null Beeld
Beeld

PoëzieJanita Monna

In de poëzie van Tom van Deel staat de wereld even stil

Of herinneringen van ongeveer een kwarteeuw oud nog te vertrouwen zijn? Misschien nooit helemaal. Maar de stilte die ik hoor als ik terugdenk aan de poëziecolleges van Tom van Deel, die was er echt.

We hadden net geluisterd naar Van Deels kalme stem. Hij had een gedicht voorgelezen, iets van Vestdijk, van Nijhoff. En voordat we over dat gedicht zouden gaan praten, voordat we bedachtzaam, stap voor stap zouden kijken: wat gebeurt hier nu eigenlijk in taal, was er die stilte. Een kleine pauze waarin de woorden voorzichtig konden neerdalen.

Tom van Deel overleed afgelopen jaar. En hij deed zoveel meer dan generaties studenten enthousiast maken voor poëzie. Hij schreef jarenlang kritieken voor deze krant, en daarbij, hij was dichter. Hij publiceerde spaarzaam, met soms grote tussenpozen en hij liet uiteindelijk ruim 200 gedichten na.

Uit dat bescheiden oeuvre stelden vrienden Nicolaas Matsier en Marjoleine de Vos een kleine bloemlezing sa­men, ‘Een steen in de beek verveelt zich niet’.

Bij het lezen daarvan ervoer ik eenzelfde soort stilte.

Versjes

‘Versjes’ noemde Van Deel zijn gedichten, aldus Matsier en De Vos, en langer dan een regel of tien zijn de gedichten zelden. Woorden staan als blokjes op de pagina, als een schilderij aan een witte muur. Daarbinnen staat de wereld even stil, is een kort moment uit de tijd gelicht.

Het oeuvre volgt in deze bloemlezing geen chronologische lijn. Associatie bepaalt de volgorde van de gedichten, en zo is het werk min of meer thematisch gerangschikt. Een gedicht dat herinnert aan E. du Perron opent de bundel. Een foto in woorden, een kiekje van een baby, een ‘Stralend witte mummie in een trappelzak’. Het leven en alles wat dat nog zou brengen, en de dood zijn hier in één enkele regel samengebracht.

In Van Deels verstilde taferelen is plaats voor persoonlijke onderwerpen. Zo komt zijn moeder, ze overleed toen hij negen was, vaker terug. Ze leeft voort op een verjaardagskalender, ‘in geen jaren meer / jarig geweest’.

Maar minstens zo aanwezig is de natuur en alles wat die in zich heeft – vogels, stenen, water, een rivier, een waterval.

Van Deel brengt het gesnater en geklater op papier tot stilstand. “Hier is tot staan gekomen / wat zich meest verzette.” Hij zoomt in op sneeuw die van een tak valt, op een iep die gekapt moest, en reikt zo naar iets daarbuiten, naar iets ongrijpbaars, iets groters. Hij observeert: “Het water kon de spiegeling / niet binden”. Door de taal te vertragen, met woorden vol aa’s, en ee’s en ‘oo’s, lange klanken die kalm door de regels stromen, maakt de dichter aanwezig wat afwezig is. En dat kan ook de markt op zondag zijn: “Verlaten de straat, verdwenen / de kramen, de koopwaar, het leven / dat druist en vertiert. (…) Missen is echt het bewijs van zijn.”

Een steen

Een steen in de beek verveelt zich niet,

water glijdt langs en groet vluchtig,

hij blijft in beweging van denken, omspoeld

door suggesties, geduldig geslepen. Daar

ligt hij, vast in de bocht, schijnt de zon

een vrolijk tafereel: een steen die zich

niet verveelt, die ziet hoe het toegaat,

verandert, verdwijnt en aldoor bestaat.

Tom van Deel

null Beeld
Beeld

Tom van Deel
Een steen in de beek verveelt zich niet. Een keuze uit de gedichten.
Samenstelling en nawoord: Nicolaas Matsier en Marjoleine de Vos. Querido; 79 blz. € 10

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden