sindsdien gaat het christendom bergafwaarts. In plaats van de wereld te veroveren, wordt het door de wereld veroverd. In plaats van de wereld in de ziel te dragen, draagt de wereld de ziel weg. Na het Tweede Vaticaans Concilie verdween de ziel uit de mis-liturgie. De kerk is 'horizontaal' geworden.

De christen heeft tegenwoordig net zo de mond vol van 'rechten' als de niet-christen. Dat hij tegenover God alleen plichten heeft, durft haast niemand te zeggen. Dat de kerk nu pleit voor de afschaffing van de doodstraf en daarbij de mensenrechten inroept, is daarvan het bewijs. Het 'mea culpa' van de paus ter gelegenheid van het derde millennium houdt een knieval in voor een 'opinie' die zich sinds de Reformatie en de Verlichting heeft uitgekristalliseerd. Volgens die opinie waren de kruistochten, de inquisitie en de missie misdaden tegen de 'menselijkheid'. Als waren geschiedschrijving en filosofie exacte wetenschappen die onomstotelijke waarheden genereerden!

Wat het christendom, in het bijzonder het katholicisme, mist, zijn intellectuelen. De officiële academische instellingen die onder de christelijke vlag varen, kweken schriftgeleerden en stemmingmakers die huilen met de wolven in het bos.

Als voorbeeld noem ik de Nietzsche-cultus van de afgelopen vijftig jaar. Hoe te verklaren dat ook, en vooral, christelijke intellectuelen daaraan meedoen? Nietzsche was immers, zoniet de eerste dan toch de meest uitgesproken doodverklaarder van God. Hij preekte een dageraad van genadeloze supermensen en stelde ons de eeuwige terugkeer op aarde in het vooruitzicht. Was eens die fatale kringloop van Oudheid en Oriënt, die vicieuze cirkel, verbroken door de jakobsladder, door de rechte weg naar omhoog, thans zoeken complete volks stammen weer troost bij reïncarnatie in dit vergankelijke tranendal. En de kerk trekt niet tegen die dwaalleer ten strijde, want we leven in een multi-culti tijd die de dialoog huldigt en evangelisatie als fundamentalisme afdoet.

Langs welke statiën de scheiding tussen geloof en rede zich heeft voltrokken, is het onderwerp van mijn boek. Als eerste noem ik het humanisme, de utopische fantasie die onder het mom van 'terug naar de bronnen', besnoeiing van de uitwassen van volkse vroomheid, openlegging van de klassieken en ander zogeheten levensverfraaiing de weg plaveide naar de geseculariseerde wereld (een pleonasme) waarin wij al tweehonderd jaar vertoeven. De wetenschap zou het paradijs op de planeet herstellen en eens de dood overwinnen. De mens was mans en mondig genoeg om het zonder God te doen. Dat die droom, via de Revolutie van 1789, zou uitlopen op de wereldoorlogen, de concentratiekampen en de volkerenmoorden van de twintigste eeuw, konden de humanisten van het eerste uur niet vermoeden. Dat Nietzsche, ondanks zijn substantiële cultuurkritiek, die nachtmerrie niet voorzag, kan niet verbazen. Die riep hij juist mede op. Met zijn inruiling van alle christelijke, en humanitaire, waarden voor puur heidense passies als het uitleven van de dierlijke instincten, de wil tot macht, het recht van vergelding en het opdragen van mensenoffers, moet hij beschouwd worden als een personificatie van de Antichrist. Nadat de duistere Heidegger hem had gecanoniseerd, volgde de niet aflatende bijval van de intelligentsia, die nog des te onbegrijpelijker is in het perspectief van de recente gruwelen van '40-'45 die niemand konden ontgaan. Hoe is het dan mogelijk dat de naoorlogse schrijversgeneratie deze Don Quichot des doods en zijn met het nazisme gecompromitteerde exegeet op handen draagt? Ik kan alleen maar de conclusie trekken dat de Antichrist een legioen van nuttige blinden heeft gemobiliseerd.

Om dat legioen te pareren zijn zienden nodig die zich op andere autoriteiten baseren dan de aan universiteiten gangbare. De toenemende specialisatie op steeds kleinere gebieden maakt dat de menselijke soort over een steeds grotere hoeveelheid kennis kan beschikken, maar ook dat de individuele mens steeds minder weet. Die ontwikkeling moest, met het humanistische ideaalbeeld van de universele mens, ook het geloof in de persoonlijke onsterfelijkheid versplinteren, want hoe onwetender de mens, hoe gewetenlozer. De kloof tussen godsdienst en wetenschap heeft uiteindelijk geleid tot het onzinnige idee dat wetenschappelijk redeneren de enige ware bron van kennis is - met als reactie daartegen het geestdodende scepticisme, dat van de twijfel een methode maakt. Anderzijds had die kloof allerlei vormen van bijgeloof tot gevolg, momenteel New Age, die zich even weinig gelegen laten liggen aan de christelijke traditie als aan de wetenschap en aan ons gezamenlijk lot.

Nietzsche mag dapper de kant van de enkeling hebben gekozen, maar dan in het perverse, in elk geval vanuit christelijk oogpunt. Om hem te bezweren is dus de heilige enkeling nodig, of in elk geval de bewonderaar van heilige enkelingen. Wie op het eerste gezicht het meest aan Nietzsche gewaagd is, is Dostojevski. Bij nader inzien echter, en om redenen die ik in een volgend boek hoop duidelijk te maken, wil ik Léon Bloy voorstellen.

Dat Nietzsche al zijn academische aanhangers zou hebben uitgelachen, lijdt geen twijfel. Voor hem hoorde de denker onafhankelijk te zijn. De gezaghebbende Kant verweet hij een loonslaaf van de staat te zijn; wie hij hoogachtte was Schopenhauer, die onderscheid maakte tussen filosofen en professoren filosofie. Om een gesprekspartner van Nietzsche te zijn, hoort men vrij de heersende opvattingen te bekritiseren. Socrates, Paulus of Spinoza komen in aanmerking. Voorts moet men aan de vakspecialismen, de literatuur en de journalistiek ontstijgen. Feiten, informatie, archiefmuizerij zijn voor de geschiedschrijver niet genoeg. Alleen de profeet telt. En dat is wat Nietzsche zich voelde. Voor hem was het christendom schuldig aan onderdrukking van de gezonde levenslust; de naastenliefde was een uiting van ziekelijk naar de dood hunkerende kruipers. De christelijke beschaving gijzelde de sterken ten behoeve van de zwakken.

Beziet men deze gedachte als louter sociale kritiek, als kastijding van een vals christendom, dan heeft Nietzsche een voet tussen de deur. Zijn uithalen naar het christelende wagnerdom en naar dominees die de navolging van Christus allang zijn vergeten, vormen een opvallende parallel met de klachten van Léon Bloy over de kunst en de Kerk van Rome. Bloy is een leeftijdgenoot van Nietzsche, en net zo'n roepende in de woestijn. In de oorlog van 1870 tussen Pruisen en Frankrijk stonden ze tegenover elkaar op hetzelfde slagveld. En terwijl Nietzsche werkte aan zijn Zarathustra, zijn Antichrist en zijn Ecce Homo, werkte Bloy aan Le désespéré (De wanhopige), dat in 1887 even weinig gehoor vond als de geschriften van zijn opponent. De taal waarin beide roependen zich uiten, is identiek. Waar de ene met de hamer slaat, klapt de andere met de zweep. Maar waar Nietzsche het decadente christendom de zogenaamd heldere spiegel van de Oudheid voorschuift, betoogt Bloy dat juist door de opwaardering van die Oudheid sinds de Renaissance het christendom is ingeslapen. Nietzsche had zijn tijd mee, want vanaf de zestiende eeuw tot aan de Moderniteit heeft een onophoudelijke stoet geleerden met de Antieken gezwaaid om de Middeleeuwen voor achterlijk te verklaren. Het kan dus geen verwondering wekken dat Nietzsche, en niet Bloy, de twintigste eeuw aan zijn voeten kreeg.

Nietzsche worstelde niet met Christus, hij worstelde met de 'christelijke beschaving', waarvan hij de verdwijning aankondigde, niet voor Christus, maar tegen Christus. Hierin staat hij diametraal tegenover Léon Bloy, die de christelijke beschaving zag verdwijnen als gevolg van het loslaten van God. Bloy treurt om die teloorgang, Nietzsche lijkt er genoegen in te scheppen. Dat is precies het verschil tussen een profeet en een koorleider.

Wat het christendom havende, was zijn aanpassing aan de veranderende tijden, zijn aggiornamento. Doordat het er niet in geslaagd was te winnen, noch te sterven, verheidenste het al zieltogend. Het jezuïetisme bloedde dood na een paar groten uit zijn beginperiode, tijdens de Verlichting verloor de Kerk haar greep op de denkende elite en in de negentiende eeuw werd het christendom zoetig. De kunst gleed af door de religie niet meer te dienen, Italië maakte van de religie een verkoopartikel, Frankrijk vormde Jezus om tot wereldheerser, Jozef werd een sentimentele sul, de ultramontane mariolatrie leidde tot kitsch-vroomheid, de barmhartigheid veelde de rechtvaardigheid niet meer en men was niet langer vrijwillig arm, maar uit wrok en omdat men niet meer in de hemel geloofde. Zo kwam het socialisme, waar paus Leo XIII op inspeelde in een poging het volk terug te winnen, maar diezelfde paus schrok er niet voor terug te collaboreren met de liberalen die door zijn voorganger, de nog sterke Pius IX, waren verketterd. De Franse clerus, verzucht Bloy, houdt alleen maar van heiligen die allang dood zijn. De kunstenaar staan vanaf Baudelaire nog maar twee wegen open: 'of je pleegt zelfmoord, 'of je omarmt het kruis. De tussenweg - die van roemzuchtige estheten als Flaubert, Zola en de hele santenkraam die van het schrift een nieuwe religie maakt, en daarmee het Woord tot woordkunst verlaagt - verdient minachting.

Bloy zocht zijn denkmeesters niet onder degenen die al anderhalve eeuw het discours bepaalden. Kant, Hegel en Schopenhauer liet hij links liggen. Uit Duitsland - voorspelde hij - komt het heidendom. Hij koos daarentegen voor Joseph de Maistre, die verkondigde dat de mens te boosaardig was om vrijheid te verdragen, en die daarom de Spaanse inquisitie verdedigde tegen het Britse scepticisme dat tot de chaos der opinies, de wet van de sterkste, de uitbuiting van de arme en het economisch imperialisme moest leiden. Bloy klampte zich vast aan het apostolaat van de armoede. Wie niet gebedeld heeft, heeft tevergeefs geleefd. Zo noemde hij zichzelf de 'ondankbare bedelaar', waarbij het adjectief zijn weldoeners iedere illusie moest ontnemen. Andere titels die hij zich toeschreef waren de 'pelgrim van het Heilig Graf' en 'de pelgrim van de Absolute'. Mede omdat hij in het jaar was geboren van de verschijning van de Maagd Maria te La Salette (1846) aan een paar herderskinderen, voelde hij zich geroepen de tijden te duiden. De Geschiedenis zag hij als een door de Goddelijke Voorzienigheid geschreven tekst waarin iedere letter, iedere punt een verborgen betekenis draagt. Die verklaarde hij aan de hand van figuren als Jeanne d'Arc, Columbus, Marie-Antoinette, de vermeende zoon van de geguillotineerde koning Lodewijk XVI, Napoleon, het volk Israël, waaraan hij aparte boeken wijdde.

Wat hij de katholieken aanwreef, was hun burgerlijkheid. In zijn Exegese van de gemeenplaatsen, aforistische voltreffers die niet onderdoen voor wat Nietzsche wist te verwoorden, legde hij hun halfheid meedogenloos bloot: 'God vraagt niet zoveel', 'je hoeft niet volmaakt te zijn', 'niets is absoluut', 'armoe is geen ondeugd', 'je hoeft geen heilige te zijn', 'geld stinkt niet', enzovoort. 'Ik ken stoere burgers die Schopenhauer en Nietzsche gelezen hebben en die vrijwillig bij meneer Bergson zweren'. Die laatste donderslag mocht zijn leerling en peetzoon Jacques Maritain zich aantrekken, die Bloy diep bewonderde maar via de filosoof Bergson weer in een humanistisch christendom terugviel. God zou niet zoveel vragen. Wie hem beter begreep was de Italiaanse bekeerling Giovanni Papini, die Nietzsche en de andere filosofen afzwoer om met Bloy te zeggen 'dat wanneer wij niet tot God of voor God spreken, wij tot de Duivel spreken, en die luistert naar ons in een overweldigende stilte'. Die uitspraak is typerend voor het hele werk van Bloy. Alles wat niet over God gaat, is de literatuur onwaardig.

In ons taalgebied is Léon Bloy een onbekende gebleven, met uitzondering van zijn Nederlandse bekeerling Pieter van der Meer de Walcheren. In een 'Katholieke Literatuur van de XXe Eeuw' uit 1954 (van Dr. J. Taels) staat dat Bloy de andere katholieke schrijvers verweet 'carrière te hebben gemaakt. Een waar christen zou geen carrière moeten kunnen maken in een wereld die zich van Christus afwendt. Hij kan dat alleen maar doen tegen de prijs van een geheime capitulatie, tegen de prijs van een compromis met de wereld.' Tegen het bezwaar van de paar Bloy-kenners hier te lande dat zijn 'gevoelens te heftig zijn' valt Nietzsche in te brengen, wiens gevoelens net zo heftig zijn en die in hun kringen wél gelezen wordt. Achter hun fijngestemdheid gaat de burgerlijke schaamte schuil die Bloy in zijn boek met gemeenplaatsen op de snijtafel legde. Bloy stelde - met Thomas van Aquino, Aristoteles en iedereen met een gezond verstand - dat woeker niet alleen onnatuurlijk is, maar hij hekelde de Handel als schandelijke afgoderij. De rijken leven van het bloed van de armen en beledigen daarmee Jezus, de Arme bij uitstek. Het marxisme doorzag hij als de leer die het ressentiment voedt van degenen die alleen nog in het aardse leven geloven. De enige uitweg is de navolging van Christus. De opportunistische clerus is debet aan het verschijnsel Nietzsche, die met zijn gekruisigde Dionysus voor de twintigste eeuw de martelaar werd van het door moralisten onderdrukte levensoptimisme, of van het door Schopenhauer verfoeide idee dat men op aarde is om gelukkig te zijn. Nietzsche kon de zin van het lijden niet zien omdat hij niet in God geloofde, of hij geloofde niet in God omdat hij de zin van het lijden niet kon zien. Door met zijn gekruisigde Dionysus de dubbelganger van Christus te spelen, werd Nietzsche de aap van God. Bloy begreep dat het lijden de echte werkelijkheid is, en dat het alleen zinvol wordt met de Gekruisigde voor ogen.

Wat Nietzsche de Vrolijke Wetenschap noemt, is het treurige Rad van de Boeddha. 'Wie de berg van Christus niet wil beklimmen, wacht de Eeuwige Terugkeer', zoals Chesterton het uitdrukte.

Laat ik op deze dag van de Kruisverheffing besluiten met de bekendste uitspraak van de onbekende, thans eindelijk als profeet beschouwde Léon Bloy, aan het slot van zijn roman De arme vrouw: er is maar één verdriet, en dat is niet te behoren tot de heiligen. Die uitspraak mag, als ik me niet vergis, de hele naoorlogse schrijfkunst zich aantrekken.

De heilige is een medicijn omdat hij een tegengif is. En daarom is de heilige vaak een martelaar; hij wordt voor vergif aangezien juist omdat hij een tegengif is. Hij geneest de wereld door datgene te overdrijven wat de wereld verwaarloost, en dat is in iedere tijd iets anders. Iedere generatie zoekt instinctmatig de bij haar passende heilige; en dat is niet degene die de mensen willen, maar degene die de mensen nodig hebben. De tragiek is dat we dat altijd te laat beseffen. Wat ik in De kruisgang van het christendom aanklaag is het idee dat de wetenschappen hun eigen gang zouden moeten gaan, en dat de kerk zich alleen met het bovennatuurlijke zou moeten bezighouden. Volgens die opvatting mag de kerk theologisch gelijk hebben, maar kan ze wetenschappelijk dwalen. Zolang we wetenschappelijk bezig zijn, zeggen de christelijke academici, mogen we zeggen dat het christendom onzin is, want de feiten spreken het geloof tegen. Zodra we ons herinneren dat we christenen zijn, geven we toe dat het christendom waar is, ook al is het onzin. En zo raakt de mens gespleten, want dan zijn er twee verschillende waarheden in plaats van twee wegen die naar dezelfde waarheid voeren.

Het Geloof zal niet verdwijnen zolang de wereld bestaat. Wat verdwijnen zal, of al verdwenen is, is de christelijke beschaving, en dat betekent dat we in de tijd van de martelaren leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden