In de Keuken van 1870 is het al 125 jaar goed en goedkoop eten

Eens was het een vervallen paardestal aan de Spuistraat in Amsterdam. Tot regenten van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen er in 1870 een 'volks-gaarkeuken' van maakten. In een tijd dat de verzorgingsstaat nog niet bestond, konden de minderbedeelden er een goedkope maaltijd krijgen. De gaarkeuken heet nu 'Keuken van 1870' en bestaat deze week 125 jaar. Hoewel een bord eten al lang geen dubbeltje meer kost, zijn de prijzen nog steeds laag.

RUTGER VAHL

Serveerster Wil loopt zich de benen uit het lijf. Het is een gekkenhuis in de Keuken van 1870. De klanten zijn massaal afgekomen op het jubileum. Of komt het door de prijzen, die voor de gelegenheid historisch zijn verlaagd? Een bord hutspot, een bonenschotel, erwtensoep en rijstepap; vandaag kost het allemaal 125 cent. Net als vleesch of visch, dat in vooroorlogse spelling de herinnering aan 1870 levend houdt.

In het midden van het vertrek staat een lange tafel. Een gezelschap van keurig in het pak stekende heren en verzorgde dames contrasteert enigszins met de sobere inrichting. Het zijn de regenten van nu, het voltallig bestuur, dat het jubileum met zijn aanwezigheid komt opluisteren.

Vroeger trokken vooral de alleenstaande mannen naar de gaarkeuken. Bij de potkachel konden ze zich voor een dubbeltje vol eten, een bedrag waar ook toen nauwelijks zelf voor te koken was. Bovendien was het er warm en had je contact met stadsgenoten. Ze zijn er nog steeds welkom, de wat vereenzaamde eters voor wie de gaarkeuken ooit bedoeld was. Maar de zweem van zieligheid, die het restaurant nog steeds aankleeft, is niet terecht. Serveerster Wil: “Het heeft toch nog een beetje de naam van volksgaarkeuken. Dat schrikt de mensen af. Maar mensen die voor het eerst komen, vinden het altijd heel lekker. Bovendien, er komen ook hoge piefen van de universiteit. Iedereen komt hier eten.”

Amsterdam heeft meerdere volksgaarkeukens gekend. Die in de Spuistraat was de eerste en is nu de laatste, want de andere zijn inmiddels verdwenen. In de Tweede Wereldoorlog lukte het de volksgaarkeuken haar deuren open te houden. Dat stelde grote eisen aan de creativiteit van het toenmalig personeel, dat het voedsel overal vandaan moest halen. “Veel Amsterdammers overleefden de oorlog dank zij de volksgaarkeuken”, zegt bestuurslid G. Pels Rijcken, die jarenlang een functie had bij bierbrouwer Heineken.

De prijzen anno 1995 zijn nog steeds laag. Voor het duurste gerecht, een varkenshaas, betaal je 16,50 gulden. De dagschotel kost 8,50. Winst maken is verboden, staat in de statuten. En op subsidie hoeft niet gerekend te worden. Volgens bedrijfsleider Jaap van den Winkel komt het aan op een scherp inkoopbeleid. En op creativiteit. Als de aardappels bijvoorbeeld te duur zijn, moet de kok meer met rijst aan de slag.

Paul komt sinds zes jaar in het restaurant. Nagenietend met een sigaretje: “Ik hou niet zo van koken en je moet toch minstens één keer per week peulvruchten eten. Of verse sla”, zegt hij stellig.

En Joop van Gijn: “Vandaag was een toevalstreffer, want ik kom alleen als ik in de buurt ben. Het is hier simpel, maar goed. Voor deze prijzen kan je geen luxe verwachten.”

De moderne tijd trad sluipenderwijs binnen. Op vrijdag is dat het best te merken. “Dat noemen we de flappendag. Nee, geen appelflappen. Dan komt iedereen met flappen uit de geldautomaat, zodat we geen wisselgeld hebben”, verduidelijkt Wil. “Maar ja, dat is de moderne tijd, hè.”

Houten tafels met kleedjes erop. Geen dikke tapijten op de vloer, maar zwart-wit geblokt linoleum. De keuken van 1870 straalt een eenvoudige gezelligheid uit.

Volgens bestuursvoorzitter R. Feith, die het restaurant sinds de jaren zestig kent, is er al die jaren weinig veranderd. De potkachel verdween en het plafond werd verlaagd. “Sinds de verbouwing in 1982 komen er meer jongelui”, zegt hij. “Daarvoor kwamen hier toch vooral oudere mannen. En het menu is uitgebreid. Met stamppot trek je niet genoeg mensen meer. Ik kom hier nog elke week. Ook om de kwaliteit te controleren, maar die is tot nu toe altijd goed.”

De tafel rechts achterin is voor de stamgasten. Zeven mensen, die bijna elke dag komen. De groep is hecht. De verjaardagen worden gezamenlijk in het restaurant gevierd. “Het is een grote familie”, zegt Wil.

Er zijn nog meer vaste klanten. Wil: “Twee opa's bijvoorbeeld. En een zwerver. Heeft 'ie zo'n groene jas aan, en een rode baard. Vincent van Gogh noemen we hem daarom.” Voor Wil is het bedienen een soort hobby. Verdienen doet ze er niet mee, alleen wat de fooien opbrengen. “Ik doe het voor de lol en de gezelligheid.”

Het is negen uur als de laatste klant de deur uit gaat. De medewerkers puffen uit. Morgen, als het jubileum voorbij is, zullen de prijzen weer tot hedendaagse hoogten stijgen. Al rekent Wil erop dat ook dan de klanten massaal de weg naar de Spuistraat weten te vinden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden