In de oppositie zitten wordt aantrekkelijk: wel de lusten, niet de lasten

Een Groningse actiegroep tegen grote windmolenparken bekladde vorige week meer dan tweehonderd verkiezingsborden in de provincie.Beeld Kees van de Veen

Een politieke partij die invloed wil, hoeft niet meer op zoek naar macht. In dit tijdsgewricht blijkt gedogen veel aantrekkelijker.

Het kan verkeren, in de politiek. Tussen groepen waar eens een diep ravijn van onbegrip gaapte, kan het jaren later koek en ei zijn. Wie heeft het nu nog over het verschil tussen confessionele en niet-confessionele partijen?

Niemand, terwijl dat onderscheid in de tweede helft van de negentiende eeuw allesbepalend was. Samenwerking tussen partijen met een religieuze basis - de confessionelen - en de liberalen was onbestaanbaar. Eén van de confessionele partijen, de anti-revolutionaire partij, had dat uitgangspunt zelfs in de naam.

Progressief en conservatief
Tegenstellingen komen en gaan. Confessionelen en liberalen ontdekten zelfs dat het goed samenwerken kon zijn, toen door de tijd eenmaal de scherpe randen van de tegenstelling geslepen waren en tegelijk een veel nijpender tegenstelling ontstond: die tussen arbeid en kapitaal: tussen links en rechts.

Maar ook die tegenstelling erodeerde. Het verschil werd kleiner door de ontwikkeling van sociale wetgeving en uiteindelijk de geboorte van de verzorgingsstaat. Toen was het niet meer links tegen rechts, maar maakte dat verschil plaats voor een nieuw onderscheid: dat tussen progressief en conservatief.

Ook dat telt niet meer. Links en rechts, progressief en conservatief, het is verleden tijd. De politiek is niet meer in te delen in grote blokken. Na het verdwijnen van de grote ideologieën in de politiek zijn ze verkruimeld. Hoe verder de tijd richting de dag van vandaag vorderde, hoe meer politiek veranderde in een gevecht om de instrumenten. Om de doelen gaat het niet meer, die zijn vrijwel over de volle breedte aanvaard.

1967
Iedereen wil volledige werkgelegenheid, een gematigde inkomensverdeling, gezonde overheidsfinanciën en, op zijn tijd, eventueel wat meer duurzaamheid. Het gaat nu om het hoe. Heel anders dan men in het verleden vocht om overheidsbekostiging van bijzonder onderwijs of, om een andere dwarsstraat te noemen, socialisatie van de productiemiddelen.

Met het verdwijnen van de ideologieën en daarmee van de grote contrasten verdwenen ook politieke partijen die elke verkiezing domineerden. In 1967 werd de Nederlandse politiek nog overheerst door de Katholieke Volkspartij, de KVP. Dat jaartal is niet helemaal willekeurig gekozen. Vlak ervoor zit de stichting van de eerste partij, D66, die expliciet zei niet te werken vanuit een politieke ideologie. Vlak erna volgden de studentenopstanden, de drang naar democratisering en de afronding van de verheffing van de arbeidende klasse.

Beeld Kees van de Veen

De KVP haalde bij de Kamerverkiezingen van dat jaar 26,5 procent van de stemmen, meer dan een kwart. Samen met de twee andere confessionele partijen, ARP en CHU, kwamen de katholieken uit op ruim 34 procent. Vlak daarna volgde de PvdA met ruim 23 procent van de stemmen, de VVD scoorde in dat tijdperk een vertrouwde 10,7 procent. Samen waren de drie blokken goed voor bijna driekwart van de stemmen.

Afbrokkelende machtsblokken
Nu is dat bijna ondenkbaar. Afgelopen woensdag bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Eerste Kamer kwam de VVD uit op een kleine 16 procent, de PvdA op 10 en het CDA - opvolger van de KVP - op bijna 15 procent. Gezamenlijk nog net meer dan een derde van alle uitgebrachte stemmen.

Dat Nederland geregeerd wordt door een coalitie van twee partijen is eigenlijk het gevolg van een breuk in de trend van afbrokkelende machtsblokken. In 2012 waren VVD en PvdA in een dermate spannende strijd om de macht verwikkeld dat het de kiezer inspireerde nog één keer in groten getale voor één van die twee partijen te kiezen.

De VVD werd de grootste partij in de Kamer met ruim 26 procent van de stemmen. De PvdA deed daar nauwelijks voor onder met bijna 25 procent. Het derde blok uit 1967, inmiddels dus CDA geheten, voldeed wel aan de trend van de tussenliggende jaren. Die kwam in 2012 uit op ruim 8 procent. De grote blokken waren, ondanks de verrassende uitslag voor VVD en PvdA niet meer, zoals in 1967, goed voor driekwart, maar voor minder dan tweederde van de stemmen.

Nu, drie jaar later, is het gevolg van de trend goed te zien. Om aan driekwart van het totaal aantal uitgebrachte stemmen te komen zijn niet, zoals in 1967, drie partijen nodig, maar het dubbele. De versplintering in de voorkeur van de kiezer zorgt ervoor dat bij de machtsblokken de stemmen van D66, de PVV en de SP opgeteld moeten worden.

Beeld Kees van de Veen

Er is ook een andere invalshoek mogelijk. Links en rechts zijn dan wel sleetse begrippen in de politiek, maar twee partij afficheren zich nadrukkelijk langs deze tegenstelling. De SP is het geweten van links, terwijl de PVV het echte rechtse sentiment zou vertegenwoordigen. Alle andere partijen vormen dan het politieke midden, al zullen aanhangers van GroenLinks en de Partij voor de Dieren zich vast niet in dat etiket herkennen.

Het is druk in dat midden en ook nog eens druk met partijen die min of meer gelijkwaardig zijn in grootte. De kleinste van die zes, de PvdA, heeft niet meer dan 10 procent, de grootste, de VVD nauwelijks 5 procent meer.

Wen er maar aan
Coalities vormen terwijl er zoveel partijen van vergelijkbare grootte zijn, wordt niet gemakkelijker. Meerderheden zijn minder eenvoudig te realiseren dan in de goede oude tijd. Inmiddels hebben we twee kabinetten gekend in de periode na de Tweede Wereldoorlog, die met minderheden dienden te werken. Het eerste kabinet-Rutte in de Tweede en Eerste Kamer, het tweede met voor en na de Statenverkiezingen een minderheid in de Eerste Kamer.

Premier Rutte waarschuwt er al langer voor: wen er maar aan. Coalities met een comfortabele meerderheid in beide Kamers zullen een zeldzaamheid worden. Althans: zolang de overtuiging blijft bestaan dat een coalitie uit hoogstens drie partijen moet bestaan.

Het electoraat per partij zal zo klein zijn, dat minderheidskabinetten eerder regel dan uitzondering zullen zijn. En hoe moet het dan? De minderheidskabinetten kunnen per onderwerp en per voorstel op zoek gaan naar meerderheden, maar het tweede kabinet-Rutte heeft bewezen hoe onvoorspelbaar de uitkomst dan wordt.

Bij het begin van dit kabinet veronderstelden VVD en PvdA dat ze wel met wisselende meerderheden in de Eerste Kamer konden werken, maar al snel kwamen ze van een koude kermis thuis. Al bij het eerste het beste belangrijke voorstel - rond hervormingen van de woningmarkt - ging dat plan de mist in.

Het zal anders moeten. Samsom en Rutte vonden uiteindelijk een vorm van vaste gedoogsteun die het werkbaar maakte. CDA-leider Sybrand van Haersma Buma deed en doet daar niet aan mee. Omdat, zo stelt hij bij herhaling, dit land ook een oppositie nodig heeft, Maar wat is nog het wezenlijke verschil tussen oppositie en coalitie? Ook het CDA, als een echte middenpartij, steunt immers het overgrote deel van de voorstellen van het kabinet.

Niet afgerekend
Sterker, het wordt langzamerhand aantrekkelijker voor een partij om in de oppositie te zitten dan deel uit te maken van de coalitie. In elk geval word je door de kiezer niet afgerekend op het dragen van regeringsverantwoordelijkheid, zoals de afgelopen vijftien jaar traditie geworden is. Terwijl de partij die bereid is te gedogen, kan rekenen op meer dan genoeg invloed. Wel de lusten, niet de lasten. Dat worden nog vertoningen de eerstkomende formaties. Het wordt dermate onaantrekkelijk om ook echt regeringspartij te worden dat partijen straks wellicht gedwongen moeten worden aan de formatietafel plaats te nemen.

Belangrijk positief effect van de versplintering en de verwatering van het onderscheid tussen oppositie en coalitie is de toenemende invloed van het parlement op het beleid. Veroordeeld worden tot oppositie betekende in het verleden nauwelijks of geen invloed, nu kan de invloed maximaal zijn.

Voor de pleitbezorgers van een machtig parlement een aantrekkelijk perspectief. Vrijwel altijd wordt daar vervolgens de verwachting aan gekoppeld dat het debat in de Kamer opener en daarmee spannender wordt. Dat is echter maar de vraag. Het proces van geven en nemen tussen regerings- en gedoogpartijen speelt zich nu al zelden in de openbaarheid af. Het ziet er eerder naar uit dat voor al die onderhandelingen over wel steunen of niet, het aantal achterkamertjes te klein is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden