In de massa het eenzaamst

Hoewel de zwarten in zijn buurt hem als 'brother' beschouwen ('Ik ben ook Afrikaan, man'), wordt hij toch door twee van hen beroofd

Teju Cole slaagt er bijzonder goed in het moderne stadsgevoel te vangen: iedereen zoekt vergeefs naar aansluiting

Wat onze ouders nog niet voor mogelijk hielden, is in de 21ste eeuw een feit: de helft van de wereldbevolking woont in de stad; over een halve eeuw schijnt dat zelfs zeventig procent te worden. Welke invloed heeft de stadse omgeving op onze levens? Moeten we onze ideeën over de stad als verderfelijke, op z'n minst 'onnatuurlijke' leefomgeving niet eens herzien?

Daarover verschillen de meningen. Stadsoptimisten vinden we vooral onder planologen, architecten en hogere ambtenaren. Zo ziet Jaime Lerner, oud-burgemeester van de razendsnel groeiende Braziliaanse voorbeeldstad Curibita, vooral voordelen: "Het is in onze steden dat we de grootste vooruitgang kunnen boeken voor een vreedzame samenleving, om met optimisme in plaats van met angst uit te kijken naar de verstedelijkte wereld van morgen." Gereserveerdere geluiden klinken er ook. De Britse natuurkundige Geoffrey West pleit bijvoorbeeld voor serieus onderzoek naar urbanisering, om de problemen die verstedelijking met zich meebrengt het hoofd te kunnen bieden: "En dan komen we erachter of onze beschaving een duurzaam concept is, of slechts een experiment van tienduizend jaar, een kleine ziekte in de geschiedenis van de aarde."

Schrijvers hebben de stad al veel langer op de agenda staan, en dat op een manier die nogal verschilt van Lerners optimisme. In de Oudheid zongen dichters als Theocritus en Vergilius de lof van het landelijke leven, en gaven af op het verderf dat de stad in zich borg. In de 19de eeuw beeldden romanciers als Dickens en Zola de metropool uit als een genadeloos monster dat zijn inwoners verzwolg. In de twintigste eeuw was het al niet anders. Vooroorlogse auteurs als Alfred Döblin en John Dos Passos schilderden het dagelijkse leven in Berlijn en New York in tamelijk sombere kleuren. En onze tijdgenoot Milan Kundera doet hetzelfde in zijn succesroman 'De ondraaglijke lichtheid van het bestaan': het liefdespaar Tomas en Tereza wordt pas gelukkig als ze Praag de rug hebben toegekeerd, om hun heil te zoeken op het Tsjechische platteland. Zelfs een schrijver als Orhan Pamuk, die met zo veel liefde en inleving over Istanboel schrijft, ervaart zijn geboortestad vooral als een oord dat doortrokken is van hüzün, melancholie, een gemoedstoestand waartegen de inwoners zich voortdurend te weer moeten stellen, zonder dat ze zich er van kunnen bevrijden.

Het pastorale genre dat het platteland verheerlijkt, kan op weinig waardering rekenen van planologen, architecten en sociologen die greep proberen te krijgen op de dynamiek van de stad. Een typerende reactie op zulke boeken komt van George Brugmans, directeur van de Vijfde Internationale Architectuur Biennale Rotterdam: "Ze zijn toch meestal geschreven door van zware landarbeid vrijgestelde stadsmensen die naar het platteland trokken om er door een roze bril naar te kijken? Serieus, wat rest er nu dan van het omliggende land? In de hele wereld trekken mensen daar weg omdat het beter is arm te zijn in de stad dan op het platteland. Dat is een gegeven, dus laten we niet romantisch doen."

Is het beter om arm te zijn in de stad dan op het platteland? De demografie wijst daar wel op: de trek naar de grote stad zet door. Maar hoe wordt dat stadsbestaan, dat zo diep ingrijpt op de levens van zoveel wereldburgers, eigenlijk beleefd? Dat blijft toch het terrein van de schrijver, en de erflaters van Dickens, Zola, Döblin en Dos Passos laten zich gelukkig niet onbetuigd. Veel jonge schrijvers proberen de 21ste eeuw te doorgronden 'door de bril van de stad', om met George Brugmans te spreken.

Een prachtig voorbeeld is 'Open stad', de debuutroman van Teju Cole (1975), in Nigeria geboren maar al 20 jaar in Amerika wonend. New York ervaart hij als een vanzelfsprekende biotoop, hoewel hij op straat meestal wordt aangezien voor een immigrant. Dat lot deelt hij met zijn hoofdpersoon, de jonge arts Julius, zoon van een Nigeriaanse vader en Duitse moeder. Hoewel de lokale zwarten hem als 'brother' beschouwen ('Ik ben Afrikaan, man, net als jij') heeft hij met hen niet meer gemeen dan met andere Amerikanen.

Te midden van het buitengewoon diverse stadsconglomeraat blijken mensen hardnekkig op zoek naar wat hen verbindt, ook al is dat in feite weinig meer dan het gezamenlijk gevoel buitenstaander te zijn. Maar ook dat is geen garantie op verbondenheid, en dus kan het zomaar gebeuren dat Julius door twee van zijn eigen broeders wordt aangevallen en beroofd.

Iets soortgelijks overkomt ook de ik-figuur van Alain Mabanckou's verhaal 'Voortvluchtig', te vinden in de internationale bloemlezing 'Naar de stad', samengesteld door Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke. Mabanckou's personage reist zonder kaartje in de Parijse metro en wordt na te zijn betrapt achternagezeten door een zwarte en twee blanke controleurs. Tot zijn verbijstering wordt hij, nadat de blanken het hebben opgegeven, uitgerekend door de zwarte een hoek in gedreven en aan de politie overgeleverd.

Teju Cole's roman raakt overigens nog veel meer aspecten van het 21ste-eeuwse grote stadsleven. Zoals uit de titel blijkt, onderzoekt Cole het hele fenomeen van de 'open stad', die gekenmerkt wordt door een grote hoeveelheid nationaliteiten, godsdiensten, talen en culturen én door een zekere van vrijheid en flexibiliteit. Gemeenschappen die in een minder dynamische omgeving gesloten blijven, worden hier opengebroken.

Voor nieuwkomers is dat niet makkelijk: ze vinden moeilijk hun draai, terwijl de gesettelde inwoners zich door de open stad juist bedreigd kunnen voelen. En dus zoekt de stadsbewoner een groep die bescherming biedt tegen isolement, maar ook tegen de bedreigingen van wat als vreemd wordt ervaren.

Cole' s Julius loopt in zijn vrije tijd bij wijze van therapie door de straten van Manhattan. "De wandelingen, een tegenwicht voor mijn hectische dagen in het ziekenhuis, werden steeds langer en voerden me almaar verder mee. Op die manier drong New York stap voor stap mijn leven binnen." Zoals Pamuk zichzelf bepaald acht door de melancholie van Istanboel, zo stempelt de diversiteit van de New Yorkse straten, buurten en mensen Julius' gefragmenteerde identiteit. "Elke buurt in die stad leek gemaakt van een andere materie, leek een andere luchtdruk te kennen, een ander psychisch gewicht."

Dat hij zich te midden van een massa mensen bevindt, neemt niet weg dat Julius zich eenzaam blijft voelen. Uitgerekend in de metro, waar hij stijf tegen zijn medestedelingen aangedrukt staat, 'waar ik met ze streed en zij met mij om ruimte en zuurstof, waar we allemaal onze onverwerkte trauma's naspeelden', is dat gevoel het sterkst. Toch is het voor Julius van het grootste belang om te weten dat zijn bestaan aansluit bij dat van anderen, al was het maar omdat zij zich net als hij anders voelen, en omdat hij en zij met elkaar verbonden zijn in een oerverdriet van ontheemding.

Een vast thema in de grotestadsliteratuur is dat van de vervreemding. Een mooi voorbeeld, van de hand van de Turkse auteur Mehmet Zaman Saçl¿o¿lu, is te vinden in de bundel 'Naar de stad'. Plaats van handeling is Istanboel, dat tussen 1980 en 1985 zijn inwonergetal verdubbeld zag. In 'Het kruispunt' beschrijft Saçl¿o¿lu hoe een stad in zijn onstuitbare groeistuipen de eenling opzijdrukt en marginaliseert, zelfs wanneer die eenling zich bekommert om het gemeenschapsbelang. Hoofdpersoon is een haveloze man die besluit op eigen initiatief het verkeer te gaan regelen op een kruispunt dat zo druk geworden is dat er ongelukken gebeuren. Hoewel iedereen hem voor gek verslijt, boekt hij succes en behoudt zijn geloof in de mensheid. Zo overleeft hij de stad.

Anders dan Saçl¿o¿lu's held zijn veel andere personages in 'Naar de stad' niet opgewassen tegen de kilheid, genadeloosheid, onmenselijkheid en eenzaamheid die de stad eigen is. In 'De vertoning' van de Afghaanse schrijver Mohammed Sind raken de omstandigheden voor de hoofdpersoon zo ondraaglijk dat hij het besluit neemt om zich voor de ogen van toekijkende omstanders te elektrocuteren. In het mooie verhaal 'Het begin' van de Engelsman David Constantine wordt het opvissen van een lijk uit een smerige rivier een nieuwe vorm van theater.

Bijna alle verhalen staan in het teken van verdriet, vrees, geweld, haat, jaloezie, onbegrip, eenzaamheid, teleurstelling, vervreemding en het onvermogen om bindingen aan te gaan en in stand te houden. Ze verplaatsen ons op een onzachtzinnige manier naar een desolate stadswoestenij. In 'Een doorsneegezin' van de Mexicaan Carlos Fuentes wordt die sfeer treffend opgeroepen, maar niet zonder een glimpje optimisme: "Abel zag en voelde de enorme treurnis van die brede grijze straat. Hier was geen oplossing voor. Hij kwam bij het metrostation. Hij besloot over het hekje te springen en zonder kaartje in de trein te stappen. Hij voelde zich vrij. De volle trein zette zich in beweging."

Teju Cole: Open stad. (Open City) Vertaald door Paul van der Lecq. De Bezige Bij, Amsterdam; 315 blz. € 19,90

Naar de stad. Samengesteld door Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke. De Geus, Breda; 479 blz. € 19,90

Het besef allemaal een buitenstaander te zijn, lijkt het enige dat stedelingen onderling bindt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden