In de naam des heren en des gewins

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET NEDERLANDS GENOOTSCHAP TER BEVORDERING EN VERBREIDING VAN NUTTELOZE KENNIS. OPGERICHT 14 JULI 1989 TE AMSTERDAM. VOORZITTER:JAN KUIJK, SECRETARIS/PENNINGMEESTER: RUUD VERDONCK, LID: ROB SCHOUTEN. 4e JAARGANG NUMMER 29

Aan tafel gezeten zag de koopman, dat er gedekt was met servetten en knuppels, voorwaar een vreemd gezicht. Hij vroeg zich benauwd af, wat er op het menu stond. De knuppel bleek er te zijn om de muizen te verjagen, die ongenood op de maaltijd afkwamen. Na een onrustig diner ging de koopman naar zijn schip. De volgende avond at hij weer bij de koning. Maar toen de muizen kwamen, haalde de koopman de scheepskat uit zijn mouw, die in een ommezien zesendertig muizen ving en de rest verjoeg.

'Dit dier is door God gezonden!', riep de koning. En de koopman schonk hem de kat. Enkele dagen later voer de koopman uit. Voor zijn vertrek ontbood de koning hem nogmaals en gaf hem juwelen ter waarde van vierduizen scudi (een fortuin: halverwege de vijftiende eeuw; in de dichtstbijzijnde aanwijzing, die ik vond, verdiende een geschoolde arbeider per jaar zo'n vijftig a zestig scudi).

Het jaar daarop kwam de koopman met een kater en ontving zesduizend scudi. Toen de koopman thuiskwam, was hij een rijk man. Zijn naam was: Francesco di Marco Datini.

Avignon

Dit verhaal wordt sinds de veertiende eeuw tot op de dag van vandaag verteld aan de kinderen van Prato, een klein plaatsje dicht bij Florence. Of het waar is? Wie weet, maar de koopman heette niet Francesco di Marco Datini. Datini was wel een koopman uit Prato, waar hij in 1335 of iets eerder werd geboren, maar hij reisde nooit verder dan Avignon, waar hij op zijn vijftiende heen trok, om zijn fortuin te maken.

Francesco Datini vertrok als zoon van een arme herbergier en keerde jaren later indrukwekkend rijk terug in Prato. Vandaar dat de slimme koopman uit de legende zijn naam kreeg. Iemand, die met zo'n kapitaal terugkwam, moest het wel op bijzondere wijze hebben verdiend.

In werkelijkheid was Datini niets bijzonderder dan andere succesvolle zakenlui. Hij had een goede neus voor handel. In Avignon, waar in die jaren het pauselijk hof zetelde, waren veel ridders, en buiten de stad werd zuid-Frankrijk geteisterd door Engelse en Bretonse huurlingen. Het was duidelijk: Datini begon als wapenhandelaar, en hij had er geen problemen mee zijn malienkolders, vizierhelmen en pantserhandschoenen aan beide partijen in de FransEngelse Honderdjarige oorlog, maar dat wisten ze toen nog niet, te leveren.

Datini breidde zijn zaken tamelijk snel uit. Hij importeerde en verkocht laken, zijde, zout, specerijen en kunstvoorwerpen - 'een paneel van Onze-Lieve-Vrouwe, tegen een achtergrond van fijn goud, met twee luiken (. . .) van de hand van de beste schilder'. Hij was echter niet, wat men in Prato ook mocht denken, een van die grote internationale handelaars, die bankierden voor de paus en over heel Europa filialen hadden. Wanneer Francesco bijvoorbeeld Engelse wol kocht, deed hij dat via de Londense vestiging van een van die grote Italiaanse kooplui. Datini's vertegenwoordigingen waren kleiner en dichter bij huis.

Testament

Dat hij een kleinere zaak had, heeft hem ervoor behoed groots ten onder te gaan. De grootste firma's leenden geld aan vorsten en financierden oorlogen, dat gaf macht en prestige. Koningen hadden echter de vervelende gewoonte om de zoveel tijd failliet te raken, en dan sleepten ze verschillende bankiers mee naar de ondergang. Datini verspreidde echter zijn risico's over veel kleine ondernemingen en bouwde beetje bij beetje zijn fortuin. Geen grote coups, maar ook geen rampzalige tegenslagen.

Dat juist deze koopman van al die grotere en kleinere handelaars nog bekend is, komt door zijn testament. Het maakte hem geliefd en vermaard. In Prato omdat hij zijn fortuin aan de armen naliet - elk jaar wordt nog van zijn nalatenschap uitgedeeld - en bij economen en historici over de hele wereld om wat hij verder bepaalde dat bewaard moest blijven: vijfhonderd registers en kasboeken, driehonderd vennootschapsacten, vierhonderd verzekeringspolissen, duizenden vrachtbrieven, wissels en cheques, honderdnegentwintigduizend zakenbrieven en elfduizend persoonlijke brieven.

Een onuitputtelijke bron van informatie over de handel en wandel van een veertiende-eeuwse zakenman. Over de economische kant van Datini's leven zijn verschillende studies verschenen, en Iris Origo heeft over zijn huiselijke leven het boek De koopman van Prato geschreven.

Francesco Datini bemoeide zich met alles. Zijn handelsagenten, zijn zakenpartners, de fattori die zijn filialen in Florence, Pisa, Genua, Barcelona, Valencia, Ibiza en Mallorca beheerden, iedereen werd haarfijn uitgelegd hoe hij het hebben wilde, en waarop hij even nauwgezette informatie als antwoord verwachtte. Tot op hoge leeftijd schreef hij elke brief zelf en zat hij uren, soms dagen, achtereen op zijn kantoor.

Het laken

Zaken als de Honderdjarige oorlog, hongersnoden, pest en overstromingen werd door kooplieden bekeken met een handelsoog. Wanneer hongersnood dreigde omdat troepen van de Visconti vlak voor de oogst Toscane binnentrokken, werd er niet aan verdediging gedacht, maar graan uit Genua ingekocht om in de schaarste duur te kunnen verkopen.

De keerzijde was, dat zakendoen onzeker werk was. Piraten, muitende soldaten en stormen op zee bedreigden die kostbare handelswaar op bijna elk punt van zijn lange reis. En de reis was lang: in de lakenhandel kon er drieenhalf jaar verstrijken tussen het plaatsen van de bestelling van wol en het verkopen van de laatste lap stof. De schapen werden geschoren, de wol vervoerd, geslagen, geplukt, gevet, gewassen, gekamd, gekaard, gesponnen, geweven, genopt, gedroogd, gekaard, geschoren, geverfd, weer genopt en geschoren, geperst, gevouwen, verpakt en naar de vier windstreken verzonden, op zoek naar gunstige markten.

Datini zorgde ervoor, dat hij van elke wederwaardigheid van zijn zaken op de hoogte was, maar niet al zijn concurrenten waren zo ver als hij in correspondentie en boekhouding. 'Vier van de zes hebben niet eens een kasboek of een inktpot', schreef hij verontwaardigd, 'en als ze wel inkt hebben, zijn ze niet in het bezit van een pen.'

Memoralia

Alle posten werden zowel bij de activa als de passiva geboekt: de dubbele boekhouding, die toen, omdat alleen een aantal Italiaanse handelaren dit systeem kenden, bekend stond als 'Italiaans boekhouden'. Datini stelde het verplicht in zal zijn filialen.

Inkomsten en uitgaven kwamen eerst in quaderpacci di ricordanze, de afschriftboeken, waarin ook notities, opmerkingen en zelfs het nieuws van de dag werd opgeschreven. In de memoralia werd daarna de informatie uit de ricordanze meer geordend opgetekend.

Daarnaast waren er libri d'entrata e d'uscita voor de uitgaven van de kleine kas, boeken van pakhuizen met hun inventaris, laadbrieven en kwitanties, kasboeken van filialen, salarislijsten, en Datini's prive notitieboekjes. In principe mocht een koopman deze priveboeken, waarin persoonlijke uitgaven, winsten, berekeningen van aandelen en vennootschapsacten stonden, voor zichzelf houden. Toen Florence in 1401 de belastingambtenaren alle kasboeken liet opvragen, dus ook priveboeken, vond men dat een schaamteloze actie.

Tot slot was er het libre grandi, het grootboek, dat op de 'Italiaanse manier', dus met dubbele boekhouding werd gevoerd. Op de eerste pagina van elk grootboek stond: 'in de naam van de Heilige Drievuldigheid en alle Heiligen en Engelen des Hemels' of: 'in de naam des Heren en des gewins.'

Nicolaas Klei

Van het bestuur

Guten appetit!

Gerhard Worgt waarschuwt zijn lezers voor woorden, die zij niet in de 'volle omvang van de betekenis' kennen, begint afnemer Gerrit Noordzij te Tuil zijn reactie op de studie 'Wir amusieren uns gut' in ons O. O., vierde jaargang nr 28. En hij vervolgt:

Dat mogen dan allereerst zijn Duitse studenten ter harte nemen, die er schaterend blijk van geven de uitdrukking flach wie ein Pfannkuchen niet te kennen.

Het is wellicht praktischer om het advies van Worgt naast ons neer te leggen. Anders moeten wij bijna elk woord twee keer omdraaien. Voor sommige Duitse woorden geldt dat letterlijk. Flieder en Holunder betekenen vlier en sering, maar sering en vlier als u een paar stations verder uit de trein stapt.

Het doorwrochte vertoog over Pfannkuchen vereist nog enige aanvulling. Het staat allerminst vast, dat een Berliner Pfannkuchen een oliebol is. De Berliner Pfannkuchen kan in elk geval een met frambozenjam gevulde montage van twee lagen deeg betreffen, die op de plaat of in de frituur gebakken wordt. Dat laatste heeft de Berliner weliswaar met onze oliebol gemeen, maar daar kunnen wij geen grote betekenis aan toekennen, omdat patat ook binnen deze overeenkomst valt.

Voor onze pannekoek is het Duitse woord Fladen misschien wel het beste equivalent. In de Alemanische taalgemeenschap komt dit woord echter uitsluitend in de vorm van Fladle voor. Hoewel dit woord waarschijnlijk een hogere frequentie heeft dan Fladen staat het niet in het grote woordenboek van Duden en ook niet in het Duitse woordenboek van Van Dale (dat een grotere woordenschat bestrijkt dan Duden).

Van Dale geeft wel de Dampfnudel dat in de Duden ontbreekt. De Dampfnudel, en de aufgezogene (gerezen) Dampfnudel nog meer dan de wahre Dampfnudel, staat onze oliebol nader dan welke Berliner Pfannkuchen ook. Het saillante verschil is, dat de Dampfnudeln, behalve uiteraard gebackene Dampfnudeln, niet gebakken wordt, maar gestoofd of gestoomd.

Van Dale verdient bijzondere waardering voor de exclusieve vermelding van de stevige staande uitdrukking sie geht auf wie eine Dampfnudel. Dat wordt inderdaad gezegd als iemand dik wordt, maar het betekent natuurlijk niet, zoals Worgt meent, hij rijst als een oliebol, want dat betekent niets.

Ik vraag mij trouwens af of hij in de volgende vraag de 'volle omvang van de betekenis' kan doorgronden van de woorden die hij ongetwijfeld bezigt: Wie wird der lebende Titel umgebrochen? Toegegeven, deze vraag houdt geen onmiddellijk verband met de Duitse pannenkoekenkunde waartoe ik een bescheiden bijdrage heb willen leveren.

De sectie 'culinair genot - afdeling toetjes' van het bestuur van het NGTBEVVNK tekent hierbij aan:Dampfnudeln (haar vertaling: 'warme gekookte bollen') kunnen volgens de gereputeerde Mia Snelders in haar boekje '50 Culinaire avonturen uit Duitsland' vergeleken worden met onze ouderwetse 'Jan in den zak'. Dit laatste recept kunnen we in het standaardkookboek van C. J. Wannee, uitgave 1910, terugvinden in het hoofdstuk 'Warme puddingen'.

Voor Dampfnudeln heeft men nodig: 500 gram bloem, 100 gram suiker, halve theelepel zout, 30 gram gist, 2,5 deciliter lauwe melk, 2 eieren, geraspte schil van een halve citroen en 50 gram gesmolten, vloeibare en afgekoelde boter.

Bloem, suiker en zout mengen. Gist met een beetje suiker tot een glad papje roeren. Gist in het kuiltje van bloem, suiker en zout gooien, beetje bloem erover scheppen en een kwartier op de bekende lauwwarme plaats laten rusten. Dan is het tijd om even alles door elkaar te mengen, en er melk, eieren, citroen en boter aan toe te voegen. Weer een uur rijzen. Maak er een rol van, snij gelijke stukken af, maak daar bollen van en zet ze weer voor een half uur op uw lauwwarme plek.

Men nemen vervolgens een grote braadpan, en giet daar weer 2,5 deciliter melk in, benevens 30 gram boter en 30 gram suiker. Breng dit aan de kook, leg er de bollen in en wel zodanig dat ze nog iets kunnen rijzen. Leg een doek over de pan, doe er een goed sluitend deksel op en laat de bollen bij matige hitte in een half uur gaar worden. Ondertussen niet in de pan kijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden