In de schaduw des Almachtigen

Een nakomertje was hij, en hij werd in de Jordaan geboren, uit katholieke ouders. Hij had in De Zaaier op de Rozengracht gedoopt moeten worden, maar door ruzie met de pastoor kwam het er niet van. Zijn broers en zusters waren wel gedoopt.

'Nou kijkt God daar wel doorheen, hoor,' zei hij, maar het zat 'm toch niet lekker, en toen hij allang na zijn pensionering met de Christelijke Reisvereniging op stap was sprak hij erover met de dominee die reisleider was. Die had een boekje bij zich met de Westertoren erop. 'Daar vlakbij ben ik geboren,' zei hij. 'Maar ik ben er niet gedoopt.'

Dat is nu dertien jaar geleden, hij was toen eenenzeventig jaar.

Met allemaal jong spul zat hij tussen de belijdeniscatechisanten. 'Ik geloof dat jullie allemaal gestudeerde mensen zijn,' zei hij. 'Ik ben maar gewoon stucadoor. Ik ben hier omdat ik gedoopt wil worden. Mijn broers en zusters zijn wel gedoopt, en mijn vrouw ook, Hersteld Apostolisch. Het is een prachtvrouw. Ze is uit de Spaarndammerbuurt. Daar zongen we vroeger bij haar thuis altijd mooie liederen bij het harmonium. Jullie moeten mij geen meneer noemen, hoor, ik heet Bertus. Bertus Voorman. In het museum noemden ze mij Le Nez, dat is Frans voor De Neus, omdat ik een fijne neus voor oude dingen heb. Ik heb heel lang in het Amsterdams Museum gewerkt, mooi oud stucwerk, daar hield ik van. Ik houd trouwens ook van modern. Maar ik wil dus gedoopt worden.'

Een klein jaar later deed hij belijdenis en knielde hij met zijn oude botten op het kleed voor de kansel om de doop te ontvangen. 'Bertus ik doop u...' Het was de eerste keer dat ik Bertus tegen hem zei, de andere catechisanten bleven ook keurig meneer Voorman zeggen.

Wat een lieve man. Hij genoot van die groep jonge mensen en die jonge mensen genoten van hem. Na afloop van de catechisatie gingen we altijd naar een kroeg op de hoek van de Westermarkt en dan kwamen de verhalen. Hij was erbij geweest toen de Nederlandse Bank gebouwd werd, hij moest de kamer van de president van stucwerk voorzien. Toen hij een keer boven op de ladder stond kwam de president dr. Jelle Zijlstra een kijkje nemen. 'Weet u wat ik nu zo graag zou willen, meneer Zijlstra? Dat als het helemaal klaar is en uw spullen staan erin, dat ik dan nog een keertje mag komen kijken.'

'Dat is afgesproken', zei dr. Jelle.

Maar hij hoorde er niets meer van. 'Jammer. Hij was het zeker vergeten. Zo'n man heeft meer aan zijn hoofd. Maar na een jaar kreeg ik een briefje. Dat hij me graag op zijn kamer zou ontvangen. Ik heb er ruim een half uur gezeten. Ik kreeg twee kopjes koffie. We hebben over van alles gepraat. Zo'n aardige man. En hij had die kamer heel mooi ingericht. Prachtig was het. Het stucwerk was ook mooi. Van die strakke lijnen. Modern. Houd ik ook van.'

Op Palmzondag 1986 deed hij belijdenis. De week ervoor zaten we met alle catechumenen in een klooster in de duinen van Vogelenzang. Ze vertelden elkaar uit hun levensgeschiedenis en over de lotgevallen van hun geloof.

Meneer Voorman zei dat hij zo dankbaar was voor dit jaar. Voor al die jonge mensen die zo aardig voor hem waren. Dat hij het verdrietig vond om afscheid van ze te moeten nemen. 'Wij zijn ships that pass in the night,' zei hij.

Hij sprak over zijn geloof. Over de Trooster, sprak hij. Over dat hij getroost geleefd had en getroost zou sterven.

Geen taal die de anderen spraken. 'De Trooster, wie is dat?'

Meneer Voorman legde het even uit. Het was heel ontroerend.

'Misschien bent u onze Trooster wel,' zei een meisje.

'Een Prooster,' zal je bedoelen, riep meneer Voorman. Hij zei dat hij helemaal niet zo gelovig was. 'Dàn is het halleluja en dàn lig je ineens voor Pampus.'

Hij wou ook nog even zeggen dat hij die moderne bijbeluitleg van mij maar niks vond. 'Maar u hebt zelf gezegd dat ik het op mijn manier mag geloven, dat daar niks tegen is, nou, dat doe ik dan ook. Jullie mogen dat best geloven, hoor, wat de dominee verteld heeft over de Rode Zee en zo, maar ik geloof dat Mozes daar echt doorheen is gegaan. Ik geloof dat dat boek van kaft tot kaft Gods woord is. En dat is toch goed, hè, dat ik dat zo geloof? Ik geloof in het wonder.'

Een paar weken geleden kreeg ik een briefje van zijn vrouw. Haar man was ernstig ziek en of ik hem misschien nog een keertje kon opzoeken. Haar man wist niet dat ze schreef, ik zou het wel te druk hebben met mijn boek, dat begreep ze best, maar dan zou het een teleurstelling zijn, als ik niet kon.

Het was een blij weerzien. 'Je raadt nooit wie hier naast me zit,' zei hij in tranen tegen zijn vrouw die halverwege het bezoek opbelde. Maar die kon het wél raden.

'Weet u wie ik hier ook ontmoet heb? U kent hem. Hij zei dat hij u kende. U bent samen een keer voor de radio geweest. Weet u wie? De bisschop van Haarlem. Hij kwam voor een mevrouw die in het bed hiernaast lag. Een wijze vrouw. Ik heb zoveel van die vrouw geleerd. En de bisschop kwam haar opzoeken. Hij maakte ook even een praatje met mij. Toen hij wegging gaf hij die mevrouw de zegen. En daarna kwam hij bij mij en toen kreeg ik ook de zegen. Vindt u dat niet mooi?'

'Ja,' zei ik, 'dat vind ik heel mooi. Uw ouders moesten eens weten. Ruzie met de pastoor maar tenslotte de zegen van de bisschop.'

We haalden herinneringen op en spraken over de dood. En over de Trooster die aan de overkant op hem wacht. 'Dwars door het water van de dood, net als Mozes door de zee.'

'Ja,' zei hij, 'zo is dat.'

Ik legde hem de handen op en gaf hem de zegen.

Ik hoopte hem nog terug te zien, maar zijn toestand verergerde plotseling en hij kreeg veel pijn. 'God is altijd bij me geweest,' zei hij tegen zijn vrouw, 'maar nu is hij er niet.' Mijnheer Voorman lag voor Pampus. Korte tijd later stierf hij. Ze waren bijna zestig jaar getrouwd geweest.

'Gaat u nog wel eens naar de kerk?' vroeg ik zijn vrouw. 'Nee,' zei ze. 'Want dan moet ik altijd huilen. Dan hoor ik weer de liederen die mijn vader speelde, bij ons thuis, als we dan samen zongen. Toen mijn man belijdenis deed heb ik ook de hele dienst zitten huilen.'

Aan de muur hing een prachtig klein schilderij. 'Wat is dat mooi,', zei ik.

'Dat is een Mesdag,' zei mevrouw Voorman. 'Het is de moeder van de schilder. Zijn vader heeft hij ook geschilderd, die hangt in het Museum Mesdag.'

'Een Mesdag?'

'Ja, die hebben we een keer op de kop getikt in een uitdragerij.'

'Daar had uw man een neus voor, hè?'

'Nee, dat ben ik. Ik heb daar een neus voor. M'n man pronkte wel eens met mijn veren. Vond ik niet erg, hoor. Ik liet het maar zo.'

'Wat zullen we lezen, op de begrafenis?'

'Psalm 91,' zei ze. 'In de Statenvertaling.'

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zoo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op eene hoogte stellen, want hij kent mijnen naam. Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem mijn heil doen zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden